21 436
Wijziging van de Visserijwet 1963

nr. 236a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ1

Vastgesteld 21 juni 1996

Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Alhoewel deze leden zich konden vinden in de hoofdlijnen van het wetsvoorstel hadden zij de nodige bedenkingen en vragen bij het afschaffen van de zgn. vrije hengel en de gevolgen daarvan voor de positie en de taakuitoefening van de OVB.

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel en de behandeling daarvan door de Tweede Kamer.

Sinds de indiening op 10 januari 1990 is het wetsvoorstel op een aantal – belangrijke – punten gewijzigd. Dat is ook het geval door de aanvaarding van een aantal amendementen in de Tweede Kamer. Deze leden hadden mede als gevolg daarvan nog een aantal opmerkingen en vragen.

Gaarne ontvingen de leden van de CDA-fractie een reactie van de minister op de brief van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, d.d. 28 mei 19962. Met name wilden deze leden de zienswijze van de minister vernemen op de in deze brief geformuleerde conclusies.

De leden van de fractie van D66 hadden met belangstelling kennis genomen van de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Niettemin leefde ook bij de fractie van de Eerste Kamer nog een aantal vragen en wel de navolgende.

Deze wet is een lange weg gegaan nu zij er zes jaar over heeft gedaan om de Eerste Kamer te bereiken. De Visserijwet ondergaat dan ook een nogal aanzienlijke wijziging. Het is een ingrijpend wetsvoorstel, omdat van een stelsel van vergunningverlening wordt overgegaan op een stelsel van algemene regelgeving. In plaats van preventief toezicht door de Kamer voor de Binnenvisserij, die huurovereenkomsten moet goedkeuren en toestemming voor vergunningen moet verlenen, komen er nu algemene regels met eventuele toetsing achteraf, in het geval dat beroep op de kantonrechter wordt gedaan. Dit zal het kader moeten worden voor een systeem dat er vanuit gaat dat het streven is om de samenwerking tussen de verschillende schakels in de visserijketen en de eigen verantwoordelijkheid van de sector te versterken.

Het beleid dat de leden hier aan het woord voorstaan is gericht op duurzame ontwikkeling en in het kader daarvan is een krachtig natuur- en landschapsbeleid en dus ook visserijbeleid noodzakelijk.

Zij zeiden dan ook het wetsvoorstel van harte toe te juichen. Een duidelijk en doorzichtig beleid is een streven voor de gehele regelgeving en dus ook voor het beleid van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het kan alleen maar iets goeds betekenen om voor het hele visserijbeleid één standaard te hanteren in plaats van het tot nog toe gehanteerde stelsel van individuele toekenning van vergunningen en licenties met betrekking tot het vangen van vis.

De winter die achter ons ligt is er een geweest van extreme kou en langdurige vorst, hierdoor zijn in de binnenwateren naar het schijnt vele tonnen vissen gestorven. Het zou hierbij volgens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om een natuurlijk proces gaan dat onvermijdelijk zou zijn. Rapporten van de NVVS en OVB vertellen ons dat de ware doodsoorzaak van deze vissen onvoldoende waterbeheer is, waardoor de vissen niet in de natuurlijke omgeving verkeerden waarin velen van hen de kou wel hadden kunnen overleven. Kan de regering inzicht verschaffen in het waterbeheer over de binnenwateren op dit punt in verband met het welzijn van vissen?

De vraag of met de voorgestelde wetswijziging het welzijn van in het wild levende vissen genoegzaam is geregeld, wordt niet door iedereen onderschreven. Zo is van de zijde van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren aangegeven – bij schrijven van 28 mei aan de leden van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij – dat op dit punt nog de nodige verbeteringen aangebracht kunnen worden. Deze vereniging wijst onder meer op de welzijnsproblemen die verbonden zijn aan het gebruik van verschillende vormen van staande tuigen. De leden hier aan het woord vernamen, evenals de leden van de CDA-fractie, graag de reactie van de regering op dit punt.

De leden van de fractie van GroenLinks hadden vernomen dat recentelijk veel onderzoek is verricht naar de dodingsmethoden van met name paling en meerval. Wat is de reactie van de minister op dit onderzoek en wat kan het RIVO nog toevoegen aan deze resultaten?

Wordt het geen tijd, om net als bij varkens en runderen, tot een goede regeling van de dodingsmethoden te komen?

De minister staat op het standpunt dat sterfte van vissen in de winter een natuurlijke zaak is. Dat is echter slechts tot op zekere hoogte waar. Belangrijk gegeven is dat er te weinig wordt gebaggerd in vaarwater, waardoor sloten en kanalen steeds ondieper worden en de kans op overleven van vissen bij strenge vorst steeds moeilijker wordt. Deelt de minister deze analyse en zo ja, voelt hij er niet voor om beheerders van water een zekere verantwoordelijkheid en verplichting op te leggen bij het goed kunnen overleven tijdens strenge winters?

2. De Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij (OVB)

De leden van de VVD-fractie wilden van de minister vernemen of het juist is dat binnen zijn ministerie wordt overwogen aan de OVB de status van Zelfstandig Bestuurs Orgaan te onttrekken. Indien dat het geval is zouden deze leden van de minister willen vernemen hoe dit zich verhoudt tot de taken die de OVB bij wet zijn opgelegd? Lenen deze taken zich voor uitvoering door een privaatrechtelijke organisatie? Kan in dat geval financiering van de OVB nog wel plaats vinden via een wettelijke bijdrageregeling?

De leden van de CDA-fractie vroegen of er inderdaad sprake is van een overgang van de OVB van de publieke naar de private sector? Zal de OVB als zelfstandig bestuursorgaan gehandhaafd blijven? Onder welke condities zal dat dan gebeuren?

Welke garanties kan de minister geven voor de taakuitoefening van de OVB in het kader van de gewijzigde Visserijwet?

De leden van de fractie van GroenLinks wilden weten of de minister een rol ziet voor de OVB bij het bevorderen van deskundigheid inzake het welzijn van de vissen bij vissers?

Deelt de minister de mening, dat hier bij vissers nog veel aan schort? Zo ja, wat is zijn strategie om hier wat aan te doen?

3. IJsselmeervisserij

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de resultaten van het overleg dat de minister voert met de producentenorganisatie (PO) van IJsselmeervissers over de vangsten in het IJsselmeer? Is de minister bereid tot een nieuw visstandonderzoek in het IJsselmeer en een onderzoek naar de economische gevolgen voor de bedrijven? Is de minister bereid tot het nemen van effectieve maatregelen tegen de overlast van aalscholvers, zoals door de PO wordt gevraagd?

Bij de beoordeling van de visstand dient, aldus de leden van de fractie van D66, rekening te worden gehouden met de biodiversiteitscriteria. Dit jaar zal het plan voor het gewijzigd beheer van het IJsselmeer en voor de versterking van de organisatie voor vissers geïmplementeerd kunnen worden. Dit plan heeft tot doel de visserij op schubvis te bevorderen aangezien de opbrengst van aal, naar verluidt, terugloopt. Er zijn echter over aal ook andere geluiden te horen. Zijn de geruchten juist, dat er de laatste jaren juist meer glasaal dan voorheen het IJsselmeer binnenkomt?

4. De vrije hengel

De leden van de VVD-fractie plaatsten met betrekking tot de afschaffing van de zgn. vrije hengel grote vraagtekens bij de validiteit van de argumenten welke hiervoor gebruikt zijn. Zij waren van mening dat het argument dat de «vrije hengelaar» meelift op de inspanningen van de georganiseerde sportvisser ten enen male onjuist is. Allereerst kan worden opgemerkt dat de «vrije hengelaar» door middel van het aanschaffen van een sportvisakte daadwerkelijk een financiële bijdrage levert aan de OVB en bijgevolg aan een adequaat beheer van de visstand. Daarenboven bevist de «vrije hengelaar», gezien de wettelijke beperkingen met betrekking tot de te gebruiken aassoorten, vrijwel uitsluitend vissoorten waarbij sprake is van een teveel in de binnenwateren. Hierbij valt te denken aan vissoorten als brasem, kolbei en voorn. Is het niet veeleer zo dat, juist in dit opzicht de «vrije hengelaar» meewerkt aan realisatie van één van de doelstellingen van de Visserijwet, t.w. het tegengaan van een overmatige visstand? De leden van de VVD-fractie zouden graag van de minister vernemen of, en zo ja, in hoeverre de «vrije hengelaar» schade zou toebrengen aan het beheer van de visstand in de Nederlandse binnenwateren. Acht de minister het afschaffen van de vrije hengel niet strijdig met het bevorderen van de recreatie in Nederland? Immers uit onderzoek is gebleken dat een groot deel van de «vrije hengelaars» in beperkte mate en vanuit recreatief oogpunt de hengelsport beoefent. Zou de minister kunnen aangeven hoe de regelgeving met betrekking tot het vergunningenstelsel in de sportvisserij in Nederland zich verhoudt met de Europese regelgeving terzake?

De leden van de VVD-fractie deelden de breed levende zorg dat ten gevolge van het afschaffen van de vrije hengel een groot aantal recreatieve hengelsporters zullen stoppen met deze sport en dat tengevolge daarvan de verkoop van het aantal sportvisaktes (drastisch) zal teruglopen met alle financiële gevolgen van dien. Zij zouden dan ook graag van de minister vernemen of hij deze zorg deelt en hoe hij de financiële gevolgen hiervan inschat voor de OVB. Zal de OVB de haar bij wet opgelegde publiekrechtelijke taken ten aanzien van de gehele binnenvisserij nog wel adequaat kunnen vervullen als de haar ter beschikking staande financiële middelen fors zullen afnemen? Overweegt de minister in dat geval een andere, aanvullende financiering voor de OVB?

De leden van de CDA-fractie wezen in dit verband op de aanvaarding in de Tweede Kamer van het amendement Huys/Van Waning (Kamerstukken Tweede Kamer, 21 346, nr. 17), inzake het afschaffen van de zgn. vrije hengel. Tijdens de behandeling van het voorstel in de Tweede Kamer heeft de minister aanvaarding van het amendement Huys/Van Waning ontraden. Vervolgens heeft de minister in een brief aan de Tweede Kamer, d.d. 25 maart 1996 (21 436, nr. 30), op grond van een aantal gegevens en argumenten aangegeven dat hij zijn standpunt handhaaft, dat de vrije hengel moet worden behouden. De hier aan het woord zijnde leden zeiden er van uit te gaan dat dit standpunt nog steeds door de minister wordt ingenomen. Welke argumenten heeft de minister nu om toch het afschaffen van de vrije hengel te aanvaarden?

In enkele brieven aan de Eerste Kamer hebben organisaties, zoals de Vereniging van Nederlandse Autonome Sportvisserij Organisaties (NASO) en de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB), hun bezorgdheid uitgesproken over het afschaffen van de vrije hengel. In deze brieven komt ondermeer naar voren dat het afschaffen van de vrije hengel naar verwachting tot gevolg heeft dat het aantal sportvissers zal afnemen. Het zouden vooral de ongeorganiseerde sportvissers zijn die worden gedupeerd. Ook zou de maatregel leiden tot een toename van de zwartvisserij, hetgeen een beduidend negatief effect heeft op de inkomsten van de OVB en daardoor nadelig is voor de taakuitoefening door de OVB. Voorts wordt er in genoemde brieven op gewezen dat met het wegvallen van de vrije hengel een voor hengelsportverenigingen en overheid niet te administreren en niet te controleren situatie zou ontstaan. Met het afschaffen van de vrije hengel zouden sportvissers worden gedwongen voor de visserij in de verschillende openbare wateren verschillende vergunningen te kopen. Gelet op de problematiek rond de controle van de huidige situatie, zou te voorzien zijn dat met het afschaffen van de vrije hengel een regelgeving wordt geschapen die moeilijk is na te leven en dus in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar zou zijn.

Herkent de minister deze zorgen en welke maatregelen zouden dan getroffen moeten worden om hieraan tegemoet te komen?

In de toelichting op het amendement Huys/Van Waning wordt gesteld dat het niet past dat sommige vissers gratis meeliften op de inspanningen en financiële bijdragen van anderen.

De OVB wijst er op dat de vrije hengelaar evenals de georganiseerde sportvisser door het kopen van de sportvisakte f 15,50 bijdraagt aan de verbetering van de binnenvisserij en dat er derhalve geen sprake is van gratis meeliften op inspanningen en financiële bijdragen van anderen. Deelt de minister deze mening? Is het juist dat omgerekend naar visfrequentie de vrije hengelaar zelfs een duidelijk grotere financiële bijdrage levert dan de georganiseerde hengelaar?

Welke maatregelen zal de minister nemen, indien het afschaffen van de vrije hengel zal leiden tot de toename van de «grijs-visserij» (vissen met visakte maar zonder vergunning) en «zwart-visserij» (vissen zonder documenten)?

Deelt de minister de opvatting van de OVB dat het afschaffen van de vrije hengel nadelig is voor de dienstverlening aan de visserijsector en schadelijk voor de continuïteit van de huidige organisatie? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, welke maatregelen dienen dan te worden getroffen om dit te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie vestigden vervolgens nog de aandacht op het rally-vissen. Welke mogelijkheden heeft de minister om het zogenaamde rally-vissen te verbieden en is hij bereid van die mogelijkheden gebruik te maken? Zou het ook aanbeveling verdienen om net als vroeger het visseizoen gesloten te houden tot eind mei om daarmee de visstand te bevorderen?

De leden van de fractie van de PvdA wilden vernemen of alle rijkswateren door georganiseerde sportverenigingen worden gehuurd. Voorts wilden zij weten, wat het beheer van die wateren door die verenigingen precies inhoudt.

Deze leden hadden met verbazing kennis genomen van een enquête van de Vereniging Nederlandse Autonome Sportvisserij Organisaties, waaruit bleek, dat in 1994 41% van het totaal aantal sportvissers zwart viste. Zij wilden vernemen hoe de regering zich voorstelt de handhaving van de wetgeving terzake te verbeteren en welke verwachtingen zij heeft van de introductie van B(ijzondere) O(psporings A(mbtenaren). Hoeveel extra inkomsten worden dankzij deze BOA's verwacht en is er gevaar, dat door de extra lasten van handhaving het effectieve beheer van het Nederlandse viswater onder druk komt te staan?

Deze leden wilden tenslotte vernemen hoe de nieuwe regels zullen uitwerken voor vissertjes van minder dan 15 jaar. Moeten zij in het nieuwe systeem één of meer vergunningen hebben en zo ja, hoeveel gaat dat kosten?

Ook de leden van de fractie van D66 gingen in op de problematiek van de vrije hengel. Het betreft hier een van oudsher gevestigd recht met een aanmerkelijk recreatief belang dat nu dreigt weg te vallen. Deze leden wilden niet verhelen dat zij nog niet zijn overtuigd van de noodzaak tot afschaffing van dit recht. Als zij het goed zien dan is het kernargument voor afschaffing de stelling dat het wenselijk is dat alle sportvissers (in gelijke mate) bijdragen aan de realisering van algemene doelstellingen op het gebied van visstandbeheer, natuur en welzijn. Hiermee wordt de suggestie gewekt dat onder het huidige regime de «vrije hengelaars» geen (of een niet toereikende) bijdrage leveren aan genoemde doelstellingen.

Dit argument is naar het oordeel van de leden van de fractie van D66 met de brief van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 25 maart 1996 toch voor een goed deel van zijn overtuigingskracht ontdaan. Van de prijs van de sportvisakte voor 1996 van f 15,50 is immers een bedrag van f 12,87 beschikbaar voor het visstandbeheer. Uitgaande van ca. 200 000 vrije hengelaars draagt deze groep dus jaarlijks ruim f 3 miljoen bij aan het visstandbeheer door tussenkomst van de OVB.

De leden van de fractie van D66 waren geneigd deze bijdrage, in relatie tot de frequentie waarmee vrije hengelaars jaarlijks een hengeltje uitwerpen, als toereikend te beschouwen. En voor zover deze bijdrage als onvoldoende zou moeten worden aangemerkt, zou bijvoorbeeld overwogen kunnen worden een opslag op de sportvisakte in te voeren.

De bovenstaande beschouwing gaf de leden van de fractie van D66 aanleiding tot het stellen van de volgende vragen:

Welk deel, zo mogelijk in een percentage van de Nederlandse wateren is beschikbaar voor vrije hengelaars?

Wie is verantwoordelijk voor het visstandbeheer in de voor vrije hengelaars beschikbare wateren? In hoeverre zijn hengelsportorganisaties daarbij ingeschakeld?

Zijn de effecten bekend – kwantitatief en kwalitatief – van het visstandbeheer door hengelsportorganisaties in de voor vrije hengelaars beschikbare wateren?

Heeft de regering zicht op de opvattingen van bijvoorbeeld gemeenten ten aanzien van de voorgenomen afschaffing van de vrije hengel?

Is de regering nog steeds van oordeel dat de vrije hengelaars door middel van de sportvisakte in voldoende mate bijdragen aan het visstandbeheer?

Heeft de regering mogelijk nog nadere gegevens beschikbaar omtrent het aantal vrije hengelaars en de frequentie waarmee zij jaarlijks gemiddeld een hengeltje uitwerpen?

Acht de regering de ter beschikking staande gegevens hieromtrent in voldoende mate betrouwbaar en zo nee, acht zij het wenselijk nader onderzoek te doen?

In hoeverre acht de regering een omslagpunt aanwezig, in die zin dat boven een bepaalde omvang van de groep vrije hengelaars en boven een bepaald aantal keren dat vrije hengelaars gemiddeld jaarlijks een hengeltje uitwerpen er wél sprake kan zijn van schade aan het visstandbeheer?

Vormt de mogelijkheid van een opslag op de sportvisakte – onder meer uit een oogpunt van eenvoud en controle en handhaving – niet een aantrekkelijk alternatief voor afschaffing van de «vrije hengel»?

Heeft de regering al een opzet voor ogen van het vergunningenstelsel dat bij afschaffing van de vrije hengel zal moeten worden opgesteld? Wordt daarbij in ieder geval zeker gesteld dat geen sprake is van verenigingsdwang?

In hoeverre verwacht de regering dat het nieuwe stelsel zal uitnodigen tot zwartvissen (geen akte, geen vergunning) en grijsvissen (wel akte, geen vergunning)?

Kan de regering, in het verlengde van de voorgaande vraag, aangeven op welke wijze de controle en handhaving onder het nieuwe systeem vorm zal krijgen?

De leden van de fractie van GroenLinks konden zich niet aan de indruk onttrekken dat over het afschaffen van de vrije hengel een felle stellingenoorlog gaande is. Zelfs over de feiten kunnen betrokkenen het niet eens worden.

Kan de minister cijfers verschaffen over de aantallen, de frequentie, de effecten op het visbestand van de vrije hengel?

Handhaaft hij zijn visie, ondanks de aanname van het amendement Huys/Van Waning? Kan hij zijn visie nogmaals helder en compact uiteenzetten?

Het lijkt er op, dat veel betrokkenen het zgn. rallyvissen afwijzen. Ook is er in de politiek weinig enthousiasme voor te bespeuren.

Waarom wordt dit niet afgeschaft?

5. Levend aas

De leden van de CDA-fractie waren van mening dat in de Tweede Kamer terecht aandacht is besteed aan het vissen met levend aas. Welke afspraken heeft de minister gemaakt met de georganiseerde sportvisserij inzake het op termijn afschaffen van het gebruik van levend aas bij het vissen? Wanneer en op welke wijze zal toepassing worden gegeven aan deze afspraken? De leden van de PvdA-fractie sloten zich bij deze vragen aan.

Over vissen met levend aas is al een jarenlange discussie gaande. Ook de leden van de fractie van GroenLinks in de Eerste Kamer hadden zich al jarenlang ingezet voor het afschaffen hiervan. Het leek erop alsof de minister per 1 januari 1997 dit zou gaan verbieden.

Is de minister dit nog steeds van plan of kan overleg met de betrokkenen tot verder uitstel leiden?

6. Visstroperij

De leden van de CDA-fractie verwezen naar bladzijde 3 van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken Tweede Kamer 21 436, nr. 7) en ook naar de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer (zie o.a. de bladzijden 4349 en 4350 van de Handelingen Tweede Kamer) waar aandacht is besteed aan de visstroperij.

In de Tweede Kamer heeft de minister meegedeeld dat een onderzoek wordt ingesteld naar de omvang van de problematiek van de visstroperij en de eventueel te nemen maatregelen. Kan de minister al mededelingen doen over de resultaten van dit onderzoek? Waarom kent de reguliere politie geen hoge prioriteit toe aan de visstroperij en de zwartvisserij, zoals de minister heeft gesteld in de Tweede Kamer (Handelingen Tweede Kamer, bladz. 4350)? Welke maatregelen zal de minister in overleg met zijn ambtgenoot van Justitie nemen om visstroperij en zwartvisserij te bestrijden en tegen te gaan? Wat zal de taak en functie van de bijzondere opsporingsambtenaren zijn? En welke definitieve stappen heeft de minister inmiddels in dit kader gezet, zoals hij in de Tweede Kamer heeft aangekondigd (Handelingen Tweede Kamer bladz. 4358)?

De voorzitter van de commissie,

Braks

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

Samenstelling: Pit (PvdA), Holdijk (SGP), Zijlstra (PvdA), Braks (CDA), (voorzitter), Van Gennip (CDA), Pitstra (GL), Luimstra-Albeda (CDA), Rensema (VVD), Varekamp (VVD), Van Heukelum (VVD), Hessing (D66).

XNoot
2

Deze brief is ter kennis gebracht van de minister en ter inzage gelegd op het Centraal Informatiepunt onder nr. 117582.2.

Naar boven