Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24094 nr. 261a |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24094 nr. 261a |
Vastgesteld 19 mei 1995
Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.
De leden van de fractie van het CDA deelden mee met zeer gemengde gevoelens kennis te hebben genomen van het wetsvoorstel. Zij verwezen daartoe ook naar hun inbreng in het plenaire beleidsdebat op 7 en 14 maart 1995. Weliswaar zijn er sindsdien in de Tweede Kamer enkele wijzigingen aangebracht, die soms een verbetering inhouden, een andere keer echter weer nieuwe problemen oproepen. De fundamentele bezwaren, die deze leden eerder uitten, waren echter niet weggenomen. Gezien de fase, waarin de behandeling van het wetsvoorstel zich thans bevindt, en de attitude die de bewindsman in de voorafgaande fase aannam tegenover meer fundamentele wijzigingen en tegenover voorstellen tot latere invoering, deelden deze leden mee zich thans met name te zullen concentreren op inhoudelijke gevolgen van de tot nu toe gevolgde procedure en de problemen, die zullen ontstaan voor studenten (en hun ouders), resp. de betrokken onderwijsinstellingen, soms ten gevolge van de aard van bepaalde maatregelen, soms ten gevolge van het voorgenomen geforceerde tijdspad.
De leden van de CDA-fractie merkten op, dat in het algemeen het invoeren van een prestatie-element in het stelsel van studiefinanciering voor hen op zich zelf bespreekbaar is. Zij achtten dit echter een dergelijke fundamentele wijziging in het stelsel, dat zij van mening waren dat over de modaliteit ervan (er blijken tenminste zes mogelijke modellen in omloop te zijn), de oordelen van de relevante organisaties en instellingen beschikbaar hadden dienen te zijn, opdat de Tweede Kamer daarover een open discussie had (moeten) kunnen voeren. Zij constateerden daarentegen dat in een vroeg stadium, in het einde van 1994, een keuze voor één model is gedaan, en dat daarna aan de IB-groep de opdracht is gegeven haar programmatuur daarop in te stellen. Dientengevolge werd de materiële speelruimte voor de Tweede Kamer voor amendering zeer beperkt, en werden ook randvoorwaarden geformuleerd voor de voorlichting aan betrokkenen omtrent invoering per 1 september 1995, die een materieel keurslijf vormden voor de gehele parlementaire behandeling. In dit verband deelden de leden van de CDA-fractie mede het ook als een ernstig bezwaar te ervaren, dat zo spoedig na de invoering van het wetsvoorstel Student Op Eigen Benen (STOEB), thans een zeer fundamentele wijziging in het stelsel van studiefinanciering wordt voorzien. Zij tekenden daarbij aan dat op zich zelf bezien ook een verhoging van de normen van de tempobeurs voor hen bespreekbaar is. Maar zij hielden staande, dat juist het samenstel van maatregelen in dit wetsvoorstel een door hen niet gewenst, zeer contraproduktief effect zal genereren, zeker als dit model van de prestatielening/beurs wordt gecombineerd met een terugbrenging van de C+I formule tot de C-formule. Tenslotte wilden deze leden opmerken dat een, in het volgende jaar, te voeren discussie, zoals door de minister in het vooruitzicht gesteld, onvermijdelijk als «mosterd na de maaltijd» zal fungeren, gezien de onomkeerbaarheden die door dit wetsvoorstel geschapen zullen worden.
De leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij konden zich in hoofdlijn vinden in de uitgangspunten voor dit voorstel. Twijfels hadden zij echter of gelet op de hoeveelheid reeds gerealiseerde en nog te realiseren wijzigingen in het stelsel van studiefinanciering de nu voorgestelde wijzigingen niet zullen leiden tot een onoverzichtelijk geheel.
Daarenboven meenden zij dat invoering van deze maatregelen per 1 augustus 1995 tot welhaast onoverkomenlijke in- en uitvoeringsproblemen zal leiden. Zij stelden het op prijs antwoorden op de volgende vragen te krijgen.
Kan de minister een overzicht verstrekken van
– alle nog naast elkaar bestaande studiefinancieringsregelingen (ho/wo) en incl. OV-jaarkaart
– alle reeds wettelijk goedgekeurde wijzigingen in deze regelingen die nog ingevoerd moeten worden
– alle nog op stapel staande wijzigingen in genoemde regelingen?
Hoeveel personen, studerend aan niet-erkende opleidingen, worden naar schatting getroffen als gevolg van de afschaffing van de kinderbijslagregeling 18+?
Wat zijn daarbij de financiële consequenties voor diegenen die afhankelijk zijn van ouders met een minimuminkomen of met een uitkering? De vaste commissie voor Wetenschapsbeleid en Hoger Onderwijs zou voorts een zo compleet mogelijk overzicht ontvangen van de instellingen die getroffen worden door de afschaffing van het overgangsrecht AKW.
Is de veronderstelling juist dat waar de bereikbaarheid van de Informatiseringsbank nu al veel te wensen overlaat er straks bij invoering van de voorgestelde wijzigingen er nauwelijks meer sprake zal zijn van bereikbaarheid? Zo ja, wat denkt de minister daaraan te doen?
Leidt de voorgestelde maximering van de studiefinancieringsduur er niet toe dat een a.s. student zich geen positieve studiekeuze meer kan permitteren?
Wil de minister nog eens toelichten waarom er geen sprake is van aantasting van de rechtszekerheid van studenten?
De leden, behorende tot de fractie van D66 merkten op dat de absurd korte periode van schriftelijke voorbereiding van dit wetsvoorstel er toe kan leiden dat sommige van hun vragen al eerder aan de orde zijn geweest. Ten aanzien van die vragen zou bij de beantwoording met een verwijzing naar de relevante passages kunnen worden volstaan. Deze leden vroegen in de eerste plaats of de minister beschikt over prognoses met betrekking tot de effecten van deze wijziging in financiering op het aantal ingeschreven studenten.
Is daarbij rekening gehouden met een teruggang in studentenaantallen, die reorganisaties en ontslagen ten gevolge zal hebben, waardoor vooral de jongere krachten worden getroffen? Op welke informatie berust de stelling van de minister dat de wet geen extra uitvoeringsproblemen met zich brengt? Zou de minister in zijn antwoord het rapport dat de Informatie Beheergroep en Bureau Berenschot hierover heeft uitgebracht, willen betrekken?
Universiteiten zullen, zo vervolgden deze leden, de neiging hebben om studenten, die het risico lopen om hun lening niet omgezet te zien in een beurs, te helpen. Deelt de minister deze analyse (Löwenhart, Volkskrant 5 mei 1995) en zo neen, waarom niet?
Beschikt de minister over prognoses betreffende de budgettaire consequenties van de afwikkeling van de terug te betalen leningen?
Kan de minister in zijn antwoord de recente gegevens betrekken, waaruit blijkt dat 1 op de 4 afgestudeerden langer dan 1 jaar werkloos is?
Bij de behandeling van de wet Student Op Eigen Benen, hadden deze leden al hun zorg verwoord, dat vooral jonge mensen (laag inkomen, jonge kinderen) voor grote financiële problemen komen te staan. Deze problemen worden pas over 15 jaar manifest. Of dit perspectief weerhoudt jonge mensen er van om een studie te beginnen. De schade hiervan blijkt ook pas over een aantal jaren, als er een tekort ontstaat aan goed opgeleide mensen. Deze bezwaren gelden à fortiori voor het voorliggende wetsvoorstel. Heeft de minister in zijn plannen dit type effecten ingecalculeerd? Zo ja, wat heeft hem tot het voornemen gebracht – afgezien van het budgettaire belang – de regeling toch in te voeren?
Bij studenten bestaat grote onzekerheid. De voorlichting is verwarrend. Acht de minister het adagium «een ieder wordt geacht de wet te kennen» nog van kracht (zie de Informatie Krant)?
De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het voorliggende voorstel en van de discussie daarover in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zij concludeerden daaruit dat het voorstel bepaald niet onomstreden is. Tegen deze achtergrond wilden zij ter voorbereiding van de openbare behandeling nog een aantal vragen stellen.
Er is veel discussie geweest over de termijn van invoering van het systeem. Kan de minister nader aangeven wat hij bedoelt als hij stelt garant te zijn voor een correcte invoering. Wat stelt de minister zich voor te doen indien meer dan 1 procent van de studenten last krijgt van de snelle invoering; waarop is overigens het criterium van 1 procent gestoeld, en wat verstaat de minister onder «last krijgen van».
Kan de minister nader ingaan op de technische uitvoerbaarheid na de invoering? De leden van de CDA-fractie sloten zich bij deze vraag aan.
In de discussie over het IBG-rapport over de invoering brengt de minister steeds naar voren dat dit rapport voor intern gebruik bedoeld is geweest, en dat – wanneer vooraf extern gebruik was voorzien – het rapport andere taal zou hebben gesproken. Kan de minister nader verklaren wat hij daarmee bedoelt; het kan toch niet zo zijn, dat daarmee de ernst van de feiten minder duidelijk zou zijn geworden c.q. niet vermeld zou zijn geweest.
Kan de minister nader ingaan op de budgettaire aspecten van het wetsvoorstel. Deelt hij de mening van de VVD-fractie dat hier in feite sprake is van een kasschuifoperatie, waarvan de budgettaire consequenties zich in latere jaren zal laten gevoelen. De leden van de CDA-fractie sloten zich bij deze vraag aan.
Kan de minister in kort bestek de hoofdpunten van het studiefinancieringsstelsel sinds de invoering in 1986 weergeven? Kan hij – eventueel op schematische wijze – de optredende veranderingen bij de overgang van «tempobeurs» naar «prestatiebeurs» aangeven?
In korte tijd wordt de studiefinancieringsduur van 6 via 5 naar 4 jaren teruggebracht. Is het de instellingen mogelijk geweest de studeerbaarheid hiermede in gelijke mate te laten overeenstemmen?
De leden van de CDA-fractie sloten zich bij deze vraag aan.
Welke is de verwachting van de minister over de invloed van de deelname aan het wetenschappelijk onderwijs; beschikt de minister over kwantitatieve gegevens over de invloed van zowel sociaal-economische status als capaciteiten. Welke zal de gedragslijn van de minister zijn indien de beoogde budgettaire doelstelling niet wordt gehaald; welke mogelijkheden ziet de bewindsman om die doelstelling dan alsnog te halen; op welk tijdstip c.q. na hoeveel jaren na de invoering worden hierover nadere beslissingen genomen?
Hoe moet – in dit verband, maar ook in verband met de overige veranderingsprocessen die door de bewindsman in gang zijn gezet – de principiële discussie worden gezien die de minister in het vooruitzicht stelt? Was de overgang van tempobeurs naar prestatiebeurs ook niet een dergelijke discussie waard geweest? Kan de minister nader ingaan op de opportuniteit en ratio van de invoering van het beoogde systeem studiefinanciering, tegen de achtergrond van de snelle opeenvolging van eerdere wijzigingen, en mede gezien het kritische advies van de Raad van State en de afwijzende reacties vanuit de samenleving? Deelt de minister de mening van de leden van de VVD-fractie dat de zes modellen die aan de orde waren bij uitstek geschikt zouden zijn geweest voor een principiële, openbare discussie? Deelt de minister de mening van de leden van de VVD-fractie, dat toch tenminste een cohort-periode na invoering moet zijn verlopen alvorens tot weer een ander stelsel wordt besloten?
Hoe denkt de minister over de plannen van de Katholieke Universiteit Brabant om studenten, die niet in aanmerking komen voor studiefinanciering, een lening van de KUB te doen verstrekken?
Deelt de minister de wel geuite vrees dat de prestatiebeurs in de vorm van het diplomamodel, zo deze niet al leidt tot een lager aantal afgestudeerden, toch in elk geval een lager kwalitatief rendement zal opleveren?
Hoe wil de minister erop toezien dat «in de praktijk de middelen van het afstudeerfonds ruimhartig worden uitgekeerd aan studenten die door ziekte problemen ervaren»?
Kan de minister aangeven hoe hij de beoogde functie van de propaedeuse (verwijzing, advies) in het kader van het voorliggende wetsvoorstel ziet?
De leden, behorende tot de fractie van GroenLinks merkten ter inleiding van hun bijdrage aan dit verslag op onder protest te beginnen aan de behandeling van dit wetsvoorstel.
Nog voordat de vaste commissie voor Wetenschapsbeleid en Hoger Onderwijs aan de schriftelijke voorbereiding was begonnen (15 mei 1995) is de datum al vastgesteld, waarop de Eerste Kamer het voorstel plenair zal behandelen, nota bene over 14 dagen op 30 mei 1995. Dit staat haaks op de procedures die de Eerste Kamer gewend is te volgen. Bij een zo ingrijpend voorstel, waar veel onzekerheden, tegenstrijdige adviezen, invoeringsproblemen en wat er niet al aan vast zitten, behoort zij dat niet te doen.
Geen enkele druk van een minister met budgetproblemen rechtvaardigt een onzorgvuldige behandeling van een sterk omstreden wet. Dit behoort een zich zelf respecterende senaat zo niet te doen. De Eerste Kamer moet waarmaken waar zij voor is ingesteld: een voorstel goed toetsen op rechtszekerheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid.
Daar komt niets van terecht als een ingrijpend en omstreden wetsvoorstel in 14 dagen door dit huis gejast gaat worden. De minister en de coalitiepartijen zouden verstandiger moeten zijn.
Ingaande op de inhoud van het wetsvoorstel merkten deze leden op dat bij de twee vorige wijzigingen in het systeem van studiefinanciering de minister sterk heeft benadrukt dat er hoognodig rust zou moeten ontstaan aan het SF-front.
Studerenden, hun ouders en de instellingen van hoger onderwijs moesten de kans krijgen aan het nieuwe systeem te wennen. Bovendien moesten de effecten van de laatste ingrijpende wijzigingen eerst duidelijk worden, voordat er nieuwe ingrepen zouden volgen. Een «cohortperiode» (minimaal vier jaar) met ongewijzigde systematiek is dan wel het minimum.
Tenslotte was het de bedoeling van de minister om in 1996 een start te maken met de procedure voor een geheel nieuw studiefinancieringsstelsel.
Waarom is de minister van deze, door hemzelf benadrukte, gedragslijn afgeweken en haalt hij nu dubbel ontijdig (inhoudelijk te vroeg en procedureel te laat) het hele systeem alsnog overhoop?
En hoe stelt hij zich de procedure en de herbezinning richting een nieuw stelsel voor in het licht van de onlangs aangebrachte en nu nog aan te brengen wijzigingen?
Kan dat nog een open discussie worden of ligt de hoofdsystematiek nu in feite al vast?
Is, na de weinig verheffende vertoning van augustus/september 1994, waarbij de minister bij de bestuursorganen van het hoger onderwijs massieve tegenstand ontmoette voor de toen voorgestelde bezuinigingen, het budgettaire probleem van de minister het enige motief voor dit wetsvoorstel en is de studiefinanciering (c.q studerenden en hun ouders) het laatst overgebleven en gemakkelijk te villen schaap?
De leden van de fractie van GroenLinks vroegen vervolgens wat dit wetsvoorstel eigenlijk oplevert aan feitelijke bezuiniging. Graag een exacte opgave onder aftrek van het oneigenlijke naar achter schuiven van kasgeld (leningen), die over vier jaar alsnog door de minister opgehoest moeten worden. Graag ontvingen deze leden een overzicht van de netto bezuinigingsbedragen voor de periode 1996 tot 2006 uitgesplitst op jaarbasis.
Wat is het motief om bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel het hele werkveld buiten de deur te houden en alle betrokkenen uiteindelijk te confronteren met een voorstel, waar weinig meer aan veranderd kan worden en dat dus een hoog «slikken of stikken»- gehalte heeft?
Verdraagt deze handelwijze zich wel met de door deze minister en paars gepropageerde filosofie van maatschappelijke participatie?
En als er oorspronkelijk sprake was van zes mogelijke varianten, waarom is er dan zo snel en zonder discussie met alle betrokkenen gekozen voor de diploma-variant?
Mag deze Kamer alsnog een vergelijking ontvangen tussen de in beschouwing genomen varianten met een overzicht van de voor- en nadelen per variant, de budgettaire gevolgen per variant en een argumentatie waarom de andere varianten al heel snel terzijde zijn geschoven? De leden van de CDA-fractie sloten zich bij de vier hierboven gestelde vragen aan.
Welke steekhoudende, inhoudelijke argumenten heeft de minister om het advies van de Raad van State (herbezinning noodzakelijk; dit wetsvoorstel nu niet doorzetten) naast zich neer te leggen?
Is het waar dat de minister aanvankelijk bezwaar had tegen het openbaar maken van de adviezen van bureau Berenschot en de IBG?
Zo ja, waarom eigenlijk? Deze minister stelt toch zo prijs op een open gedachtenwisseling op basis van alle voorhanden zijnde informatie? Bovendien kan het parlement en betrokkenen dit soort relevante informatie toch niet worden onthouden?
Welke steekhoudende, inhoudelijke argumenten heeft de minister om de rapportages van Berenschot en IBG als minder relevant naast zich neer te leggen?
Wil de minister de brief van de LSVB van 15 mei 1995 aan de vaste commissie voor Wetenschapsbeleid en Hoger Onderwijs integraal en volledig van commentaar voorzien en alle daarin genoemde kritiekpunten afdoende en beargumenteerd weerleggen?
De aan het woord zijnde leden vroegen voorts of het waar is dat de effecten van de vorige aanscherpingen in de studiefinanciering hebben geleid tot een daling van 12% bij de instroom van studenten?
Is het ook waar dat hiervan 7% verklaard kan worden op grond van demografische ontwikkelingen, zodat 5% beschouwd kan worden als gevolg van de aanscherpingen en daarmee als een lagere toegankelijkheid van het hoger onderwijs? Zo niet, wat zijn dan de juiste percentages?
Is er een prognose te geven over de toegankelijkheidseffecten van het nu voorliggende voorstel? Zo niet, kan dat eigenlijk wel?
Met andere woorden als de effecten onbekend zijn waar durft men dan aan te beginnen?
Heeft de minister toestemming gegeven voor de uitgave van de informatiekrant mei 1995 van de IBG Groningen, met nieuws over de prestatiebeurs?
Als inleidende zin valt te lezen: «of het allemaal ook echt doorgaat, is dus nog onzeker». Is dat geen non-informatie?
Is deze non-informatie inderdaad gebaseerd op het oorspronkelijke wetsvoorstel zonder rekening te houden met de in de Tweede Kamer aangenomen amendementen en moties?
Vindt de minister dat op een zo ingrijpend en gevoelig punt als studiefinanciering voorlichting mag worden verspreid op basis van niet feitelijke informatie?
De verwachting is dat – bij onverhoopte aanvaarding van dit wetsvoorstel – de invoering per 1 september 1995 en de uitvoering naast de al bestaande systemen voor oudere «cohorten» een geweldige janboel zal geven. Leren we dan niets van 1986?
Welk foutenpercentage (wat is fout en hoe fout moet het zijn om bij de minister mee te tellen als ijkpunt voor de door hem afgegeven garantie) en welke hoeveelheid gehonoreerde beroeps- en bezwaarschriften vindt de minister maximaal acceptabel?
Wil hij aangeven aan welke exacte meetpunten hij zijn politieke lot verbindt, zodat het mogelijk is hem daaraan te houden c.q. nu al te beslissen dat de tolerantiegraad van de minister deze Kamer te hoog gaat?
Ligt het risico van gaan studeren zonder dat men weet of de studie zal brengen wat men zich er van voorstelt (juiste studiekeus, haalbaar binnen de termijn, beroepsperspectief daarna) in het nu voorgestelde systeem niet veel te hoog?
Geldt dit niet vooral voor jongeren uit milieus die niet gemakkelijk schulden aangaan op basis van een onzekere toekomst?
En kan een sociaal-democratische minister zo'n schifting wel voor zijn rekening nemen?
Zijn allerlei desastreuze effecten van het laten vallen van drie-voudige kinderbijslag bij studeren aan niet erkende opleidingen of bij studie in het buitenland wel voldoende overdacht? Zo nee, kan dat alsnog gebeuren?
En wat doet de minister dan aan de negatieve effecten?
Is niet een groot nadeel van het nu voorgestelde diploma-systeem dat de student bij het mislukken van zijn of haar studie met een grote studieschuld blijft zitten en dus met een grote achterstand begint aan een loopbaan, die vaak op een veel lager niveau zal liggen dan met een voltooide opleiding het geval geweest zou zijn?
Is bij het leningsysteem degene die aanvankelijk weinig verdient, weinig tot niets aflost, weinig tot geen belastingaftrek wegens bijgetelde rente geniet en zijn studieschuld door rentebijtelling jaarlijks fors ziet toenemen, niet sterk in het nadeel vergeleken met de direct wel goed verdienende afgestudeerde die wel aflost, behoorlijk rentevoordeel heeft en zijn schuld ook niet ziet groeien?
Vindt de minister dit rechtvaardig en verantwoord?
De leden van de GroenLinks-fractie vroegen tot slot of de minister een vergelijkend overzicht kan verschaffen van de studiefinancieringssystemen in alle EEG-landen.
Kan de opzet zo gemaakt worden dat de netto effecten (inkomensniveau tijdens studie, ouderlijke bijdrage, collegegelden, schuldopbouw tijdens studie, aan de studiefinanciering gerelateerde prestatienormen) ook werkelijk vergeleken kunnen worden? De leden van de CDA-fractie sloten zich bij deze vraag aan.
Het lid van de RPF-fractie, mede namens SGP en GPV sprekende, had met gemengde gevoelens kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Hij had moeite met het karakter van de prestatiebeurs en het tijdstip van invoering. Bovendien had dit lid vragen bij de afschaffing van het overgangsrecht AKW 18+ en de gevolgen die dat voor de betreffende gezinnen heeft.
Wat de prestatiebeurs zelf betreft, was het lid van de RPF-fractie van mening dat ze te rigide van karakter is. Dit lid was er van overtuigd dat studenten geprikkeld dienen te worden om vlot te studeren, maar hij was daarbij van oordeel dat studenten reeds in voldoende mate geprikkeld worden door de tempobeurs. Om studenten sneller te laten studeren is de in de loop van de tijd hoger wordende temponorm afdoende en een prestatiebeurs overbodig. Het valt dan ook te vrezen dat de invoering van een prestatiebeurs beter is voor 's Rijks financiën dan voor de student en het klimaat waarin hij studeert. Want met de dreiging van een grote studieschuld zullen studenten steeds minder in staat zijn om zich verder te ontwikkelen dan hun studieprogramma breed is. Het lopen van stages, het verrichten van vormende activiteiten buiten het studieprogramma, het studeren in het buitenland enzovoorts worden bemoeilijkt. Daarnaast vreesde dit lid dat de dreiging van hoge schulden studenten met minder draagkrachtige ouders afschrikt om te gaan studeren. Vanwege onder andere deze aspecten vroeg het lid van de RPF-fractie of de invoering van een prestatiebeurs wenselijk is.
In de tweede plaats vroeg het lid van de RPF-fractie waarom dit voorstel wordt gedaan voordat de discussie over de toekomst van het Hoger Onderwijs en het stelsel van studiefinanciering is afgerond. De discussie wordt nog gevoerd, maar toch wil de minister nu al een prestatiebeurs invoeren, met alle gevolgen voor het klimaat van het Hoger Onderwijs en de financiële situatie van studenten. Procedureel nog eigenaardiger vond het lid van de RPF-fractie het dat er nog geen duidelijkheid bestaat over de studeerbaarheid van de studieprogramma's, maar dat studenten nu al wel worden gedwongen om de programma's binnen de limiet van zes jaar af te ronden. Het zou toch logischer zijn om eerst duidelijkheid te hebben over de inhoud van de programma's en om pas daarna een prestatiebeurs in te voeren. Kan de minister meedelen waarom hij deze procedure gevolgd heeft? En is hij van mening dat dit een zorgvuldige procedure is?
In de derde plaats had het lid van de RPF-fractie vragen bij de afschaffing van het overgangsrecht AKW 18+. Ook na de behandeling van het voorliggende voorstel in de Tweede Kamer zijn er nog veel onduidelijkheden over de gevolgen die afschaffing heeft en in hoeverre er compensatie kan plaatsvinden door middel van fiscale aftrek. Dit lid vroeg de minister daarom de gewenste duidelijkheid te geven. Kan de minister aangeven hoeveel gezinnen netto koopkracht verliezen ten gevolge van het afschaffen van het overgangsrecht AKW 18+? Zo nee, zou de minister bereid zijn daarnaar onderzoek te doen? In dit kader was dit lid bezorgd over de positie van ouders die nu nog recht hebben op drievoudige kinderbijslag en onder het regime van de nieuwe wet slechts op enkelvoudige kinderbijslag. Navraag bij de Sociale Verzekeringsbank leerde dit lid dat ouders die recht hebben op slechts enkelvoudige kinderbijslag geen gebruik kunnen maken van forfaitaire aftrek in verband met studiekosten van hun kinderen. Kan de minister de Kamer informeren over de omvang van het maximale koopkrachtverlies voor de betreffende gezinnen? Temeer is deze regeling schadelijk omdat in zekere zin hier sprake is van «terugwerkende kracht», omdat eerder en op tijd gemaakte plannen weer moeten worden bijgesteld. In hoeverre is de minister bereid om te zoeken naar mogelijkheden voor deze ouders, zodat zij niet onevenredig worden gedupeerd door de afschaffing van het overgangsrecht? Is het denkbaar dat de Wet op de Inkomstenbelasting zodanig wordt gewijzigd dat ook voor deze categorie de genoemde aftrekmogelijkheden ontstaan?
Tot slot wilde het lid van de RPF-fractie meer informatie over de financiële positie van mensen die gebruik zullen kunnen maken van forfaitaire aftrek in verband met studiekosten. Wat is het maximale netto-effect van de buitengewone lastenaftrek, die in plaats komt van de AKW 18+, voor mensen met een uitkering op minimumniveau? En kan de minister aangeven hoeveel van de studerenden, van wie het overgangsrecht AKW 18+ wordt afgeschaft, deel uitmaken van een huishouden, dat moet rondkomen van een minimumuitkering?
Aan het slot van haar voorlopig verslag gekomen merkte de commissie op het op prijs te zullen stellen in de beantwoording van de door de fracties gestelde vragen zo weinig mogelijke verwijzingen naar eerder verstrekte inlichtingen aan de Staten-Generaal aan te treffen. Voorts deelt zij mee van oordeel te zijn dat uit haar opmerkingen en vragen reeds moge blijken dat zij zich uitdrukkelijk het recht voorbehoudt na ontvangst van de memorie van antwoord een (nader voorlopig) verslag uit te brengen.
Samenstelling: Braks (CDA), Kuiper (CDA), Postma (CDA), Kassies (PvdA), Schinck (PvdA), De Savornin Lohman (D66), Mertens (D66), Van Boven (VVD), Ginjaar (VVD) (voorzitter), De Boer (Groen Links), Holdijk (SGP), Schuurman (RPF), Veling (GPV).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19941995-24094-261a.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.