Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal1994-199523983 nr. 242b

23 983
Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en andere wetten in verband met de afschaffing van de verplichtingen om advies te vragen over algemene beleidsvoornemens van de rijksoverheid, waaronder regelgeving, en het stellen van een dwingende termijn aan advisering (afschaffing adviesverplichtingen)

nr. 242b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 19 mei 1995

Met het oog op een spoedige afhandeling van het wetsvoorstel waarderen wij het zeer dat het voorlopig verslag zo snel kon worden uitgebracht. Vanzelfsprekend zullen wij in deze memorie nog graag de van de zijde van de Kamer gestelde vragen beantwoorden.

De vraag van de leden van de SGP-fractie welke argumenten zich er tegen verzetten, het voorliggende wetsvoorstel gelijktijdig in werking te laten treden met de Herzieningswet adviesstelsel, de Kaderwet adviescolleges en de wetgeving, waarmee de nieuwe adviescolleges zullen worden gerealiseerd, willen wij graag beantwoorden in samenhang met hetgeen daaromtrent in de Tweede Kamer aan de orde is geweest. Bij die gelegenheid is uiteengezet dat het nu aan de orde zijnde wetsvoorstel een eigen geschiedenis en vooral ook een eigen betekenis heeft. Het voorstel is gericht op flexibilisering en versnelling van het besluitvormingsproces. Met het oog op deze doelstelling zal de afschaffing van de adviesverplichtingen reeds direct haar praktisch nut kunnen bewijzen.

Daarnaast kan de afschaffing van de adviesverplichtingen er toe leiden dat zowel regering als adviesorganen zich meer bewust worden van de waarde van advisering als zodanig. In die zin vormt het wetsvoorstel een goede opmaat ten behoeve de algehele herziening van het adviesstelsel. Wij achten het ook om die reden wenselijk dat het wetsvoorstel reeds op korte termijn in werking treedt. Voor het overige willen wij graag verwijzen naar hetgeen is gesteld bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer, alsmede naar de brieven van de tweede ondergetekende aan de Tweede Kamer met betrekking tot de algehele herziening van het adviesstelsel (Kamerstukken II 23 725, nrs. 1 en 5).

Ook de vraag van de leden van de SGP-fractie met betrekking tot de bevordering van het tijdig gebruiken van de adviesbevoegdheid door adviesorganen, moet worden bezien in samenhang met de algehele herziening van het adviesstelsel. In algemene zin heeft de regering zich voorgenomen meer dan voorheen bewust om te gaan met externe advisering. Te zijner tijd zal in beginsel sprake zijn van programmering van de adviesarbeid en het formuleren van gerichte adviesaanvragen. Vanzelfsprekend zal bedoelde programmering geen gestalte krijgen buiten de adviesorganen om. In het voorontwerp Kaderwet adviescolleges is het initiatief voor het adviesprogramma zelfs in handen gelaten van de adviesorganen zelf. Het ligt in de rede dat adviesorganen zich bij het formuleren van hun voornemens laten leiden door hetgeen aan beleidsvoornemens van de zijde van de regering is of wordt openbaar gemaakt, zoals in de memorie van toelichting bij de jaarlijkse begrotingshoofdstukken en de daarbij gevoegde bijlagen. Voorts zal er sprake zijn van overleg tussen de betrokken vakminister en het adviesorgaan alvorens het adviesprogramma definitie wordt vastgesteld. De hier geschetste procedure zal adviesorganen in staat stellen tijdig van hun adviesbevoegdheid gebruik te maken.

De argumenten die wij tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer tegen het amendement-De Vries hebben aangevoerd, hebben in de nieuwe situatie hun betekenis niet verloren. Ook nu de algemene adviesverplichting in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie is geschrapt, zal de SER – dit in het licht van het overleg dat in juni 1993 met de sociale partners is gevoerd – in beginsel om advies gevraagd blijven worden over belangrijke maatregelen die betrekking hebben op de hoofdlijnen van het sociaal-economische beleid. Het kabinet beraadt zich thans nog over de werkwijze om aan de adviesbevoegdheid een nadere invulling te geven. In dat kader zal ook worden bezien of in goed overleg met de SER tot concrete werkafspraken (denk aan jaarprogrammering) kan worden gekomen.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,

J. Kohnstamm