23 306
Wijziging van de Wet economische mededinging (vergroting van de effectiviteit)

nr. 81a
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 januari 1995

In het debat van 1 november 1994 over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet economische mededinging is door de heer Mertens de volgende vraag gesteld: «Is er lering te trekken uit het feit dat er in het Verenigd Koninkrijk al wat langer twee aanbieders zijn voor standaard telecommunicatie, namelijk British Telecom en Mercury? Worden de eerder genoemde gevaren van een duopolie door de ervaringen daar onderstreept?».

Naar aanleiding van deze vraag bericht ik u het volgende.

Inderdaad heeft de Engelse overheid begin jaren tachtig aan Mercury toegestaan om, in concurrentie met British Telecom (BT), een telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen en te exploiteren. Deze liberalisatie, alsmede de latere verdergaande liberalisatie van de Engelse telecomsector, hebben aanleiding gegeven tot de instelling van een nauwkeurig concurrentietoezicht op deze markt door het gespecialiseerde toezichtorgaan Oftel. De ervaring heeft geleerd dat dit toezicht vooral is toegespitst op het gedrag van de voormalig monopolist BT. In een recent rapport van Oftel1 wordt gesteld dat ondanks de sterke toename van concurrentie, de telecommarkt in zijn geheel genomen nog steeds niet voldoende concurrentieel is. BT drukt nog steeds een zwaar stempel op de markt, en het blijkt dan ook dat de vele mededingingsvragen die op dit moment spelen vooral te maken hebben met de gevolgen van de positie en het gedrag van BT voor de andere marktdeelnemers (bijvoorbeeld: welke repercussies heeft de tariefstelling van BT voor de positie van haar concurrenten). Het toezicht dat Oftel uitoefent is gebaseerd op zowel specifieke regels, met name vastgelegd in concessievoorwaarden voor BT, als op het algemene mededingingsrecht (de «Competition Act 1980»). Volgens sommige concurrenten van BT is Oftel niet altijd in staat gebleken om effectief op te treden tegen anticoncurrentieel gedrag van BT. Oftel onderzoekt daarom thans in hoeverre de voorschriften waaraan BT is onderworpen, aanpassing behoeven.

Uit het voorgaande blijkt mijns inziens dat de lering die wij uit de Engelse ervaring met een duopolie voor telecommunicatie-infrastructuur kunnen trekken is, dat bij de opheffing van een wettelijk monopolie bedacht moet worden dat een voormalig monopolist nog geruime tijd een marktdominante positie kan innemen zodat er goed op gelet moet worden dat van die positie geen misbruik wordt gemaakt. Anderzijds heeft de Engelse ervaring niet uitgewezen dat de nieuwe toetreder of toetreders snel zullen overgaan tot het maken van mededingingsbeperkende afspraken met de voormalige monopolist.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers


XNoot
1

«A framework for effective competition», Oftel, december 1994.

Naar boven