nr. 159a
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 24 maart 1995
Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel door Uw Kamer op
7 februari 1995 heb ik voor nader beraad aanhouding van de behandeling gevraagd.
De beraadslaging is daarop geschorst. Ik verzoek U thans de behandeling nog
enige tijd aan te houden. Onlangs heb ik besloten tot de instelling van een
commissie van deskundigen uit wetenschap en rechtspraktijk op het terrein
van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze commissie zal in een vroeg
stadium betrokken worden bij de voorbereiding van wetsvoorstellen en van voorstellen
voor Europese en andere internationale maatregelen op dit terrein. De commissie
zal voorts op verzoek of eigener beweging over andere onderwerpen van het
auteursrecht en de naburige rechten advies kunnen uitbrengen. De beschikking
tot instelling van deze commissie auteursrecht voeg ik bij.
Ik stel mij voor om eerst het advies van de commissie in te winnen alvorens
een beslissing te nemen over het lot van het wetsvoorstel. Ik bericht U zo
spoedig mogelijk nader.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Minister van Justitie,
Overwegende dat het wenselijk is een commissie in te stellen om advies
uit te brengen op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten;
Besluit
INSTELLING EN TAAK
Artikel 1
1. Er is een commissie auteursrecht die tot taak heeft de Minister van
Justitie desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren op het terrein van
het auteursrecht en de naburige rechten.
2. Van het voornemen om uit eigen beweging advies uit te brengen stelt
de commissie de Minister van Justitie vooraf in kennis teneinde de raming
van de minister dienaangaande te vernemen.
Artikel 2
De commissie wordt ingesteld voor een periode van vier jaar.
SAMENSTELLING
Artikel 3
1. De commissie telt ten hoogste negen gewone leden, waaronder de voorzitter,
alsmede een adviserend lid en een secretaris. De minister kan één
of meer adjunct-secretarissen aan de commissie toevoegen.
2. De voorzitter en de overige gewone leden van de commissie worden benoemd
op grond van hun deskundigheid.
Artikel 4
In de commissie worden benoemd:
a. tot lid en voorzitter van de commissie:
Prof. Mr. D. W. F. Verkade te Leiden;
b. tot leden van de commissie:
Prof. Mr. J. J. Brinkhof te Amsterdam;
Prof. Mr. H. Cohen Jehoram te Amsterdam;
Prof. Mr. E. J. Dommering te 's-Gravenhage;
Prof. Mr. F. W. Grosheide te Utrecht;
Prof. Mr. K. J. M. Mortelmans te Utrecht;
Prof. Mr. J. H. Spoor te Amsterdam;
c. tot adviserend lid van de commissie:
Mr. E. Lukács, werkzaam bij het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage;
d. tot secretaris van de commissie:
Mr. M. Tj. Bouwes, werkzaam bij het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage.
WERKWIJZE
Artikel 5
1. De commissie kan zich wenden tot openbare en particuliere diensten
en instellingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft.
2. De commissie kan voorts met toestemming van de Minister van Justitie
studie-opdrachten verlenen aan derden.
3. De commissie is bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de beraadslagingen
in de commissie deel te nemen.
SLOTBEPALINGEN
Artikel 6
De kosten voortvloeiende uit de werkzaamheden van de commissie komen ten
laste van de begroting van het Ministerie van Justitie.
Artikel 7
Dit besluit wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.
's-Gravenhage, 20 maart 1995
De Minister voornoemd,
W. Sorgdrager