22 600
Wijziging van de Auteurswet 1912 inzake het reprografisch verveelvoudigen van geschriften

nr. 159a
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 24 maart 1995

Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel door Uw Kamer op 7 februari 1995 heb ik voor nader beraad aanhouding van de behandeling gevraagd. De beraadslaging is daarop geschorst. Ik verzoek U thans de behandeling nog enige tijd aan te houden. Onlangs heb ik besloten tot de instelling van een commissie van deskundigen uit wetenschap en rechtspraktijk op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze commissie zal in een vroeg stadium betrokken worden bij de voorbereiding van wetsvoorstellen en van voorstellen voor Europese en andere internationale maatregelen op dit terrein. De commissie zal voorts op verzoek of eigener beweging over andere onderwerpen van het auteursrecht en de naburige rechten advies kunnen uitbrengen. De beschikking tot instelling van deze commissie auteursrecht voeg ik bij.

Ik stel mij voor om eerst het advies van de commissie in te winnen alvorens een beslissing te nemen over het lot van het wetsvoorstel. Ik bericht U zo spoedig mogelijk nader.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

De Minister van Justitie,

Overwegende dat het wenselijk is een commissie in te stellen om advies uit te brengen op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten;

Besluit

INSTELLING EN TAAK

Artikel 1

1. Er is een commissie auteursrecht die tot taak heeft de Minister van Justitie desgevraagd of uit eigen beweging te adviseren op het terrein van het auteursrecht en de naburige rechten.

2. Van het voornemen om uit eigen beweging advies uit te brengen stelt de commissie de Minister van Justitie vooraf in kennis teneinde de raming van de minister dienaangaande te vernemen.

Artikel 2

De commissie wordt ingesteld voor een periode van vier jaar.

SAMENSTELLING

Artikel 3

1. De commissie telt ten hoogste negen gewone leden, waaronder de voorzitter, alsmede een adviserend lid en een secretaris. De minister kan één of meer adjunct-secretarissen aan de commissie toevoegen.

2. De voorzitter en de overige gewone leden van de commissie worden benoemd op grond van hun deskundigheid.

Artikel 4

In de commissie worden benoemd:

a. tot lid en voorzitter van de commissie:

Prof. Mr. D. W. F. Verkade te Leiden;

b. tot leden van de commissie:

Prof. Mr. J. J. Brinkhof te Amsterdam;

Prof. Mr. H. Cohen Jehoram te Amsterdam;

Prof. Mr. E. J. Dommering te 's-Gravenhage;

Prof. Mr. F. W. Grosheide te Utrecht;

Prof. Mr. K. J. M. Mortelmans te Utrecht;

Prof. Mr. J. H. Spoor te Amsterdam;

c. tot adviserend lid van de commissie:

Mr. E. Lukács, werkzaam bij het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage;

d. tot secretaris van de commissie:

Mr. M. Tj. Bouwes, werkzaam bij het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage.

WERKWIJZE

Artikel 5

1. De commissie kan zich wenden tot openbare en particuliere diensten en instellingen voor het verkrijgen van de inlichtingen die zij behoeft.

2. De commissie kan voorts met toestemming van de Minister van Justitie studie-opdrachten verlenen aan derden.

3. De commissie is bevoegd deskundigen uit te nodigen om aan de beraadslagingen in de commissie deel te nemen.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 6

De kosten voortvloeiende uit de werkzaamheden van de commissie komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie.

Artikel 7

Dit besluit wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

's-Gravenhage, 20 maart 1995

De Minister voornoemd,

W. Sorgdrager

Naar boven