nr. 339
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 september 1995
Tijdens de behandeling van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
(Wet GBA) in de Eerste Kamer heeft de geachte afgevaardigde mevrouw Mastik-Sonneveldt
mijn ambtsvoorganger verzocht om nadere antwoorden op de door haar gestelde
vragen met betrekking tot geheimhouding van ad-hoc bevragingen en op de persoonslijsten
geplaatste afnemersindicaties (Handelingen I 1993/94, blz. 1830–1834).
Geheimhouding verstrekkingen
Artikel 103 van de Wet GBA regelt de verplichting voor de gemeentebesturen
om aan betrokkene, op diens verzoek, schriftelijk binnen vier weken mededeling
te doen of gegevens over betrokkene het afgelopen jaar uit de basisadministratie
zijn verstrekt aan een afnemer of aan een derde (de zogenaamde protocolgegevens).
Het 3e lid van dat artikel beperkt echter die verplichting, in dier voege,
dat het gemeentebestuur niet aan het betreffende verzoek voldoet, voor zover
dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat en de opsporing
en vervolging van strafbare feiten.
Overeenkomstig artikel 11 van het Besluit gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens stelt de Minister van Binnenlandse Zaken de systeembeschrijving
GBA vast (het Logisch-Ontwerp GBA). Dat besluit is in werking getreden op
1 oktober 1994. Daarin zijn regels gesteld omtrent de technische en administratieve
inrichting en werking en de beveiliging van de gemeentelijke basisadministraties.
Zo is in de systeembeschrijving bepaald dat protocolgegevens niet verstrekt
mogen worden indien deze betrekking hebben op gegevensverstrekkingen in het
belang van de veiligheid van de Staat of opsporing van strafbare feiten. Teneinde
te bewerkstelligen dat deze verstrekkingen daadwerkelijk geheim zullen worden
gehouden, maken de betreffende afnemers gebruik van afzonderlijk daartoe opgestelde
autorisatietabelregels in de gemeentelijke systemen. Gemeentebesturen zijn
op grond van het gestelde in artikel 6, 2e lid van de Wet GBA
gehouden aan de bepalingen in de systeembeschrijving uitvoering te geven en
derhalve ook zorg te dragen voor een juiste en tijdige opname van de betreffende
tabelregels in hun GBA-systemen.
Op deze wijze is geheimhouding van de hier bedoelde verstrekkingen zowel
juridisch als technisch in het GBA-stelsel gewaarborgd.
Geheimhouding indicaties
Artikel 79 van de Wet GBA bepaalt dat het gemeentebestuur aan een ieder
op diens verzoek schriftelijk binnen een maand meedeelt of hem betreffende
gegevens in de basisadministratie zijn opgenomen. Vervolgens bepaalt het 2e
en 3e lid van dat artikel dat het gemeentebestuur iemand binnen een maand
kosteloos inzage in de hem betreffende gegevens verleent dan wel dat, desgevraagd,
een gewaarmerkt afschrift van hem betreffende gegevens wordt verstrekt. Artikel
79 regelt derhalve het zgn. inzagerecht. Artikel 79 kent geen beperkingen
op dit inzagerecht.
Daardoor kan de burger ook inzage verkrijgen in de zgn. afnemersindicaties.
Dat zijn aantekeningen op de persoonslijst op basis waarvan aan betreffende
afnemers spontaan mutaties van de geregistreerde kunnen worden verstrekt.
Indien derhalve een afnemer die is belast met de opsporing en vervolging van
strafbare feiten een afnemersindicatie bij de betrokken geregistreerde plaatst,
kan die geregistreerde door gebruik te maken van het inzagerecht bekend worden
met het feit dat de betrokken afnemer in hem/haar geïnteresseerd is.
De afnemers die zijn belast met de veiligheid van de staat of de opsporing
en vervolging van strafbare feiten hebben aanvankelijk aangegeven dat zij
geen gebruik wensten te maken van afnemersindicaties, maar dat zij slechts
op ad-hoc basis de GBA zouden bevragen. Op basis van deze informatiebehoefte
is derhalve geen beperking op het inzagerecht opgenomen in de Wet GBA en was
deze ook niet nodig.
Tijdens de voorbereiding op de toetreding tot de GBA hebben de politiekorpsen
evenwel geconcludeerd dat het plaatsen van afnemersindicaties van groot belang
is voor een effectieve en doelmatige gegevensverstrekking. Vanwege het strikt
vertrouwelijke karakter in bepaalde gevallen is tevens verzocht om een beperking
op het inzagerecht aan te brengen en de Wet GBA op dit punt te wijzigen.
Teneinde een volledig beeld te verkrijgen, zijn alle organisaties die
belast zijn met de veiligheid van de staat of de opsporing en vervolging van
strafbare feiten benaderd met de vraag of deze organisaties eveneens behoefte
hebben aan wijziging van deze functionaliteit in de GBA. Uit de inventarisatie
bleken de politiekorpsen en de KLPD hieraan behoefte te hebben.
Deze procedure heeft enige tijd genomen en verklaart waarom de beantwoording
van de vragen van mw. Mastik-Sonneveldt extra tijd heeft gevraagd.
Uiteraard erken ik de wens van de politie om in het kader van opsporing
en vervolging van strafbare feiten afnemersindicaties te kunnen plaatsen bij
personen. Ik heb er begrip voor dat de politie eveneens wenst dat de betrokken
personen door het uitoefenen van het inzagerecht niet in kennis worden gesteld
van het feit dat de politie belang in hem/haar stelt. Ik ben dan ook bereid
een wijziging van de Wet GBA op dit punt voor te bereiden.
Tegelijkertijd zal de betreffende wetswijziging ook technisch moeten worden
ondersteund door een wijziging van de systeembeschrijving (het Logisch-Ontwerp)
GBA. Voor wijzigingen van de systeembeschrijving zijn in overleg met de Voorloper
van het Bestuur van de GBA-beheersorganisatie procedures vastgesteld. Bovendien
zijn in de Wet GBA (artikel 6, derde lid) en in het Besluit GBA (artikel 43)
bepalingen opgenomen inzake de kostenverdeling van Logisch Ontwerp-wijzigingen.
Momenteel is een wijziging van het Logisch Ontwerp in voorbereiding. Daarin
is een groot aantal Logisch Ontwerp-wijzigingen bijeengebracht. Concreet houdt
dit in dat overeenkomstig de procedure voor Logisch Ontwerp-wijzigingen dit
najaar inzicht zal bestaan in met name de financiële consequenties van
deze en andere gewenste Logisch Ontwerpwijzigingen. In goed overleg met alle
betrokken partijen zal vervolgens het geheel van wijzigingsvoorstellen, inclusief
de wijze waarop de kostenverdeling zal plaatsvinden, worden voorbereid en
aan mij ter besluitvorming worden voorgelegd.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
J. Kohnstamm