nr. 238
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 1995
Bij de behandeling in derde termijn van het voorstel van wet tot wijziging
van de artikelen 250, 250bis en 250ter van het Wetboek van Strafrecht op 7
december 1993 heeft mijn toenmalige ambtsvoorganger Hirsch Ballin toegezegd
om ingeval van aanneming van de motie Van Veldhuizen c.s. de Kamer te berichten
over de ervaringen en de inzichten ten aanzien 1. de bepalingen inzake de
rijkswerkinrichtingen c.a. en 2. de mogelijkheden voor gemeentelijke regulering
bij handhaving van het bordeelverbod dan wel de zich daarbij manifesterende
behoefte aan wijziging van artikel 250bis Sr. en 3. de behoefte om naast de
verscherpte strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 250ter Sr. te komen
tot aangescherpte strafbepalingen ten aanzien van gedwongen exploitatie van
prostitutie (Handelingen Eerste Kamer, 7 december 1993, EK 12-524, rechter
kolom).
Naar aanleiding van deze toezegging kan ik u ten aanzien van deze drie
punten het volgende meedelen.
1. Rijkswerkinrichting
De thans nog bestaande bijkomende straf van plaatsing in een rijkswerkinrichting
wordt niet (meer) toegepast. Dit houdt verband met de beperkte groep van delikten
waarvoor deze kan worden opgelegd en de veelal als onevenredig ervaren duur
van de straf, namelijk ten minste drie maanden tot drie jaar. Wel bestaat
de behoefte aan penitentiaire maatregelen die met name zijn gericht op voorbereiding
op de arbeid en het opdoen van arbeidservaring. Ik wijs op het enige tijd
geleden gestarte experiment met de jeugdwerkinrichting, waarover de toenmalige
staatssecretaris van Justitie Kosto en mijn reeds genoemde ambtsvoorganger
de Voorzitter van de Tweede Kamer informeerden bij brief van 15 november 1993.
In de in het – binnenkort in te dienen – voorstel voor een Penitentiaire
beginselenwet, die de Beginselenwet gevangeniswezen zal vervangen, wordt hiertoe
maar ook met het oog op een mogelijke behandeling van drugverslaafden het
«penitentiar programma» voorgesteld. Dit maakt deelname aan een
samenstel van activiteiten mogelijk in het kader van de tenuitvoerlegging
van vrijheidsbeneming, maar buiten de penitentiaire inrichtingen. Bij onvoldoende
inzet van deelnemers aan een dergelijk programma volgt terugplaatsing naar
een inrichting.
Gelet op de toekomstige mogelijkheden van het penitentiair programma enerzijds
en het gegeven dat de bijkomende straf van plaatsing in een rijkswerkinrichting
zich geen bestaansrecht heeft verworven zal worden voorgesteld gelijktijdig
met de invoering van de Penitentiaire beginselenwet deze bijkomende straf
uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen.
Ik meen dat aan een afzonderlijke strafbaarstelling in artikel 432 Sr.
van bedelarij, landloperij en souteneurschap geen behoefte meer bestaat. Tegen
bedelarij of landloperij die de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren,
zal zo nodig kunnen worden opgetreden op basis van gemeentelijke regelgeving.
Afzonderlijke strafbaarstelling van souteneurschap kan vervallen, indien verzekerd
is dat tegen ongewenste vormen van souteneurschap op andere wijze effectief
kan worden opgetreden (zie nader onder 2.).
2. Opheffing bordeelverbod, strafbaarstelling van ongewenste
vormen van exploitatie van prostitutie en gemeentelijke regulering van exploitatie
van prostitutie
De wenselijkheid van de aanwezigheid van een op het bordeelwezen gericht
gemeentelijk beleid was en is bij een grote meerderheid van de beide Kamers
niet omstreden. Het heeft verre de voorkeur dat gemeenten in de gelegenheid
zijn om door middel van een vergunningenbeleid ten aanzien van de exploitatie
van prostitutie sturend op te treden. De gemeenten die te maken hebben met
het verschijnsel prostitutie en die thans een prostitutiebeleid moeten voeren
binnen de grenzen van het bordeelverbod, hebben dringend behoefte aan een
wettelijke grondslag voor regulering en sturing van het bordeelwezen.
Tegen de door mijn voornoemde ambtsvoorganger gekozen vormgeving voor
een wettelijke grondslag, neergelegd in de tweede nota van wijziging inzake
het voorstel van wet tot wijziging van de artikelen 250, 250bis en 250ter
Sr. (Kamerstukken II, 1991–1992, 21 027, nr. 10), bestonden bij
een meerderheid van uw Kamer overwegende bezwaren. Aangezien mijn ambtsvoorganger
het in wetsvoorstel 21 027 voorgestelde nieuwe artikel 250bis Sr. –
hetwelk in de plaats kwam van het reeds in wetsvoorstel 18 202 voorgestelde
artikel 250bis Sr. – niet voor zijn verantwoording kon nemen zonder
de door hem voorgestelde aanvullingen, heeft hij zich genoodzaakt gezien wetsvoorstel
18 202 in te trekken. Door deze intrekking kwam de basis voor een nieuw
artikel 250bis Sr. te ontvallen en bleef het absolute bordeelverbod in het
Wetboek van Strafrecht gehandhaafd.
Ik ben van oordeel dat de situatie die daardoor is ontstaan, geen blijvende
kan zijn. Reglering van de exploitatie van prostitutie op een wettelijke grondslag –
d.w.z. het voeren van een gemeentelijk vergunningenbeleid – is te verkiezen
boven het voeren van een gedoogbeleid binnen de marges van een absoluut bordeelverbod
dat strafrechtelijk niet wordt gehandhaafd. Ik ben voorts van mening dat de
wijzigingen die mijn ambtsvoorganger destijds in de tweede nota van wijziging
inzake wetsvoorstel 21 027 heeft voorgesteld, niet nodig zijn ter verzekering
van een effectief optreden tegen exploitatie van prostitutie die de belangen
van de openbare orde en de volksgezondheid schaadt, overlast bezorgt of het
woon- en leefklimaat aantast dan wel tegen exploitatie van illegale prostitu(é)e's.
Ik ben daarom voornemens om de totstandkoming van een wijziging van artikel
250bis Sr. te bevorderen, gericht op strafbaarstelling van het voordeel trekken
uit prostitutie door een ander onder dwang dan wel uit prostitutie,
gepleegd door een minderjarige (vgl. het in wetsvoorstel 21 027 voorgestelde
artikel 250bis, eerste en tweede lid, zoals dat luidde vóór
de genoemde tweede nota van wijziging). Door dit nieuwe artikel 250bis Sr.
zal het souteneurschap, als zodanig strafbaar gesteld in artikel 432, onderdeel
3°, Sr. kunnen vervallen.
3. Aanscherping
Er zal als gezegd door mij een voorstel van wet tot wijziging van artikel
250bis Sr. in procedure worden gebracht. Daarin zal worden voorgesteld om
strafbaar te stellen vormen van exploitatie van prostitutie waarbij geweld,
misbruik van overwicht, misleiding dan wel minderjarigen zijn betrokken. De
strafmaxima zullen hoger zijn dan die in het huidige artikel 250bis Sr. Tezamen
met artikel 250ter Sr. inzake mensenhandel is dan krachtig strafrechtelijk
optreden mogelijk tegen deze vormen van prostitutie.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager