19 326
Akkoord tussen de Regeringen van de Benelux, de Bondsrepubliek Duitsland en Frankrijk betreffende geleidelijke afschaffing van grenscontroles, Schengen 14 juni 1985

nr. 111g
nr. 226
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 6 mei 1999

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 7 mei 1999.

De wens dat de ontwerpbesluiten uitdrukkelijke instemming behoeven kan door of namens één van beide Kamers te kennen worden gegeven uiterlijk op 22 mei 1999.

Hierbij doe ik u, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, twee ontwerpbesluiten met betrekking tot de opname van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie toekomen. Beide besluiten behoeven de instemming van uw Kamer op basis van artikel 5 van de Goedkeuringswet bij het Verdrag van Amsterdam.

Het eerste besluit, vervat in document 5619/5/99 SCHENGEN 6 REV 51, betreft de vaststelling van het Schengen-acquis. Dit besluit zal door de Raad in samenstelling van de dertien Schengen-staten genomen worden. Aan het besluit zijn twee annexen toegevoegd. Annex A bevat een actueel overzicht van het totale Schengen-acquis. Annex B bevat een overzicht van bepalingen en besluiten uit het Schengen-acquis waar geen rechtsgrondslag voor hoeft te worden vastgesteld. Over de afwegingen die hieraan ten grondslag liggen heb ik u geïnformeerd in mijn brief d.d. 19 februari 1999.

Als bijlage bij deze brief treft u kopie aan van alle in bijlage A van dit besluit genoemde besluiten van het Uitvoerend Comité, die u in het verleden reeds zijn toegegaan als bijlage bij de geannoteerde agenda's van het Uitvoerend Comité van Schengen1. Daarbij treft u eveneens in de bijlage bij deze brief de besluiten van de Centrale Groep van Schengen aan, waarvan gemeend is dat deze opgenomen dienen te worden in het Schengen-acquis zoals dat wordt overgedragen aan de Europese Unie1. Het betreft hier de volgende besluiten:

– SCH/C (95) 122 rev 4, SCH/C (95) 122 rev 5 hebben betrekking op het administratief en financieel reglement van het SIRENE netwerk fase II. Deze besluiten zijn eveneens opgenomen in deel 3 van bijlage B, met andere woorden: er zal voor deze besluiten geen rechtsgrondslag worden vastgesteld. In plaats van deze besluiten treedt het Raadsbesluit dat u als bijlage bij mijn brief van 21 april reeds is toegegaan;

– SCH/C (96) 42 heeft betrekking op een aanpassing van de tabel betreffende de vertegenwoordiging inzake afgifte van Schengen-visa in derde staten waar niet alle Schengen-staten vertegenwoordigd zijn. Ook dit besluit wordt opgenomen in deel 3 van bijlage B (een daartoe strekkend corrigendum zal aan document SCHENGEN 6 REV 5 worden toegevoegd);

– SCH/C (98) 117 betreft de inwerkingstelling van het door het UC goedgekeurde (Com-ex (98) 37 def 2) actieplan houdende maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie;

– SCH/C (99) 25 dient in samenhang met Com-ex (99) 8 rev 2 gezien te worden, en betreft de kennisname van de Centrale Groep van een document met algemene beginselen voor de betaling van informanten en vertrouwenspersonen;

– SCH/C (99) 47 herz. betreft de kwijting voor de begroting van 1998. Ook dit besluit is in deel 3 van bijlage B opgenomen.

Het tweede besluit, vastgelegd in document 6816/9/99 SCHENGEN 11 REV 91, geeft de rechtsgrondslag aan voor de besluiten en bepalingen uit het Schengen-acquis waarvan in het eerder genoemde besluit niet is bepaald dat zij geen rechtsgrondslag behoeven. Zoals in de geannoteerde agenda voor de Algemene Raad van 26 april 1999 reeds werd aangegeven, zijn de bepalingen met betrekking tot het Schengen Informatie Systeem door het ontbreken van unanimiteit in dit besluit P.M. opgenomen. Hierdoor worden zij geacht te zijn gebaseerd op titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Bij aanvaarding van dit besluit zal Nederland, mogelijk gezamenlijk met andere lidstaten, een verklaring langs de volgende lijnen afleggen:

«Nederland is van oordeel dat bepalingen van Titel IV EG als rechtsgrondslag dienen te worden vastgesteld voor een aantal van de besluiten en bepalingen uit het Schengen-acquis met betrekking tot het Schengen Informatie Systeem, aangezien deze betrekking hebben op vreemdelingrechtelijke aspecten van het vrij personenverkeer.»

Op de Algemene Raad van 26 april 1999 is een politiek akkoord bereikt waarmee de Spaanse problematiek ten aanzien van de positie van Gibraltar kon worden opgelost. Artikel 7 en de daarbij behorende overwegingen (12 en 13) in het onderhavige besluit vormen daar de weerslag van. Tijdens de vergadering van Permanente Vertegenwoordigers op 5 mei jl. bleek dat de Spaanse delegatie alsnog bezwaar maakte tegen de tekst van overwegingen 12 en 13. De verwachting is dat deze problemen op de vergadering van Permanente Vertegenwoordigers van 11 mei opgelost zullen zijn.

Aangezien het hier een met name Spaans probleem betreft dat geen betrekking heeft op de vaststelling en toedeling van het Schengen-acquis, heb ik gemeend er goed aan te doen u dit besluit nu reeds toe te zenden zodat, afhankelijk van de instemming van uw Kamer, uiterlijk 18 mei aanstaande besluitvorming in Raadskader mogelijk zal zijn. Op 18 mei is de eerste ministeriële bijeenkomst met Noorwegen en IJsland gepland, waarbij wordt voorzien in de ondertekening van het samenwerkingsakkoord dat de Raad met deze twee landen op basis van artikel 6(1) van het Schengenprotocol dient af te sluiten. De lijst van het Schengen-acquis als vervat in document SCHENGEN 11 REV 9 maakt integraal onderdeel uit van dit akkoord, en dient derhalve voorafgaand aan ondertekening door de Raad te worden vastgesteld.

De vaststelling van rechtsgrondslag aan het Schengen-acquis is met name van belang voor de Hofbevoegdheid ten aanzien van dit acquis, en de wijze waarop in het kader van de Europese Unie wordt voortgebouwd op dit acquis.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen oefent ten aanzien van het Schengen-acquis de bevoegdheden uit die het bij de desbetreffende toepasselijke bepalingen van de Verdragen zijn verleend. Ten aanzien van het Schengen-acquis waarvoor rechtsgrondslag in Titel IV EG is vastgesteld is de Hofbevoegdheid omschreven in artikel 68 EG. Voor het Schengen-acquis dat in Titel VI VEU is ondergebracht is de Hofbevoegdheid vastgelegd in artikel 35 VEU.

Het Europees Parlement zal voor een overgangsperiode van vijf jaar worden geraadpleegd indien wordt voortgebouwd op het Schengen-acquis dat is ondergebracht in Titel IV EG. Na deze overgangsperiode neemt de Raad een besluit teneinde de medebeslissingsprocedure (art. 251 EG) op de gebieden die onder titel IV EG vallen van toepassing te laten zijn. Maatregelen die gebaseerd zijn op artikel 62, punt 2, onder ii en iv, worden na een periode van vijf jaar na inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam ook zonder een daartoe strekkend Raadsbesluit genomen volgens de procedure van artikel 251 EG (medebeslissingsrecht EP).

Indien voortgebouwd wordt op het Schengen-acquis dat is ondergebracht in Titel VI VEU wordt het Europees Parlement geraadpleegd als dit geschiedt middels een kaderbesluit, besluit of overeenkomst.

De Europese Commissie heeft voor een overgangsperiode van vijf jaar mede-initiatiefrecht voor wat betreft het voortbouwen op het Schengen-acquis in het kader van titel IV EG. Na deze overgangsperiode zal de Europese Commissie exclusief initiatiefrecht hebben. In titel VI VEU heeft de Commissie mede-initiatiefrecht.

Ik wil u, om redenen die ik hierboven uiteen heb gezet, verzoeken om uiterlijk 18 mei aanstaande te laten weten of uw Kamer kan instemmen met de beide ontwerp-besluiten.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

D. A. Benschop


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven