nr. 111b
nr. 219
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 9 april 1999
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 12 april 1999.
De wens dat de ontwerp-besluiten uitdrukkelijke instemming behoeven kan
door of namens één van beide Kamers te kennen worden gegeven
op uiterlijk op 26 april 1999.
Het Schengen Uitvoerend Comité (UC) zal op 28 april a.s. voor de
laatste maal bijeen komen te Luxemburg. Aangezien deze datum zeer dicht op
de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam ligt, heeft het
Voorzitterschap de lidstaten verzocht bijgaand ontwerp-besluit (SCH/Com-ex
(99) 9) alvast via de schriftelijke procedure goed te keuren1. In navolging van het verzoek van het Voorzitterschap verzoek ik U,
mede namens de Staatssecretaris van Justitie, mij z.s.m. te berichten of Uw
Kamer met dit ontwerp-besluit kan instemmen.
Het ontwerp-besluit heeft betrekking op de opheffing van na inwerkingtreding
van het Verdrag van Amsterdam niet langer relevante besluiten en verklaringen
van het UC en de Centrale Groep (CG).
Met het oog op de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam per 1
mei a.s. heeft de EU-werkgroep Schengen-acquis gevraagd of de Schengen-werkgroep
Verdragen en Regelingen de lijst van Besluiten en Verklaringen kan toetsen
op relevantie op basis van de criteria zoals die in EU-kader zijn opgesteld.
Over deze criteria werd U in mijn brief van 19 februari jl. geïnformeerd.
De toetsing door de Werkgroep Verdragen en Regelingen heeft geleid tot
bijgevoegde lijst van besluiten en verklaringen die met de inwerkingtreding
van het Verdrag van Amsterdam kunnen worden opgeheven. Het bijgaande ontwerp-besluit
heeft effect vanaf de dag waarop het Verdrag van Amsterdam in werking treedt.
De opheffing van de in het ontwerp-besluit vermelde verklaringen en besluiten
heeft niet tot gevolg dat deze verklaringen en besluiten met terugwerkende
kracht vervallen of met terugwerkende kracht hun rechtsgeldigheid verliezen.
Derhalve blijven tussen de Schengen-landen de verplichtingen bestaan die uit
deze besluiten en verklaringen zijn voortgevloeid. Zo zal na inwerkingtreding
van het Verdrag van Amsterdam het UC worden vervangen door de Raad. Het reglement
van orde van het UC (het eerste besluit in de bijlage bij ontwerp-besluit
SCH/Com-ex (99) 9) verliest hiermee rechtsgeldigheid aangezien het reglement
van orde van de Raad vanaf dat moment van toepassing zal zijn.
De rechtsgevolgen van op basis van het reglement van orde van het UC aangenomen
en nog van kracht zijnde akten blijven onverlet.
Dit geldt in het bijzonder voor de financiële verplichtingen die
nog afgewikkeld moeten worden.
De bijlage bij ontwerp-besluit SCH/Com-ex (99) 9 verschilt op enkele punten
van deel 3 van bijlage B bij EU-werkdocument Schengen 6 (U toegegaan als bijlage
bij mijn brief van 17 maart jl.) waarin de besluiten en verklaringen van het
Uitvoerend Comité zijn opgenomen die naar het oordeel van de EU-Raadswerkgroep
Schengen-acquis geen rechtsgrondslag in EU-kader behoeven. De besprekingen
op Raadswerkgroepniveau zijn echter nog niet afgerond. Ontwerp-besluit SCH/Com-ex
(99) 9 is door de Schengen werkgroep Verdragen en Regelingen opgesteld. Nadat
het ontwerp-besluit in Schengen-kader door het UC is vastgesteld, zal het
onmiddellijk aan het EU-voorzitterschap worden overhandigd. Vervolgens zal
in de EU-Raadswerkgroep Schengenacquis document Schengen 6 worden aangepast
in het licht van dit Schengenbesluit. Daarna zal ook EU-werkdocument Schengen
11 (U eveneens toegegaan als bijlage bij mijn brief van 17 maart jl.), waarin
de keuze van rechtsgrondslag voor het Schengenacquis is opgenomen, worden
aangepast.
Ik zal U over de verdere ontwikkelingen ten aanzien van de vaststelling
van het Schengen-acquis en de toekenning van rechtsgrondslag aan het Schengen-acquis
in EU-kader op de hoogte houden.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
D. A. Benschop