19 326
Akkoord tussen de Regeringen van de Benelux, de Bondsrepubliek Duitsland en Frankrijk betreffende geleidelijke afschaffing van grenscontroles, Schengen, 14 juni 1985

nr. 174
BRIEF VAN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 1 oktober 1997

Tijdens het Algemeen Overleg van 25 september jl. ter voorbereiding van het Uitvoerend Comité van 7 oktober is door mij toegezegd Uw Kamer nader te informeren over de uitkomsten van het overleg tussen het Oostenrijkse voorzitterschap en Griekenland op 30 september jl. betreffende de besluitvorming over de inwerkingstelling van de Uitvoeringsovereenkomst (UO) in Griekenland. Hieronder treft U de uitkomsten van dit overleg aan met het oog op het Algemeen Overleg met Uw Kamer op 1 oktober a.s. Daarnaast maak ik graag gebruik van deze gelegenheid om een aantal vragen te beantwoorden die tijdens het Algemeen Overleg van 25 september jl. aan de orde zijn gekomen.

I. Uitkomst overleg Oostenrijkse Voorzitterschap met Griekenland

Op 30 september jl. vond in Wenen een gesprek plaats tussen de Oostenrijkse Minister van Binnenlandse Zaken, de heer Schlögl, in zijn capaciteit als Schengen-voorzitter en een Griekse delegatie die op hoog ambtelijk niveau was vertegenwoordigd.

Daarbij is gebleken dat Griekenland het voorliggende ontwerp-besluit onvoldoende acht. Het wenst op voet van gelijkheid met Italië en Oostenrijk te worden behandeld.

In het gesprek is op mijn verzoek door het Oostenrijkse voorzitterschap ook een formule op tafel gebracht ten behoeve van de inwerkingstelling van de UO in Griekenland langs de lijnen van hetgeen met Uw Kamer tijdens het AO van 25 september jl. was besproken.

De Griekse delegatie verwierp ook deze formule als ontoereikend en herhaalde het standpunt dat Griekenland m.b.t. een besluit tot inwerkingstelling van de UO dezelfde behandeling wenst als Italië en Oostenrijk. Dit betekent dat de Uitvoeringsovereenkomst in Griekenland volledig zou moeten worden toegepast na een overgangsfase die automatisch eindigt op 29 maart 1998.

In de afgelopen weken is o.m. in de Centrale Groep gebleken dat hiervoor bij de meeste Schengen-lidstaten waaronder Nederland geen steun bestaat.

Indien Griekenland ook tijdens het Uitvoerend Comité van 7 oktober a.s. in deze opstelling volhardt, ontstaat een impasse. In die situatie zou Nederland naar mijn mening moeten vasthouden aan de volgende uitgangspunten:

– van een algehele inwerkingstelling van de UO in Griekenland kan pas sprake zijn wanneer een effectieve controle aan de buitengrenzen is gerealiseerd, dan wel binnen afzienbare tijd het perspectief op zo'n controle bestaat.

– daartoe is nader onderzoek nodig door een groep van deskundigen waarvan de bevindingen aan het UC ter beoordeling worden voorgelegd.

– het UC zou op 7 oktober kunnen besluiten tot een dergelijk onderzoek, waarvan de uitkomst per 1 december a.s. beschikbaar zou moeten zijn.

– indien het deskundigenonderzoek daartoe aanleiding geeft zou het UC op 16 december een besluit kunnen nemen tot een gefaseerde inwerkingstelling van de UO in Griekenland langs dezelfde lijn van de besluiten die thans voor Italië en Oostenrijk voorliggen.

Mocht Griekenland alsnog bereid blijken het voorliggend ontwerp-besluit te aanvaarden, dan zou Nederland naar mijn mening daarmee moeten instemmen. Een gedeeltelijke inwerkingstelling als daarin vastgelegd verdient weliswaar niet de schoonheidsprijs, maar voldoet wel aan beide eerste bovengenoemde uitgangspunten.

N.B. Voor de volledigheid vermeld ik dat hedenmorgen een herziene versie van het ontwerp-besluit werd ontvangen (bijgevoegd)1 Niet duidelijk is of dit voor Griekenland en/of de overige lidstaten acceptabel is.

II. De overname-overeenkomsten

Naar aanleiding van de vraag van het lid Uwer Kamer, de heer Van den Doel, betreffende een overzicht van de terugname-overeenkomsten die Italië, Oostenrijk en Griekenland hebben afgesloten met andere Staten doe ik U bijgaand een overzicht toekomen van de overname-overeenkomsten op basis van gegevens zoals die door de Griekse, Italiaanse en Oostenrijkse autoriteiten desgevraagd zijn verstrekt.

III. De juridische grondslag

Naar aanleiding van de vraag van het lid Uwer Kamer, de heer Van Traa, inzake de juridische basis voor een besluit tot inwerkingstelling van de UO voor Oostenrijk en Griekenland op een moment dat de ratificatie van de toetredingsverdragen van deze landen nog niet is voltooid, zij het volgende vermeld.

Voorwaarde voor de inwerkingstelling t.a.v. Griekenland én Oostenrijk is dat het toetredingsverdrag tot het Schengen-akkoord en het toetredingsverdrag tot de Uitvoeringsovereenkomst in werking zijn getreden.

Op grond van het bepaalde in respectievelijk artikel 4, tweede lid, van het toetredingsverdrag tot het Akkoord van Schengen en artikel 6 tweede lid, van het toetredingsverdrag tot het UO treden de toetredingsverdragen in werking op de eerste dag van de tweede maand nadat alle akten van bekrachtiging of aanvaarding zijn neergelegd.

Voor Italië zijn de toetredingsverdragen reeds in werking getreden.

Op grond van artikel 131, lid 2, heeft het Uitvoerend Comité de taak toe te zien op de juiste toepassing van de UO. Op grond van artikel 132, tweede lid, regelt het Uitvoerend Comité (UC) zijn eigen werkwijze.

Eén van de besluiten die het UC neemt, is het besluit over te gaan tot inwerkingstelling van «Schengen» voor de toetredende landen, in casu Italië, Oostenrijk en Griekenland.

Het besluit tot inwerkingstelling berust niet op een specifieke bepaling uit de UO, noch op een specifieke bepaling in de toetredingsverdragen, maar wordt genomen uit hoofde van de algemene taak die het UC heeft.

Er is niets bepaald over het moment waarop het UC een besluit tot inwerkingstelling neemt. De enige formele voorwaarde die aan inwerkingstelling is verbonden, is dat de toetredingsverdragen in werking zijn getreden. Dit is neergelegd in de Gemeenschappelijke Verklaring in de Slotakte van de toetredingsovereenkomsten met Oostenrijk, Italië en Griekenland waarin is bepaald dat: «de overeenkomst niet in werking wordt gesteld dan nadat aan de voorwaarden voor toepassing van de Overeenkomst in de ondertekenende Staten is voldaan en de controles aan de buitengrenzen effectief zijn». Deze verklaring wordt in de preambule van de ontwerp-inwerkingstellingsbesluiten ook aangehaald.

Indien het UC een besluit tot inwerkingstelling neemt, voordat de toetredingsverdragen in werking zijn getreden, zal aan dit besluit dan ook altijd de voorwaarde moeten worden verbonden dat deze inwerkingstelling pas plaats kan vinden als aan het formele vereiste van de inwerkingtreding is voldaan. Dat is i.c. in de besluiten ook opgenomen.

Gezien het bovenstaande bestaan er m.i. geen beletselen om in te stemmen met de t.a.v. Italië en Oostenrijk voorliggende ontwerpbesluiten.

IV. Nota buitengrenzen

Tenslotte diene dat de nota buitengrenzen van het Oostenrijkse voorzitterschap, zoals geagendeerd voor het UC van 7 oktober a.s., nog niet beschikbaar is.

Voor de goede orde zij vermeld dat er geen voorbespreking is geweest over de nota in de Centrale Groep en dat de nota naar verwachting aan het UC zal worden voorgelegd als discussiestuk.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

M. Patijn

ANNEX 1 Overzicht van overname-overeenkomsten van Griekenland, Italië en Oostenrijk met derde landen (met datum van ondertekening)

Griekenland

Bulgarije (15-12-95)

Kroatië (10-03-95)

Polen (21-11-91)

Roemenië (06-06-94)

Slovenië (06-04-95)

Zweden (14-02-91)

Hongarije (in onderhandeling)

India (in onderhandeling)

Naast de overname-overeenkomsten heeft Griekenland ook overeenkomsten inzake politiële samenwerking afgesloten met een aantal landen. Sommige van deze overeenkomsten bevatten een overname-clausule.

Italië

Albanië (17-04-96)1

Frankrijk (09-09-97)2

Estland (25-05-97)

FYROM (26-02-97)

Georgië (12-05-97)

Hongarije (20-05-97)

Servië en Montenegro (19-06-97)

Kroatië (27-06-97)

Letland (21-05-97)

Litouwen (20-05-97)

Oostenrijk (1963)3

Roemenië (04-03-97)

Slovenië (03-09-96)

Marokko (in onderhandeling)

Oostenrijk

Benelux (15-02-65)

Duitsland (1961)

Frankrijk (30-11-62)

Italië (1963)

Slovenië (1993)

Slowakije (1994)

Hongarije (1995)

Kroatië (in onderhandeling)


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

Met Albanië is een verdrag geparafeerd. Nu de situatie in dit land weer enigszins genormaliseerd is, hoopt Italië spoedig tot ondertekening te kunnen overgaan.

XNoot
2

De nieuwe overname-overeenkomst met Frankrijk is op genoemde datum geparafeerd. Het ligt in de bedoeling het verdrag tijdens de Frans-Italiaanse top in Chambery op 2 en 3 oktober a.s. te tekenen.

XNoot
3

Oostenrijk en Italië zijn in onderhandeling over een nieuwe overeenkomst. Deze overeenkomst zal waarschijnlijk op 7 oktober a.s. worden ondertekend.

Naar boven