Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2016-2017 | 19291 nr. V;54 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2016-2017 | 19291 nr. V;54 |
Vastgesteld 15 juni 2017
Tien leden van de Nederlandse delegatie in de NAVO Parlementaire Assemblee hebben van 8 tot en met 10 mei 2017 deelgenomen aan een speciaal seminar over de geostrategische politiek van Spitsbergen en het Noordpoolgebied. Deze bijeenkomst in Longyearbyen met ongeveer negentig deelnemers werd georganiseerd door het Noorse parlement, de Stortinget, in samenwerking met de NAVO Assemblee. De delegatie bestond uit de heer Van Kappen, de heer Knip, de heer Schaper, mevrouw Martens, de heer Van Apeldoorn, de heer Knops, mevrouw Eijsink, de heer Van Bommel, mevrouw Gunal-Gezer en de heer Vuijk. De delegatie heeft tijdens een tussenstop in Oslo een uitstekende informatieve briefing gekregen van de Nederlandse ambassadeur in Noorwegen, mevrouw Ten Tusscher. Voorafgaand aan het seminar hebben de deelnemers een bezoek gebracht aan de Wahlenbergbreen Gletsjer in de Yoldiabuktabaai om ter plaatse uitleg te krijgen over de veranderingen op Spitsbergen als gevolg van klimaatopwarming. Na afloop van de sessie is een bezoek gebracht aan het Svalsat Satelliet Station van het bedrijf Kongsberg bij Longyearbyen. Daar heeft de delegatie uitleg gekregen over het gebruik van dit grootste commerciële satellietstation ter wereld. Het satellietstation bestaat uit 31 antennesystemen en wordt nog steeds uitgebreid. Daarbij wordt geprofiteerd van de hoge Noordelijke ligging van Spitsbergen op de 78ste breedtegraad noord, die het mogelijk maakt om «all-orbit support» te bieden aan satellieten die boven de Noordpool draaien. Data kunnen bij elke passage van een satelliet ontvangen worden en snel met een infrastructuur van glasvezel worden doorgezet naar het vasteland van Europa. Hiervan wordt onder meer gebruik gemaakt door de National Aeronautics and Space Administration (NASA), de European Space Agency (ESA), meteorologische bedrijven, communicatiebedrijven en de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA). Het seminar van de NAVO Assemblee had onder andere tot doel om input te leveren voor het rapport NATO and Security in the Arctic, ter bespreking in de politieke commissie van de Assemblee op de Spring Session in Tblisi in mei en de Annual Session in Boekarest in oktober.
Beide sessies van het seminar werden gehouden op het University Centre in Svalbard (UNIS), een samenwerkingsverband van de universiteiten van Oslo, Bergen, Trondheim, Tromsø en Ås en het Noorse Ministerie van Onderwijs. Deze meest noordelijk instelling voor hoger onderwijs ter wereld legt zich vooral toe op Arctische studies (biologie, geologie, geofysica en technologie).
De eerste sessie stond in het teken van «Maritime and Environmental Perspectives and Cooperation in the Arctic» en belichte vooral de unieke uitdagingen waar Spitsbergen, vanwege de ligging aan de rand van de Noordelijke IJszee, voor gesteld wordt met de opwarming van het klimaat. Verschillende sprekers vertelden dat de effecten van de opwarming van de aarde op Spitsbergen meer merkbaar zijn dan elders in de wereld met grotere lokale temperatuurstijgingen en grote wateroppervlakten die niet langer bevriezen, waar dat tien, vijftien jaar geleden wel het geval was. De gouverneur van Spitsbergen, Kjerstin Askholt, gaf een toelichting op de bijzondere status van de eilandengroep, die sinds 1920 valt onder het Verdrag van Spitsbergen, dat ook door Nederland is ondertekend. Sinds 1925 maakt Spitsbergen (of Svalbard, zoals de eilandengroep internationaal bekend staat) ook deel uit van het Koninkrijk Noorwegen. Noorwegen heeft daarmee volledige en absolute soevereiniteit over het gebied, aldus de gouverneur, maar moet wel toestaan dat onderdanen van alle partijen bij het Verdrag gelijke toegang hebben tot economische activiteiten. Voorts mogen er op Spitsbergen geen militaire activiteiten worden ontplooid. Daar waar vroeger mijnbouw (steenkool) de belangrijkste activiteit was, bestaat de economie tegenwoordig hoofdzakelijk uit toerisme, onderzoek en onderwijs en de hiervoor genoemde satelietdiensten. Het dorpje Longyearbyen is de belangrijkste Noorse vestiging. Rusland onderhoudt nog een vestiging van enkele honderden Oekraïense mijnwerkers in het plaatsje Barentsburg, niet zozeer uit economisch oogpunt (mijnbouw is als gevolg van de lage olieprijs niet langer rendabel), maar vooral om een voet aan de grond te houden in dit geostrategisch belangrijke gebied.
De Noorse Minister van Klimaat en Milieu, Vidar Helgessen, vertelde dat de Noorse regering onlangs een witboek heeft gepresenteerd met een voorstel om de gevolgen van klimaatverandering voor het gebied aan te pakken. Volgens de directeur van de Noorse Associatie van Scheepseigenaren, de heer Henriksen, zal met het smelten van de Noordpool een nieuwe, bevaardbare oceaan ontstaan. Dit kan grote invloed hebben op de wereldwijde machtsverhoudingen. Zo is Rusland volgens hem bezig om de «search & rescue»-infrastructuur, die in het gebied wordt opgebouwd, te bemensen met militairen. Deze nieuwe oceaan is slechts op twee manieren toegankelijk: via de Beringstraat en via de golfstroom ten westen van Spitsbergen. Wie deze toegangswegen controleert, controleert het maritieme verkeer in het Arctisch gebied.
De heer Knops vroeg de Minister welke boodschap deze nu wilde afgeven. Hij zag in Longyearbyen alleen maar voorbeelden van de «oude economie» (kolenmijnen in plaats van zonnepanelen). Is deze eilandengroep niet bij uitstek de plek om de «nieuwe (duurzame) economie» te ontwikkelen? De Minister antwoordde dat de verandering gaande is. De kolenmijn in Longyearbyen is inmiddels gesloten. Bovendien was dit de enige kolenmijn in heel Noorwegen, dus de bijdrage daarvan aan klimaatverandering was gering. De belasting van 150 Kronen die bezoekers op Spitsbergen moeten betalen, gaat naar een milieufonds. Toerisme, onderzoek en het satelietstation zullen op den duur verandering brengen. Overigens haalde de heer Knops met deze interventie de locale media; de Noordelijkste krant ter wereld deed er verslag van op zijn voorpagina1.
De heer Van Kappen merkte op dat landen die het Verdrag van Spitsbergen niet getekend hebben, dezelfde rechten hebben als landen die dat wel gedaan hebben. Gouverneur Askholt bevestigde dit. Voor Noorwegen is het belangrijkste criterium dat de Noorse wetgeving gerespecteerd wordt. De heer Van Kappen vroeg voorts naar de Exclusieve Economische Zone rond het gebied. Noorwegen heeft in de jaren zeventig alleen een «Fishery Protection Zone» ingesteld met als doel de visbestanden te beschermen.
Mevrouw Eijsink vroeg Minister Helgesen wat hij van de NAVO Assemblee verwachtte, zeker daar waar Rusland zich openlijk beklaagd had over deze bijeenkomst van de Assemblee. Die zou volgens de Russische regering in strijd zijn met de clausule in het Verdrag, die militaire activiteiten verbiedt. De Minister ontkende dat het seminar van de NAVO Assemblee een schending van het Verdrag van Spitsbergen was. De Assemblee was volgens hem een pionier in het bewustwordingsproces van de strategische gevolgen van klimaatopwarming. Hij verwelkomde het feit dat de Assemblee dit onderwerp politiek geagendeerd had.
De heer Van Apeldoorn vroeg aan de directeur van het Noorse Poolinstituut, Kim Holmen, of het niet beter zou zijn om de onontgonnen voorraden olie en gas onder de Noordpool te laten liggen. Wetenschappelijk onderzoek heeft immers aangetoond dat er een energierevolutie noodzakelijk is, waardoor het tijdperk van fossiele brandstoffen op termijn toch voorbij zal zijn. «It’s not over, until it’s over», antwoordde de heer Holmen. Technologie is tegenwoordig veel efficiënter dan in de jaren vijftig, maar toch gebruiken we veel meer energie dan toen. Onderzoek naar de voorraden is altijd goed, zo meende hij; dan kan later altijd nog besloten worden ze wel of niet te gebruiken.
De heer Schaper stelde een vraag over de ontwikkelingskosten voor de Noordelijke route. Klopt het dat de kosten van de bouw van de benodigde infrastructuur in Rusland zo hoog zullen zijn, dat scheepvaartbedrijven vanwege de hoge prijs niet voor deze route zullen kiezen, zo wilde hij weten. De heer Henriksen schetste dat op jaarbasis het Suezkanaal 19.000 doorvaarten heeft, het Panamakanaal 14.000 doorvaarten en de Noordelijke route momenteel 40 tot 50 doorvaarten. De verwachting is dat dit laatste aantal zeker gaat toenemen, maar de meningen lopen uiteen over het aantal. Vast staat dat China de mogelijkheden onderzoekt voor uitbreiding van de infrastructuur in Noord-Rusland, aangezien de Noordoostroute en de Poolroute als gevolg van klimaatverandering het meest aantrekkelijk zullen zijn. De Noordwestroute biedt veel meer onzekerheden.
Deze sessie werd voorafgegaan door een presentatie over de Wereldzadenbank («Svalbard Global Seed Vault»), een opslagplaats in de permafrost van Spitsbergen voor monsters van plantzaden van over de hele wereld. Spitsbergen is bij uitstek geschikt om dergelijke monsters te bewaren, vanwege het koude klimaat, de stabiele geologie en de goede infrastructuur. Bovendien bestaat er internationaal groot vertrouwen dat Noorwegen zorgvuldig zal omgaan met biologische diversiteit en de zadenvoorraad. Uitgangspunt is dat de gedeponeerde zaadmonsters eigendom blijven van de zaadbank, die ze in bewaring heeft gegeven. Onlangs heeft een zadenbank in Syrië (een vestiging van de International Center for Agricultural Research in the Dry Areas, ICARDA), gebruik kunnen maken van zijn voorraad op Spitsbergen, nadat zijn vestiging in Aleppo vernietigd was.
Daarna volgde een paneldiscussie over «Geopolitics and the Future of the Arctic». Daarin gaf de Noorse Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Marit Berger, een toelichting op de rol van de Arctic Council in het bevorderen van stabiliteit in de Poolregio. Nederland heeft de status van «observer» in deze organisatie en de inhoudelijke inbreng van ons land wordt zeer gewaardeerd. De United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) vormt het juridisch kader, waarbinnen de Arctic Council sinds haar oprichting in 1996 werkt. Volgens de directeur-generaal juridische zaken van het ministerie dekt de UNCLOS alle juridische kwesties in de regio en is er dan ook geen sprake van een juridisch vacuüm. Wel vragen toekomstscenario’s voor het gebied om nieuw beleid en nadere uitwerking. Binnen de Arctic Council werkt Noorwegen wel samen met Rusland, maar tegelijkertijd doet het land ook mee met de economische sancties tegen Rusland na de illegale annexatie van de Krim. In dit verband is ook de militaire samenwerking tussen beide landen opgeschort.
Professor Byers van de Universiteit van Brits Columbia analyseerde de houding van Canada ten opzichte van de NAVO en Rusland in het Poolgebied. Het pleidooi van sommige NAVO-staten voor een (actievere) rol van het bondgenootschap in het Arctisch gebied, ziet Canada vooral als een poging van deze landen om zelf meer invloed in de regio te krijgen. Canada vreest geen Russiche dreiging in het gebied: het is te groot, het is er te donker en er is verder te weinig om een invasie te doen slagen. In dit kader werd er in de paneldiscussie tot slot op gewezen dat er op Svalbard weliswaar geen militaire activiteiten mogen worden ontplooid, maar dat de eilandengroep als Noors territorium wel onder de collectieve verdedigingsclausule van het Noord-Atlantisch Verdrag (artikel 5) valt.
De plaatsvervangend voorzitter van de delegatie, Knops
De griffier van de delegatie, Westerhoff
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19291-54.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.