nr. 61
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Rijswijk, 30 september 1997
Bij bovengenoemde brief zond u mij het stenografisch verslag van het ordedebat
van 3 september jongstleden toe,1 en verzocht
u mij in te gaan op de daarin door mevrouw Oedayraj Singh Varma naar voren
gebrachte vragen over Aidsonderzoek. Graag wil ik aan dit verzoek voldoen.
Zoals ik ook aan het Aids Fonds heb laten weten bij brief van 2 september
1997,2 merk ik op grond van de bevindingen van
de Programma coördinatie commissie Aids-onderzoek (PccAo) d.d. 30 mei
1997 op dat het tot tevredenheid stemt dat er – conform de doelstelling
van het Stimuleringsprogramma Aidsonderzoek – gedurende ruim 10 jaar
goede waarborgen zijn gecreëerd voor de wetenschappelijke verankering
van de (multidisciplinaire) stimuleringsactiviteiten en onderzoekslijnen,
waaraan een substantiële overheidsbijdrage is besteed van in totaal 79,7
miljoen gulden. In afwijking van de opvattingen van het Aids Fonds meen ik
dan ook dat voortzetting van gerichte overheidsstimulering van Aidsonderzoek
ten behoeve van een nog steviger wetenschappelijke verankering niet meer noodzakelijk
is, en dat de Aidsonderzoekers inmiddels ruim voldoende gekwalificeerd zijn
om voortaan te putten uit de aanwezige alternatieve financieringsbronnen voor
onder andere onderzoek naar de effectiviteit van de combinatietherapieën.
Ik denk hierbij aan de komende ziekteoverstijgende programma's van ZorgOnderzoek
Nederland inzake zorg en preventie, het programma Ontwikkelingsgeneeskunde
van de Ziekenfondsraad, de diverse NWO-programma's voor biomedisch en sociaal-wetenschappelijk
onderzoek, en uiteraard aan de EU-programma's «Aids en overige besmettelijke
ziekten» en BIOMED. Daarbij komen nog de middelen voor het fundamentele
en klinische onderzoek (in het bijzonder naar vaccins en vroegtherapie) vanuit
de eerste geldstroom, die volgens mijn collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
reeds in 1990 in aanzienlijke mate voor Aidsonderzoek werden ingezet, alsook
bijdragen vanuit de farmaceutische industrie. Van daaruit kan flexibel worden
ingespeeld op nieuwe dilemma's en onderzoeksvragen op de verschillende aandachtsvelden,
die inherent zijn aan de medische en maatschappelijke dynamiek
van infectieziekten, waaronder Aids, en aan wetenschappelijke en technologische
vooruitgang.
Mijn besluit ligt in de lijn van het standpunt dat ik tot nu toe steeds
heb ingenomen, namelijk dat het vierde Stimuleringsprogramma tevens het laatste
was waaraan van overheidswege zou worden bijgedragen. Dit wordt ook tot uitdrukking
gebracht met de expiratie van de PccAo per 1 januari 1998. Het betreft immers
een – per definitie – tijdelijke stimuleringsperiode, die reeds
beduidend langer is dan de gemiddelde, in 1991 en 1993 door de Algemene Rekenkamer
aanbevolen en door het Kabinet onderschreven, stimuleringsduur van 7 jaar
voor door de overheid te financieren onderzoeksprogramma's. Van een plotselinge
bezuiniging op Aidsonderzoek, zoals in diverse media is gesuggereerd, is dan
ook geen enkele sprake. Voor de beëindiging van het programma krijgt
het Aids Fonds in 1998 bovendien nog eenmaal 1 miljoen gulden. Tevens zal
er een eenmalige overbruggingsfinanciering ad 3 miljoen gulden voor de Aidscohortstudies
beschikbaar gesteld worden ten behoeve van inbedding in de wetenschappelijke
infrastructuur.
Genoemde besluiten zijn reeds in een veel eerder stadium aan de PccAo
c.q. de onderzoekers kenbaar gemaakt. Ik verwijs naar mijn brief van 4 november
1995, waarin ik de PccAo een financiering toezegde voor een vierde en laatste
stimuleringsprogramma voor Aidsonderzoek.1 De
Aidscohortstudie werd steeds gefinancierd door het Praeventiefonds. In zijn
brief van 15 oktober 1996 aan het Praeventiefonds bevestigt de voorzitter
van de PccAo dat het de laatste financiering is, en dat voor de behandeling
van de rijksbegroting in 1997 een andere financieringsvorm tot stand moet
kunnen zijn gebracht. Ik hoop hiermee geïllustreerd te hebben dat mijn
besluit reeds jaren bekend was bij betrokkenen. Gezien de diversiteit van
andere financieringsbronnen betekent dit zeker niet het einde van het Aidsonderzoek,
maar wel dat het Aidsonderzoek na een intensieve stimuleringsperiode en daaraan
gekoppelde taakopdracht tot inbedding in regulier vaarwater is gekomen.
Wellicht is het goed om nog eens te wijzen op wat inmiddels – mede
dankzij inspanningen van de rijksoverheid en met goedkeuring van de Tweede
Kamer – is bereikt: relatief beheersbare problematiek, mede dankzij
forse preventie-inspanningen in de afgelopen jaren en de nadruk op het voorkomen
van stigmatisering; een goede zorg voor mensen met HIV/Aids mede dankzij de
spoedige beschikbaarheid van nieuwe medicijnen en de aanwezigheid van gespecialiseerde
zorgvoorzieningen; de aanwezigheid van een kwalitatief hoogwaardig onderzoekspotentieel;
gerichte financiële ondersteuning van patiëntenorganisaties, HIV-surveillance
en vele ontwikkelactiviteiten gericht op de optimalisering van preventie,
zorg en maatschappelijke positie. De daarvoor beschikbare middelen kunnen,
in vergelijking met andere, ook ernstige, ziekten, als ruimhartig gekwalificeerd
worden.
Tot slot wil ik benadrukken dat, hoe veelbelovend de nieuwe behandelingen
ook mogen lijken, de enige manier om aan de oorzaak van het Aidsprobleem iets
te doen, het beïnvloeden van onveilig gedrag is en blijft. Met betrekking
tot HIV/Aids ben ik dan ook van oordeel dat doelgerichte activiteiten ter
voorkoming van nieuwe besmettingen moeten worden voortgezet. Ik verzeker u
dat ik hieraan mijn steentje blijf bijdragen.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers