17 408
Harmonisatie Noordzeebeleid

21 250
Derde Nota Waterhuishouding

21 656
Saneringsprogramma waterbodem Rijkswateren 1991–2000

nr. 77
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 1 februari 1995

De vaste Commissie voor Verkeer en Waterstaat1 heeft op 20 december 1994 overlegd met de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie over:

– de uitvoering van de motie-Van Rijn-Vellekoop inzake een studie naar een gebundelde kustwacht (17 408, nr. 70);

– het onderdeel Noordzee-aangelegenheden uit de voortgangsrapportage integraal waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden (21 250, nr. 29).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Huys (PvdA) constateerde met tevredenheid dat de motie-Van Rijn-Vellekoop (17 408, nr. 70) adequaat wordt uitgevoerd. De jaarlijkse beleidsplannen voor dienstverlenende en toezichttaken, alsmede de verantwoordingsrapportage worden ter kennisname aan de ICONA gezonden, maar wie hakt de knopen door als er verschil van mening ontstaat over te stellen prioriteiten? Gezien de hiervoor aangevoerde argumenten had hij geen bezwaar tegen onderbrenging van het personeel van het KWC bij Defensie en vestiging van het nieuwe KWC in Den Helder. Wel moet het personeel van het huidige KWC de mogelijkheid worden geboden om deze overstap te maken. In verband met adequate controle van de in te stellen exclusieve economische zone moeten voor douane- en bewakingstaken schepen worden gestationeerd in Hoek van Holland, Den Helder en de Eemshaven.

Omdat het de heer Huys opviel dat in de voortgangsrapportage integraal waterbeheer slechts zijdelings de kwestie van de bijvangst ter sprake komt, herinnerde hij aan zijn eerdere pleidooi om op Europees niveau de mogelijkheid van verplichte aanlanding van alle gevangen, vermarktbare vis te onderzoeken. Ook moet aandacht worden geschonken aan verbetering van vangsttechnieken. Hij achtte het ondenkbaar om in het noordelijk deel van de Noordzee een zone van 150 km bij 30 km te sluiten voor visvangst, gezien de desastreuze gevolgen die dit kan hebben voor visserij en de aanverwante bedrijfstak in het Noorden des lands. Selectief kunnen wel bepaalde, overzienbare gebieden worden gesloten, mits duidelijk is dat deze van constante kwaliteit zijn, bekend is wie wat gaat onderzoeken en wie het betaalt. Er moeten geen nieuwe «ecoplots» worden ingesteld als de resultaten van de bestaande nog niet bekend zijn.

Uit de voortgangsrapportage begreep de heer Huys verder dat het aantal illegale lozingen niet waarneembaar afneemt en dat het gebruik van haven-ontvangstinstallaties niet echt toeneemt. Wordt in de voorbereiding van de vierde Noordzee-ministersconferentie gewerkt aan maatregelen die moeten leiden tot een beter inzicht in de hoeveelheid afval die schepen aan boord hebben en die in havens worden afgegeven? Gedacht kan worden aan een verplichting tot afgifte van alle afvalstoffen alvorens een schip de haven verlaat. Ook kunnen op Europees-regionaal niveau afspraken worden gemaakt over verwerking van afgiftetarieven in de havengelden.

Gezien de zeer zorgelijke toonzetting van de voortgangsrapportage over verontreiniging van het Noordzeemilieu als gevolg van eutrofiëring en verontreiniging door micro-organismen, vroeg de heer Huys de minister om zich in haar beleid strikt te houden aan de uitgangspunten van het meerjarenplan gewasbescherming en de derde fase van het mestbeleid.

De heer Esselink (CDA) was ook tevreden over de uitvoering van de motie-Van Rijn-Vellekoop. Welke gevolgen zal dit hebben voor de positie van de Minister van Verkeer en Waterstaat als eerstverantwoordelijke voor het Noordzeebeleid? Kan het huidige kustwachtpersoneel overstappen naar de nieuwe organisatie en zijn er taken van de oude Kustwacht die niet door de nieuwe organisatie worden behartigd? Mondt de nieuwe opzet uiteindelijk uit in één gecombineerde begroting? Hij ging ervan uit dat de nieuwe opzet verdergaande samenwerking met overeenkomstige diensten van omringende landen niet in de weg zal staan. Eerder is reeds gepleit voor de vorming van één kustwachtorganisatie voor het totale Noordzeegebied. Herinnerend aan de gedachtengang die ten grondslag lag aan de motie-Van Rijn-Vellekoop en verwijzend naar mogelijkheden van moderne communicatiemiddelen, vroeg hij of verplaatsing van het KWC naar Den Helder onontkoombaar is.

De heer Esselink vond de voortgangsrapportage over de uitvoering van het integraal waterbeleid onvoldoende overzichtelijk, al erkende hij dat de Kamer destijds zelf instemde met gebundelde rapportage. Te weinig blijkt eruit welke voortgang met diverse actiepunten wordt geboekt. Ook zag hij graag dat gegroepeerder werd gerapporteerd. Ten opzichte van 1992 zijn in 1993 50% meer verontreinigingen geconstateerd. In hoeveel gevallen leidde dit echt tot vervolging en wat was het resultaat ervan? Hoe staat het met de IMO-normen voor bunkerolie? Handhaving van afspraken die in MARPOL/IMO-verband zijn gemaakt, vergt sluitende controle van uitgaande schepen. Is het controlepercentage inmiddels opgevoerd? Welke problemen verhinderen de tekening van het milieuconvenant met NOGEPA? Is het inmiddels gesloten? Wie is verantwoordelijk voor de controle op de naleving van de in dit convenant gemaakte afspraken en welke sanctie staat er op het niet naleven ervan? In welke fase verkeert het wetgevingsproces in verband met de instelling van een exclusieve economische zone? Is de route voor schepen met gevaarlijke lading al verder van de Waddenkust afgelegd, zoals in een vorig algemeen overleg werd bepleit? Hoe staat het met de voorbereiding van de vierde Noordzee-ministersconferentie? Ten slotte vroeg hij de Minister van Verkeer en Waterstaat om de Kamer ruim voor aanvang van deze conferentie per brief te informeren over de Nederlandse inbreng.

De heer Verkerk (AOV) uitte ook zijn tevredenheid over de uitvoering van de motie-Van Rijn-Vellekoop en sloot zich aan bij vragen naar de positie van de minister van Verkeer en Waterstaat. Welke voorzieningen zijn getroffen voor het huidige personeel van de kustwacht? Hij ging ervan uit dat bundeling bij Defensie de mogelijkheden tot internationale samenwerking positief zal beïnvloeden. Welke gevolgen heeft de bundeling internationaal op civiel en militair gebied? Leiden de mandatering en het sluiten van operationele overeenkomsten niet tot problemen bij de uitvoering? Kan inzicht worden gegeven in mandateringsbesluiten? Hoe is de inzet van niet-overheidsmiddelen (reddingswezen) geregeld en hoe wordt dit betaald? Ook vroeg hij aandacht voor de relatie tussen controles in de havens en de uitvoering van kustwachttaken.

De heer Van Waning (D66) sloot zich aan bij vragen en opmerkingen over de voortgangsrapportage. Hij stemde in met bundeling van de Kustwacht, die hij beschouwde als een logisch gevolg van het Evaluatierapport 1989 en het toenemend aantal (controle)taken dat de overheid op de Noordzee verricht. Heeft uitvoering van het advies uit het Evaluatierapport niet te lang op zich laten wachten? Hij constateerde dat het kabinet heeft gekozen voor één uitvoeringsorganisatie voor alle Noordzeetaken en dat het door de Dienstcommissie Kustwachtcentrum aangedragen alternatief van een afzonderlijke kustwachtorganisatie, als rijksdienst ressorterend onder Defensie, niet haalbaar is gebleken. Dit laatste had waarschijnlijk slechts aanleiding gegeven tot ondoelmatige competitie. De nu beoogde organisatie voorziet in een grotere samenhang en een beter gecombineerde inzet van middelen voor civiele en niet-civiele operaties. Zij heeft als voordelen:

– een duidelijke scheiding tussen beleid en uitvoering;

– bundeling van beleidsmatige aansturing door de verantwoordelijke departementen;

– bundeling van de operationele uitvoering bij de Koninklijke marine.

Naar aanleiding een recent artikel in het «Marineblad» vroeg de heer Van Waning of in de huidige internationale situatie het onderscheid tussen civiele en militaire taken en middelen vervaagt. Komt onder buitengewone omstandigheden de verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van taken op de Noordzee meer te liggen bij de Koninklijke marine? Is de gewijzigde internationale situatie er debet aan dat de Koninklijke marine thans wel belangstelling heeft voor structurelere betrokkenheid bij de Kustwacht? Maakt de betrokkenheid van de Koninklijke marine bij civiele taken op de Noordzee het mogelijk om te anticiperen op ontwikkelingen die militair optreden vergen? Welke rol hebben de marines van andere Europese landen bij de uitvoering van kustwachttaken? Hoe zijn de vooruitzichten voor een Euro-coastguard, zoals omschreven in de resolutie die het Europees parlement in 1991 aanvaardde? Leent de kustwachttaak zich voor de door de Minister van Defensie voorgestane internationale samenwerking? Worden al gecombineerd taken uitgevoerd vanaf één platform? Kan (eventueel met gebruikmaking van satellite remote sensing) vanuit het gecombineerde KWC voldoende radarbeeld van de Noordzee worden verkregen? Wordt het huidige kustwachtpersoneel voldoende functiezekerheid geboden om een snelle overgang naar Defensie aantrekkelijk te maken? Hij complimenteerde overigens het personeel van het KWC-IJmuiden met de inzet die vanaf 1987 onder organisatorisch niet gemakkelijke omstandigheden is getoond. Ten slotte vroeg hij wanneer het implementatieplan voor de realisering van het kabinetsbesluit gereed is en of de Kamer over de inhoud ervan wordt geïnformeerd.

De heer Van den Berg (SGP) constateerde dat (zij het met vertraging als gevolg van ambtelijke en bestuurlijke problemen) uitvoering is gegeven aan de motie-Van Rijn-Vellekoop, maar betwijfelde of hiermee een oplossing is gevonden voor de problemen bij de politiek-bestuurlijke aansturing van de Kustwacht. Hij stemde in met de overdracht van de operationele leiding aan de Koninklijke marine. Uit het besluit maakte hij op dat het kabinet het door de stuurgroep-Lemstra geadviseerde groeimodel niet overneemt en niet verder wil gaan dan bundeling van de huidige kustwachttaken. Dat er geen verandering komt in de beleidsverantwoordelijkheden van de betrokken ministeries, betreurde hij, omdat het daardoor erg moeilijk wordt om te komen tot een doorzichtige, eenduidig opgezette en adequaat uitgeruste kustwachtorganisatie. Zal de door het kabinet voorgestane bundeling een oplossing brengen voor de problemen die in het verleden voortvloeiden uit het steeds weer blijkende verschil in visie tussen departementen over het functioneren van de Kustwacht? Is dit wel de meest aangewezen oplossing? Zal de systematiek van mandatering en operationele overeenkomsten er niet toe leiden dat de discussie over competentie blijft voortwoekeren? Zit in de overeenkomsten zelf niet al voldoende conflictstof ingebouwd? Alles overziende hield hij vast aan de steeds door zijn fractie uitgesproken voorkeur voor vorming van een zelfstandig bestuursorgaan met eigen taken en bevoegdheden, aangestuurd door één departement. Juist in crisissituaties is het van belang dat bevelslijnen kort en doorzichtig zijn en dat verantwoordelijkheden duidelijk zijn verdeeld. Dan moet men zich niet tot verschillende departementen behoeven wenden om antwoord te krijgen op beleidsvragen. Ook hij vroeg naar de onontkoombaarheid van verplaatsing van het KWC naar Den Helder. Hij ging ervan uit dat personele aspecten worden geregeld in het implementatieplan. Wanneer komt dit? Hoe functioneert de Kustwacht in de periode tot 1 juni 1995? Hoe wordt gegarandeerd dat de Kustwacht te allen tijde kan beschikken over het voor taken benodigde materieel? Is materieel van de Koninklijke marine optimaal geschikt voor het uitvoeren van kustwachttaken of moet er aangepast materieel worden aangeschaft? Eventuele voorstellen daartoe wilde hij welwillend in overweging nemen.

Ten slotte vroeg de heer Van den Berg naar de stand van zaken bij de voorbereiding van de vierde Noordzee-ministersconferentie. Ook hij pleitte voor betrokkenheid van de Kamer hierbij. Overigens was hij wel blij met de gebundelde vorm van de voortgangsrapportage over integraal waterbeheer.

De heer Blaauw (VVD) herinnerde eraan dat tot 1979 de Kustwacht vrijwel volledig werd verzorgd door de Koninklijke marine en dat de competentiestrijd over deze dienst begon toen het loodswezen ervan werd afgesplitst. Hij constateerde dan ook tot zijn genoegen dat na tien jaar strijd thans weer wordt teruggekomen op het uitgangspunt. Nu een duidelijke scheiding is aangebracht tussen operationele leiding en politieke aansturing hoopte hij dat fricties in de organisatie tot het verleden behoren. De Kustwacht moet nu toegroeien naar een organisatie die is toegerust om de taken van de 21ste eeuw aan te kunnen. In dit verband drong hij aan op tijdige evaluatie van de voortgang op materieel en financieel gebied. Van welke filosofie wordt uitgegaan bij het inbedden van de Nederlandse Kustwacht in Europees verband? Gezien de grote onderlinge verschillen tussen de diverse Europese kustwachtorganisaties zag hij geen heil in een streven naar één Europese kustwacht. Overigens complimenteerde hij de Minister van Defensie ermee dat nu ook in het Caribisch gebied een kustwacht in operatie komt. Hij drong aan op een goede uitwisseling van informatie met het openbaar ministerie in dit gebied.

Uit de voortgangsrapportage integraal waterbeleid begreep de heer Blaauw dat eind 1994 meer inzicht wordt verwacht in emissies door de scheepvaart. Hoe staat het daarmee? Is het convenant met NOGEPA al gesloten? Is de voor eind 1994 aangekondigde inventarisatie van mogelijk milieubelastende militaire activiteiten op de Noordzee en de Waddenzee inmiddels gereed? Ten slotte vroeg hij of de Kamer inzicht kan krijgen in het concept-handhavingsplan voor het toezicht op de naleving van regels voor bedrijfsinterne milieuzorgsystemen van mijnbouwondernemingen.

Het antwoord van de ministers

De Minister van Verkeer en Waterstaat complimenteerde het personeel van het KWC met het goede functioneren, ondanks de soms demotiverende omstandigheden, en constateerde met genoegen dat het KWC ook naar internationale maatstaven van zeer hoge kwaliteit is. Zij hoopte dat het kabinetsbesluit een eind zal maken aan de slepende onzekerheid, ook voor het personeel. In dat licht bezien wenste zij niet te lang stil te blijven staan bij de lange tijd die nodig was om zover te komen. Het nu genomen besluit is gericht op vergroting van effectiviteit en doelmatigheid en moet beslist niet worden gezien als een bezuinigingsoperatie. Eventuele besparingen kunnen wellicht worden gebruikt om wat meer te doen. Van groot belang vond zij de geest van samenwerking die spreekt uit het besluit. De Koninklijke marine wordt niet alleen belast met de coördinatie van de uitvoering van kustwachttaken, maar krijgt ook een belangrijke bevoegdheid bij het leiden van operaties die worden uitgevoerd door de ter beschikking gestelde eenheden. Dientengevolge worden commandolijnen veel korter en kan veel doeltreffender worden opgetreden. Stroomlijning van de beleidsmatige en operationele aansturing is mogelijk doordat de betrokken ministeries inmiddels inzien dat zij afstand moeten nemen van de uitvoering van een aantal operationele Noordzeetaken. Dit alles overziende was zij ervan overtuigd dat het kabinetsbesluit ertoe zal leiden dat aansturingsproblemen tot het verleden zullen behoren. Overigens deelde zij nog mede dat de noot op blz. 5 van het kabinetsbesluit als vervallen kan worden beschouwd, omdat is besloten om de Vaarwegmarkeringsdienst niet te privatiseren. Over de beschikbaarheid van betonningsvaartuigen is tussen deze dienst en het KWC een heldere operationele samenwerkingsovereenkomst gesloten. Ook nu al worden schepen van de Vaarwegmarkeringsdienst ingezet bij de uitvoering van handhavingstaken en bij oliebestrijding en worden marinevliegtuigen ingezet voor gecombineerde acties. De Kustwacht verricht geen controles in havens. Wel wordt hierover informatie uitgewisseld en in voorkomende gevallen wordt ook samengewerkt.

Tegen de door de heer Van den Berg uitgesproken voorkeur voor een zelfstandig bestuursorgaan bracht de minister naar voren dat uiteindelijk de beleidsverantwoordelijkheid altijd blijft berusten bij de betrokken minister. Gezien de ervaringen met verzelfstandiging van organisaties was zij er niet rouwig om dat niet is gekozen voor mandatering van bevoegdheden aan een zelfstandig bestuursorgaan. In dit verband releveerde zij, het functioneren van een aantal reeds verzelfstandigde organisaties zeer kritisch te bezien en gaf zij aan, soms zelfs enige aarzeling te hebben bij het nemen van politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren ervan. Tegen de keuze voor een zelfstandig bestuursorgaan verzet zich ook dat de Kustwacht belast is met taken die worden gerekend tot de kerntaken van de overheid. Het relatief kleine Nederlandse kustgebied rechtvaardigt het niet om voor dit doel zo'n omvangrijke organisatie op te zetten.

De minister bevestigde dat de coördinatie van het Noordzeebeleid bij haar blijft berusten en dat zij derhalve als eerste verantwoordelijk is voor het functioneren van het geheel van de Kustwacht en voor de resultaten ervan. Afstemming vindt plaats via ICONA en MICONA. De overige betrokken ministers zijn ieder op hun eigen beleidsgebied zelf verantwoordelijk voor het maken van beleidsafspraken, de toedeling van middelen en de uitvoering van taken. Er wordt naar gestreefd om de nieuwe organisatie per 1 juni 1995 van start te laten gaan. Tot die tijd functioneert de Kustwacht volgens het oude model. Via de voortgangsrapportage over het integraal waterbeheer wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang met het implementatieplan. De ICONA kan zich buigen over problemen rond de op te stellen jaarplannen; echt grote conflicten worden voorgelegd aan de ministerraad. Het personeel kan kiezen tussen overgang naar de Koninklijke marine of herplaatsing binnen Verkeer en Waterstaat. Het georganiseerd overleg houdt zich bezig met eventuele problemen op dit gebied.

Door extra bemanning in te zetten op de schepen die vanuit Hoek van Holland en Den Helder opereren, kan de capaciteit gehandhaafd blijven op 5800 vaaruren. Zodoende kan vanuit de basis Den Helder worden voorzien in voldoende douanetoezicht ten noorden van de Waddeneilanden. Los hiervan opereert in het Waddengebied ook een (niet zeewaardig) douanevaartuig. De opzet van de nieuwe kustwachtorganisatie heeft geen gevolgen voor de zelfstandigheid van het reddingswezen.

Voor de uitvoering van operationele taken is het niet echt nodig dat het KWC beschikt over een radarbeeld van de totale Noordzee. Daarom achtte de minister het thans niet gerechtvaardigd om hierin enorme investeringen te doen. Wel nam zij met interesse kennis van suggesties voor civiel gebruik van WEU-satellietsystemen en inzet van Orion-vliegtuigen van de marine. Satellite remote sensing zag zij nog niet als alternatief.

Op korte termijn is instelling van een Europese kustwacht niet haalbaar, gezien de grote verschillen in taakstelling en organisaties per land. Goede operationele samenwerking vond de minister van groter belang. Waar mogelijk, moeten bestaande samenwerkingsverbanden worden uitgebreid.

Op vragen over de voortgangsrapportage integraal waterbeheer merkte de minister op dat in EU-verband wordt gewerkt aan aanscherping van vangstregulering, reductie van bijvangst van niet-commerciële vissoorten door middel van technische voorzieningen en het instellen van gesloten seizoenen en gebieden. Nederland heeft voorgesteld de «scholbox» het gehele jaar te sluiten. Tijdens de vierde Noordzee-ministersconferentie zal worden gepoogd een groter draagvlak te krijgen voor het op experimentele basis instellen van gesloten gebiedjes in de Noordzee. Sluiting van een groot gebied, als door de heer Huys bedoeld, wordt niet overwogen.

De minister was gaarne bereid de Kamer in een brief te informeren over de voorbereiding van de vierde Noordzee-ministersconferentie. Deze zal zich onder andere buigen over de mogelijkheden tot het terugdringen van illegale afvallozingen door middel van verplichte afgifte van afvalstoffen alvorens de haven wordt verlaten en het maken van afspraken op regionaal niveau over het verwerken van afgiftetarieven in de havengelden. Nederland stelt zich in dezen ten doel om alle operationele lozingen van olie en andere schadelijke stoffen door de scheepvaart te doen beëindigen. Tijdens de conferentie zal erop worden aangedrongen om onderzoek te verrichten naar de haalbaarheid van een concept dat uitgaat van nullozing, in combinatie met een verplichting tot afgifte van afvalstoffen. Op basis van de uitkomsten van die studie kunnen de Noordzeestaten in IMO-kader trachten verder actie te nemen, waarbij de nadruk zou moeten liggen op het ontwikkelen van structurele maatregelen ter voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen en op introductie van kringloopprocessen. Dit onderwerp komt ook aan de orde in het in voorbereiding zijnde tweede milieubeleidsplan voor de scheepvaart.

De minister bevestigde dat het aantal waarnemingen van illegale lozingen van 1992 op 1993 steeg van 52 naar 90, maar tekende hierbij aan dat dit vooral is veroorzaakt door de stijging van het aantal vlieguren van het kustwachtvliegtuig van 600 naar 900. De trendanalyse duidt dan ook niet op een toename van het aantal illegale lozingen. Van alle illegale lozingen is een proces-verbaal opgemaakt en aan de vlaggestaat gezonden. Afhandeling ervan is echter zeer tijdrovend. In Nederland zijn thans 15 processen-verbaal in behandeling. Daarbij is een toename van het aantal schikkingen te constateren. Gezien de zorgelijke situatie op dit gebied, zal op korte termijn een strategisch plan worden opgesteld voor de naleving van lozingsregels op de Noordzee. Instelling van de exclusieve economische zone kan bijdragen aan de handhaving van regelgeving op dit gebied. Aanbieding van een desbetreffende (Rijks)wet aan de (Rijks)ministerraad is vooralsnog tot begin 1995 aangehouden, hangende een samenhangende wijziging van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. Ratificatie van het op 16 november jl. in werking getreden VN-zeerechtverdrag wordt voorbereid. Het ontbreken hiervan staat instelling van een exclusieve economische zone niet in de weg.

Tijdens de laatste Rijn-ministersconferentie is uitgebreid gesproken over het grote belang van het terugdringen van de diffuse lozingen voor het behoud van het Noordzeemilieu. Tegen deze achtergrond was de minister voornemens om onverkort vast te houden aan de beleidslijnen van het meerjarenplan gewasbescherming en de derde fase van het mestbeleid.

Op 7 november jl. werd een IMO-aanbeveling van kracht die grote tankers aanbeveelt om de ver uit de Waddenkust gelegen diepwaterroute te volgen. Deze aanbeveling kan in 1997 worden omgezet in een verplichting. Daartoe wordt een wijziging van het SOLAS-verdrag voorbereid.

Naar aanleiding van vragen over aan bunkerolie te stellen kwaliteitseisen releveerde de minister dat de IMO naar verwachting in 1995 overeenstemming zal bereiken over een nieuwe bijlage bij het MARPOL-verdrag. Op dit punt wordt goede vooruitgang geboekt. Ten slotte deelde zij mede dat haar collega van Economische Zaken het inmiddels gereed zijnde milieu-convenant met NOGEPA aan de Kamer zal toezenden.

De Minister van Defensie bevestigde op zijn beleidsgebied verantwoordelijk te zijn voor het beheer en de taakuitoefening van het KWC en voor de operationele leiding van de Kustwacht door de Koninklijke marine. De eenduidige operationele leiding zal een adequaat functioneren van de Kustwacht zeer bevorderen. Er is overeenstemming over de functies die nodig zijn voor de uitvoering van taken door de nieuwe organisatie. De begroting, die uitgaat van het huidige takenpakket, wordt gefinancierd door de diverse participanten. Uitbreiding van het pakket kan niet ten laste komen van het defensiebudget. De participanten zullen hiervoor additionele middelen beschikbaar moeten stellen. Ook kan Defensie bezuinigingen door een van de participanten niet opvangen. Het is derhalve van groot belang om gemaakte afspraken na te komen, zeker ook omdat de rechtspositionele zekerheid van het personeel ermee gemoeid is. Bij de personele opzet van de nieuwe organisatie wordt uitgegaan van het principe dat het personeel de functies volgt. Degenen die overstappen naar Defensie, vallen onder het rechtspositiereglement van dit departement. Zij die niet overstappen vallen terug op de rechtspositionele regelingen van het departement van afkomst. Instandhouding van twee KWC's op korte afstand van elkaar vond de minister zeer inefficiënt en in strijd met de gedachte achter de totstandkoming van een gebundelde kustwacht. Niet alleen vergt zo'n opzet meer personeel, maar ook gaat het voordeel verloren dat wordt verkregen door combinatie van functies. Dit laatste speelt vooral een rol bij internationale samenwerking en bij de snelle inzet van extra marinemiddelen bij calamiteiten. Hoewel er grote verschillen per land zijn, ging de minister ervan uit dat de voorgestelde bundeling van de Kustwacht internationale samenwerking vergemakkelijkt. Verdergaande samenwerking tussen vooral de landen rond de Noordzee wordt nagestreefd, maar tot nu toe gebeurt het alleen bij «search-and-rescue-operaties». De Nederlandse en Belgische marine beschikken sinds kort in Den Helder over één operationeel centrum. Het bereiken van besparingen via internationale samenwerking achtte hij niet echt relevant.

Hoewel het doelmatig is om een aantal overheidstaken mede uit te voeren met middelen en personeel van Defensie, blijft het onderscheid tussen civiele en militaire taken gehandhaafd. In beginsel wordt niet militair opgetreden bij de uitvoering van civiele taken. Op verzoek van de Minister van Justitie kan in bijzondere gevallen militaire bijstand worden verleend. In oorlogsomstandigheden worden de taken op de Noordzee vooral uitgevoerd door Defensie.

Aanvullende gedachtenwisseling

De heer Van Waning vroeg een nadere toelichting op de rechtspositie van kustwachtpersoneel dat overgaat naar Defensie, gezien de onzekere situatie waarin het defensiepersoneel thans verkeert.

De Minister van Defensie benadrukte dat personeel dat overstapt volledig wordt beschouwd als defensiepersoneel en ook die rechtspositie krijgt. Ervan uitgaande dat de participanten hun bijdrage zullen blijven leveren, wordt de nieuwe kustwachtorganisatie niet betrokken bij verdere bezuinigingen op Defensie.

De voorzitter van de commissie,

Biesheuvel

De griffier van de commissie,

Tielens-Tripels


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), ondervoorzitter, Van den Berg (SGP), Lilipaly (PvdA), Biesheuvel (CDA), voorzitter, Reitsma (CDA), Brinkman (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Van Gijzel (PvdA), Leers (CDA), Van Heemst (PvdA), Verbugt (VVD), Van Rooy (CDA), Poppe (SP), Van 't Riet (D66), Duivesteijn (PvdA), H.G.J. Kamp (VVD), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Roethof (D66), M.B. Vos (GroenLinks), Verkerk (AOV), Van Zuijlen (PvdA), Van Waning (D66), Keur (VVD) en Hofstra (VVD).

Plv. leden: Blauw (VVD), Schutte (GPV), Van Gelder (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Dankers (CDA), Van der Linden (CDA), Zijlstra (PvdA), Terpstra (CDA), Huys (PvdA), Korthals (VVD), Esselink (CDA), Hillen (CDA), H. Vos (PvdA), Remkes (VVD), Leerkes (Unie 55+), Witteveen-Hevinga (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Aiking-van Wageningen (AOV), Valk (PvdA), Hoekema (D66), Klein Molekamp (VVD) en Te Veldhuis (VVD).

Naar boven