E
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 12 april
1999 en het nader rapport d.d. 24 juni 1999 inzake de nota van wijziging (nr.
4), aangeboden aan de Koningin door de minister van Justitie. Het advies van
de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 23 december 1998, no. 98.006147, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging
aanhangig gemaakt de nota van wijziging bij het voorstel van wet 17 213
tot vaststelling van titel 7.3 (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.
Blijkens mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 23 december 1998,
nr. 735770/98/6, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake
de bovenvermelde nota van wijziging rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 12 april 1999, nr. W03.98.0591/I, bied ik U hierbij
aan.
1. In de memorie van toelichting op het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk
Wetboek (Boek 7 (titel 7.3)) (BW) is opgemerkt dat het overweging verdient
bij de invoering van Boek 7 BW in de Invoeringswet de Wet op het centraal
testamentenregister aan te vullen met een voorschrift dat notariële akten
betreffende een aanbod tot een schenking met de strekking dat zij pas na het
overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd op dezelfde wijze als akten
van uiterste wil bij dat register moeten worden gemeld, opdat hun bestaan
na het overlijden van de schenker gemakkelijk kenbaar is. Het feit dat in
het thans voorgestelde artikel 7.3.3, lid 1, BW in plaats van een aanbod tot
schenking wordt uitgegaan van een overeenkomst tot schenking, maakt de wenselijkheid
van aanmelding niet anders. Het lijkt daarom zinvol dat wordt voorzien in
een voorschrift dat de notariële akte van schenking bij het testamentenregister
moet worden aangemeld. De Raad van State adviseert hieraan in de toelichting
aandacht te schenken.
1. In de toelichting bij onderdeel A onder a is aandacht geschonken aan
de wenselijkheid van een voorschrift als genoemd door de Raad van State.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het
advies behorende bijlage.
2. Met de redactionele kanttekeningen is rekening gehouden. De tweede
kanttekening is niet overgenomen. Wanneer een verzekeringsuitkering gedeeltelijk
geldt als nakoming van een gewone verbintenis en gedeeltelijk als gift, ligt
het namelijk voor de hand om het bedrag van een door de verzekeraar te
verrichten inhouding pas in de laatste plaats ten laste te brengen van het
gedeelte dat strekt tot nakoming van die verbintenis (zie kamerstukken II
1981/82, 17 213, nr. 3, blz. 18). De redactie van artikel 7.3.12c lid
3 is nog enigszins verduidelijkt.
De Raad van State geeft in overweging de nota van wijziging aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal te zenden, nadat aan het vorenstaande aandacht zal
zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken in te stemmen met toezending van de nota van wijziging
en de toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 april 1999, no.
W03.98.0591/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
– In onderdeel A, onder h, overeenkomstig de formulering van artikel
52 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek waarnaar in de toelichting wordt
verwezen, in artikel 7.3.11, lid 1, «aan de schenker bekend was»
vervangen door: ter kennis van de schenker is gekomen.
– In onderdeel A, onder l, in artikel 7.3.12c, derde lid, in aansluiting
op de formulering van het tweede lid «komt op de waarde van de gift
in mindering» vervangen door: komt op de waarde van de rechten op uitkering
in mindering.