Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1996-1997
Kamerstuk 17141 nr. 21

Gepubliceerd op 14 mei 1997
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



17 141
Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte (wijziging van Boek 4)

nr. 21
VIJFDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 29 april 1997

Het nader gewijzigd voorstel van wet (stuk nr. 14) wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

Titel 2A komt te luiden:

TITEL 2A

HET ERFRECHT BIJ VERSTERF VAN DE NIET VAN TAFEL EN BED GESCHEIDEN ECHTGENOOT EN VAN DE KINDEREN ALSMEDE ANDERE WETTELIJKE RECHTEN

AFDELING 1

Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen

Artikel 1. 1. De nalatenschap van de erflater die een echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt overeenkomstig de volgende leden verdeeld.

2. De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor zijn rekening. Onder schulden van de nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.

3. Ieder van de kinderen verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een geldvordering ten laste van de echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. Deze vordering is opeisbaar indien:

a. de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard;

b. de echtgenoot is overleden.

4. De in lid 3 bedoelde geldsom wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben bepaald, vermeerderd met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, bij welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt genomen.

5. In deze titel wordt onder echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed gescheiden echtgenoot.

Artikel 2. 1. Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 1 is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap.

2. Voor andere schulden van de echtgenoot neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de aan de echtgenoot krachtens artikel 1 lid 2 toebehorende goederen rang na degenen die verhaal nemen wegens een schuld der nalatenschap.

3. Indien de nalatenschap overeenkomstig artikel 1 is verdeeld, kunnen de goederen van een kind niet voor de schulden van de nalatenschap worden uitgewonnen. Uitwinning is wel mogelijk indien het de in artikel 1 lid 3 bedoelde geldvordering betreft, alsmede voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen.

Artikel 3. 1. Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 1 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Indien bij de vaststelling van de in artikel 1 lid 3 bedoelde geldvordering:

a. omtrent de waarde van de goederen en de schulden van de nalatenschap is gedwaald en daardoor een erfgenaam voor meer dan een vierde is benadeeld,

b. het saldo van de nalatenschap anderszins onjuist is berekend, dan wel

c. de geldvordering niet is berekend overeenkomstig het deel waarop het kind aanspraak kon maken,

wordt de vaststelling op verzoek van een kind of de echtgenoot dienovereenkomstig door de kantonrechter gewijzigd. Op de vaststelling is hetgeen omtrent verdeling is bepaald in de artikelen 196 leden 2, 3 en 4, 199 en 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing.

3. Bij de vaststelling van de geldvordering zijn de artikelen 4.5.4.3, 3a en 4–8 van overeenkomstige toepassing.

4. De artikelen 187 en 188 van Boek 3 zijn op de verdeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4. 1. De echtgenoot en ieder kind kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap.

2. Heeft evenwel de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan is een boedelbeschrijving verplicht. Vindt de boedelbeschrijving bij onderhandse akte plaats, dan behoeft zij de goedkeuring van de kantonrechter. Deze kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte dient te geschieden. Een in dit lid bedoelde boedelbeschrijving geschiedt binnen een jaar na het overlijden van de erflater.

3. Op de boedelbeschrijving en de waardering zijn de artikelen 673–676 en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De echtgenoot en ieder kind zijn voor de toepassing van de in de vorige volzin genoemde bepalingen partij bij de boedelbeschrijving.

4. De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.

Artikel 5. 1. De echtgenoot kan, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel 1 lid 3 bedoelde geldvordering te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen.

2. Indien een kind een bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek als in artikel 7 of 9 bedoeld, dient de echtgenoot alvorens tot voldoening over te kunnen gaan, te handelen overeenkomstig artikel 12 lid 4.

3. Is het in lid 2 bedoelde kind minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft de voldoening de goedkeuring van de kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van artikel 13 lid 1.

Artikel 6. 1. De echtgenoot kan binnen drie maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is opengevallen, door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling overeenkomstig artikel 1 ongedaan maken. In naam van de echtgenoot kan de verklaring slechts krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven schriftelijke volmacht worden afgelegd.

2. De verklaring werkt terug tot het tijdstip van het openvallen der nalatenschap. Voor het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn verkregen rechten van derden, mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden geëerbiedigd. Indien de echtgenoot voor het afleggen van de verklaring op de voet van artikel 1 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden deze tussen de echtgenoot en de kinderen verrekend.

3. De omstandigheid dat de echtgenoot onder curatele staat of dat de goederen die deze uit de nalatenschap van de erflater verkrijgt onder een bewind vallen, staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid niet in de weg. De bevoegdheid wordt alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot in staat van faillissement verklaard dan wel is aan hem surséance van betaling verleend, dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de curator, onderscheidenlijk door de echtgenoot met medewerking van de bewindvoerder.

Artikel 7. Indien een kind overeenkomstig artikel 1 lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.

Artikel 8. Indien een kind overeenkomstig artikel 1 lid 3 een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de nalatenschap van de langstlevende ouder niet overeenkomstig artikel 1 verdeeld, dan rust de in de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen van de langstlevende ouder.

Artikel 9. Indien een kind overeenkomstig artikel 1 lid 3 een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt, tenzij de stiefouder daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.

Artikel 10. Indien een kind overeenkomstig artikel 1 lid 3 een geldvordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is overleden, zijn diens erfgenamen verplicht aan het kind op diens verzoek goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging.

Artikel 11. 1. Op het in de artikelen 7 en 9 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien verstande dat:

a. de echtgenoot is vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als bedoeld in artikel 205 lid 4, alsmede van het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 206 lid 1, en artikel 206 lid 2 niet van toepassing is;

b. een machtiging als bedoeld in artikel 212 lid 3 ook gegeven kan worden voor zover de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot of de nakoming van zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 1 lid 2 dit nodig maakt.

2. De kantonrechter kan op de in lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek van de echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering als bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen. Bij de beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.

3. Op het tijdstip van vervreemding en vertering verkrijgt de hoofdgerechtigde een vordering op de echtgenoot ter grootte van de waarde die het te vervreemden en te verteren goed op dat tijdstip had. Op de vordering zijn de leden 3 en 4 van artikel 1 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in artikel 1 lid 4 bedoelde vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip van vervreemding en vertering.

4. Bij de vestiging van het vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen worden getroffen door de echtgenoot en de hoofdgerechtigde, dan wel door de kantonrechter op verzoek van een van hen.

5. De echtgenoot is niet bevoegd het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren.

6. Het vruchtgebruik kan niet worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake van schulden als bedoeld in artikel 4.1.3e onder a-f. De uitwinning is echter niet toegelaten, indien de echtgenoot of een hoofdgerechtigde niet met vruchtgebruik belaste goederen, uit de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap afkomstig, aanwijst die voldoende verhaal bieden.

Artikel 12. 1. De in de artikelen 7, 8, 9 en 10 bedoelde verplichting tot overdracht betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van de erflater of van de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanige goederen in de plaats zijn gekomen. Indien een goed is verkregen met middelen die voor minder dan de helft afkomstig zijn uit de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap, valt zij niet onder de in de vorige zin bedoelde verplichting. Een goed dat behoort tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, wordt vermoed deel te hebben uitgemaakt van die nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap of voor zodanig goed in de plaats te zijn gekomen. De verplichting tot overdracht heeft geen betrekking op goederen die van de zijde van de stiefouder in de gemeenschap zijn gevallen.

2. De waarde van de goederen, vast te stellen naar het tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste plaats in mindering gebracht op de aan het kind verschuldigde geldsom, vervolgens op de verhoging. Voor de toepassing van de artikelen 7 en 9 wordt de waarde van de goederen vastgesteld zonder daarbij het vruchtgebruik in aanmerking te nemen.

3. Een kind dat voornemens is een in de artikelen 7, 8, 9 en 10 bedoeld verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen die een dergelijk verzoek kunnen doen, op een zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te stellen dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens een verzoek te doen.

4. Degene die tot overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een kind een redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek als bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10 kan worden gedaan. Gaat hij daartoe over dan stelt hij ook de andere kinderen die een zodanig verzoek kunnen doen daarvan in kennis.

5. Bestaat tussen degene die tot overdracht van goederen verplicht is en het kind, of tussen twee of meer kinderen geen overeenstemming over de overdracht van een goed, dan beslist op verzoek van een hunner de kantonrechter, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen. Tegen de beslissing staat geen ander rechtsmiddel open dan cassatie in het belang der wet.

6. Voor zover een kind de in artikel 1 lid 3 bedoelde vordering aan een andere persoon overdraagt, gaat de in de artikelen 7, 8, 9 en 10 bedoelde bevoegdheid teniet.

Artikel 13. 1. Indien een minderjarig kind een bevoegdheid heeft als in de artikelen 7, 8, 9 en 10 bedoeld, dient zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen drie maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid aan de kantonrechter schriftelijk zijn voornemen met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze termijn vanaf de dag van de benoeming. De kantonrechter verleent zijn goedkeuring aan het voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van het kind, de andere kinderen aan wie de bevoegdheid eveneens toekomt en van degene jegens wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan de goedkeuring voorwaarden verbinden. Zo nodig neemt de kantonrechter een eigen beslissing.

2. Hetzelfde geldt indien het kind meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 1 lid 3 bedoelde geldvordering onder een bewind, dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor het desbetreffende bewind gelden. Is het kind in staat van faillissement verklaard dan wel aan hem surséance van betaling verleend, dan rust de verplichting op de curator, onderscheidenlijk op het kind met medewerking van de bewindvoerder.

3. Indien met goedkeuring van de kantonrechter is afgezien van het doen van een verzoek als genoemd in de artikelen 7, 8, 9 en 10, kan zodanig verzoek nadien niet alsnog worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de kantonrechter anders bepalen.

Artikel 14. Bij uiterste wilsbeschikking kan de erflater bepalen dat een stiefkind in een verdeling als bedoeld in artikel 1 als eigen kind wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling van toepassing, behoudens voor zover de erflater anders heeft bepaald. De afstammelingen van het stiefkind worden bij plaatsvervulling geroepen.

AFDELING 2

Andere wettelijke rechten

Artikel 1. 1. Indien de woning die de echtgenoot van de erflater bij diens overlijden bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater, anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam, is de echtgenoot jegens de erfgenamen bevoegd tot voortzetting van de bewoning gedurende een termijn van zes maanden onder gelijke voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is op gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot voortzetting van het gebruik van de inboedel, voor zover die tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de erflater ten gebruike toekwam.

2. Jegens de erfgenamen en de echtgenoot van de erflater hebben degenen die tot diens overlijden met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot het gebruik van de woning en de inboedel die tot de nalatenschap behoren.

Artikel 2. 1. Voor zover de echtgenoot van de erflater tengevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap van de erflater behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op die woning en die inboedel ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze dit van hen verlangt.

2. Zolang de echtgenoot een beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet bevoegd tot beschikking over die goederen, noch tot verhuring of verpachting daarvan; gedurende dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts worden uitgewonnen voor de in artikel 4.1.3e onder a–f genoemde schulden. Het in de vorige zin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.

Artikel 3. 1. De erfgenamen zijn verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 2 ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging – daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 6 lid 2 op hem rustende verplichtingen – behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt.

2. Lid 1 is mede van toepassing met betrekking tot hetgeen moet worden geacht in de plaats te zijn gekomen van goederen van de nalatenschap.

3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de legatarissen en de door een testamentaire last bevoordeelden met betrekking tot de goederen die zij als zodanig uit de nalatenschap hebben verkregen.

4. De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik in aanmerking komen.

5. Voor zover de erflater de in het vorige lid toegekende bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een testamentaire last verkregen goederen slechts voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking, indien de overige goederen der nalatenschap tot verzorging van de echtgenoot onvoldoende zijn. Voor zover een making is te beschouwen als voldoening aan een natuurlijke verbintenis van de erflater, komt zij pas na de andere makingen voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking.

6. Voor zover de echtgenoot en degenen die hun medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot overeenstemming kunnen komen over de goederen waarop dit zal komen te rusten, gelast op verzoek van een hunner de kantonrechter de aanwijzing van die goederen of wijst zij deze zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van ieder van hen.

7. Bij de bepaling van de behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de echtgenoot toekomt, in mindering gebracht hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit de nalatenschap had kunnen verkrijgen met uitzondering van het vruchtgebruik dat hij ingevolge het vorige artikel had kunnen doen vestigen. Voorts komt daarop in mindering hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

Artikel 4. 1. Op het vruchtgebruik ingevolge de artikelen 2 en 3 is artikel 11 van afdeling 1 van overeenkomstige toepassing.

2. De mogelijkheid om aanspraak te maken op vestiging van het vruchtgebruik vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk voor de toepassing van artikel 2 zes maanden en voor de toepassing van artikel 3 een jaar na het overlijden van de erflater heeft verklaard op de vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te maken.

3. De rechtsvordering ingevolge de artikelen 2 en 3 verjaart door verloop van een jaar en drie maanden na het openvallen der nalatenschap.

Artikel 5. 1. De kantonrechter kan op verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:

a. aan die hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik belast goed uit de nalatenschap, al dan niet onder de last van het vruchtgebruik, toedelen;

b. het vruchtgebruik van een of meer goederen beëindigen;

c. aan het vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen;

d. het vruchtgebruik in het belang van de hoofdgerechtigde onder bewind stellen.

2. De kantonrechter kan onverminderd lid 1 op verzoek van een hoofdgerechtigde het vruchtgebruik ook beëindigen, voor zover de echtgenoot daaraan, de omstandigheden in aanmerking genomen, voor zijn verzorging, daaronder begrepen de nakoming van de overeenkomstig artikel 6 lid 2 op hem rustende verplichtingen, geen behoefte heeft.

3. De andere hoofdgerechtigden worden in het geding geroepen. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.

Artikel 6. 1. Een kind van de erflater kan aanspraak maken op een som ineens, voor zover deze nodig is voor:

a. zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren, indien op de erflater ten tijde van zijn overlijden een afdwingbare verplichting rustte om in de kosten daarvan te voorzien; en voorts voor:

b. zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van een en twintig jaren, indien op de erflater op grond van artikel 395a lid 1 van Boek 1 de verplichting rustte of zou komen te rusten om te voorzien in de kosten daarvan.

2. De som ter zake van de verzorging en opvoeding komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de erflater krachtens wet of overeenkomst is gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De som ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1 verplicht is om in de kosten daarvan te voorzien.

3. Op de som ineens komt in mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt.

Artikel 7. 1. Een kind, stiefkind, pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de erflater dat in diens huishouding of in het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens, strekkend tot een billijke vergoeding.

2. Op de som komt in mindering hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft ontvangen of krachtens making of sommenverzekering op het leven van de erflater verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover dat als een beloning voor zijn werkzaamheden kan worden beschouwd.

Artikel 8. 1. Degene die krachtens de artikelen 6 en 7 aanspraak maakt op een som ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien de rechthebbende niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk negen maanden na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen.

2. De vordering is niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater. Indien de erflater een echtgenoot achterlaat, is de vordering van degene die krachtens artikel 7 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van die echtgenoot.

3. De rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor degene die krachtens artikel 7 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot.

4. De sommen ineens bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde der nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan zij elk een evenredige vermindering. Onder de waarde der nalatenschap wordt in dit artikel verstaan de waarde van de goederen der nalatenschap, verminderd met de in artikel 4.1.3e lid 1 onder a–e vermelde schulden.

5. De voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte der nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 4.3.3.12 lid 2, aanhef en onder a, is op een inkorting van overeenkomstige toepassing.

6. Geschillen over de toepassing van de beide voorgaande artikelen en het onderhavige artikel worden op verzoek van de meest gerede partij beslist door de kantonrechter.

Artikel 9. 1. Onverminderd het in artikel 4.5.4.8a bepaalde kan de kantonrechter, op verzoek van een kind of stiefkind van de erflater, mits daardoor een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.

2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van aandelen in een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen hield, indien het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is of nadien die positie van de erflater voortzet.

3. Het vorige lid is slechts van toepassing voor zover de statutaire regels omtrent overdracht van aandelen zich daartegen niet verzetten.

4. Het recht om een overdracht als in de leden 1 en 2 bedoeld te vorderen, vervalt na verloop van een jaar na het overlijden van de erflater.

5. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de echtgenoot van de erflater een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het vruchtgebruik van de desbetreffende goederen heeft of kan verkrijgen.

Artikel 10. Degene aan wie een in de artikelen 2–7 en 9 bedoeld recht toekomt en niet erfgenaam is, heeft dezelfde bevoegdheden als in artikel 4.3.3.9 aan een legitimaris worden toegekend.

Artikel 11. Bij uiterste wilsbeschikking kan van het in deze afdeling bepaalde niet worden afgeweken.

B. In artikel I worden voorts de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In artikel 4.1.3d worden de woorden «rust of» geschrapt.

2. In artikel 4.1.3e lid 2 vervalt «4.2A.1.7 lid 3,». De vermelding «4.2A.2.7 lid 3» wordt vervangen door: 4.2A.2.8 lid 4.

3. In artikel 4.3.3.8 lid 3 wordt achter «sommenverzekering» toegevoegd: die geen pensioenverzekering is en.

4. In artikel 4.3.3.8ga worden de woorden «rust of» geschrapt.

5. In artikel 4.3.3.11 lid 4 vervalt «artikel 4.2A.1.1 of». De woorden «met dit laatste» worden vervangen door: daarmee.

6. De woorden «Een nieuw artikel 4.4.2.1a wordt toegevoegd, luidende», alsmede het voorgestelde nieuwe artikel 4.4.2.1a vervallen.

7. In artikel 4.4.2.2a vervalt de voorgestelde wijziging van de eerste volzin.

8. De woorden «Aan artikel 4.4.5.1 wordt een derde lid toegevoegd, luidende», alsmede het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 4.4.5.1 vervallen.

9. Het voorgestelde vierde lid van artikel 4.4.5.4, alsmede de daaraan voorafgaande woorden «Aan het artikel wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:» vervallen.

10. In artikel 4.4.6.5c vervalt «afdeling 4.2A.1 of».

11. In artikel 4.4.7.1 lid 1 vervalt «, daaronder mede begrepen het vruchtgebruik dat zijn echtgenoot krachtens afdeling 4.2A.1 toekomt».

12. In artikel 4.4.7.1a vervalt de tweede volzin.

13. In artikel 4.4.7.1t lid 2 vervalt de tweede volzin.

14. In artikel 4.4.7.1u vervalt het tweede lid. De cijfers 3 en 4, vóór het derde onderscheidenlijk het vierde lid, komen te luiden: 2 onderscheidenlijk 3.

15. In artikel 4.4.7.1v vervalt de derde vermelding van het woord «dan».

16. In artikel 4.4.7.1w lid 2 vervalt de zinsnede «dan wel van het wettelijk vruchtgebruik,».

17. In AFDELING 4.5.1 wordt vóór de wijziging van artikel 4.5.1.2 ingevoegd:

Artikel 4.5.1.1 lid 1 komt te luiden:

1. Met het overlijden van de erflater volgen zijn erfgenamen op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap tenzij de nalatenschap ingevolge artikel 4.2A.1.1 wordt verdeeld.

18. De voorgestelde wijziging van artikel 4.5.1.3 komt te luiden:

Artikel 4.5.1.3 lid 2 onder a komt te luiden:

a. zuiver aanvaardt, en onverminderd het bepaalde in artikel 4.2A.1.2 lid 3;

Lid 3 wordt vernummerd tot lid 4, waarbij de woorden «het vorige lid» worden vervangen door «lid 2».

Toegevoegd wordt een nieuw lid 3, luidende:

3. In ieder geval kunnen, wanneer uit de nalatenschap een uitkering heeft plaatsgevonden aan een erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, de schuldeisers van de nalatenschap zich op het vermogen van die erfgenaam verhalen tot de waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap heeft verkregen. Artikel 4.5.3.14 lid 1 vindt daarbij overeenkomstige toepassing.

Toegevoegd wordt een vijfde lid, luidende:

5. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting van een erfgenaam tot nakoming van een last die bestaat uit een uitgave van geld of van een goed dat niet tot de nalatenschap behoort.

19. In artikel 4.5.1.5a lid 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht.

Onderdeel b komt te luiden:

b. dat al dan niet aan de echtgenoot van de erflater het vruchtgebruik van een of meer tot de nalatenschap behorende goederen krachtens afdeling 4.2A.2 toekomt, met vermelding van zijn bevoegdheden;

Onder omzetting van de onderdelen c en d tot de onderdelen d en e wordt na onderdeel b een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:

c. dat de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 4.2A.1.1, met vermelding of en tot welk moment de echtgenoot de bevoegdheid toekomt als bedoeld in artikel 4.2A.1.6 lid 1;

20. In artikel 4.5.2.5 lid 2 vervalt «artikel 4.2A.1 of».

TOELICHTING

Algemeen

Deze nota van wijziging bevat de uitwerking van de notitie «De positie van de langstlevende echtgenoot en van de kinderen in een nieuw versterf-erfrecht» van 27 maart 1996 (kamerstukken II 1995/96, 24 665, nr. 1). Bij de opstelling van de nota van wijziging is rekening gehouden met de opmerkingen en vragen die de leden van de Commissie voor Justitie in het algemeen overleg over de notitie op 15 mei 1996 hebben gesteld (kamerstukken II 1995/96, 24 665, nr. 2). Overeenkomstig de uitkomst van dat overleg is de wijziging beperkt tot de regeling van de positie van de langstlevende echtgenoot en de kinderen. Gestreefd is naar een regeling, waarin op evenwichtige wijze met de belangen van de langstlevende echtgenoot en van de kinderen rekening wordt gehouden, die aansluit bij de maatschappelijke realiteit, niet onnodig conflicten in familieverhoudingen oproept en geen onzekerheid in het rechtsverkeer met derden teweeg brengt.

Omtrent de nota van wijziging zijn de Commissie Erfrecht van de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB), alsmede andere vooraanstaande deskundigen op het gebied van het erfrecht geraadpleegd. Het bestuur van de KNB heeft mij meegedeeld dat de Commissie Erfrecht, Prof. mr. E.A.A. Luijten en Prof. mr. M.J.A. van Mourik, die in 1993 gezamenlijk een eigen ontwerp voor een nieuwe wettelijke regeling opstelden, over deze nota van wijziging een positief oordeel hebben.

Over de fiscale aspecten van de in deze nota voorgestelde regeling zal ik mede namens de Staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer op zo kort mogelijke termijn bij afzonderlijke brief berichten.

Hoofdlijnen van de nota van wijziging

a. Wettelijke verdeling

Het voorgestelde stelsel houdt een wettelijke verdeling in, voor het geval de erflater een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en een of meer kinderen als erfgenamen achterlaat. De echtgenoot verkrijgt van rechtswege en rechtstreeks alle goederen van de nalatenschap. Daartegenover staat dat de echtgenoot voor het geheel van de schulden van de nalatenschap aansprakelijk is, en deze de schulden voor zijn rekening dient te voldoen. De kinderen verkrijgen als erfgenaam slechts een niet opeisbare geldvordering ten laste van de echtgenoot, waarvan de hoogte overeenkomt met de waarde van hun erfdeel in de nalatenschap. Deze beperking van de erfrechtelijke positie van het kind ten opzichte van het huidige versterf-erfrecht vindt haar rechtvaardiging in de voorrang die de voortzetting van het bestaande leefpatroon van de langstlevende echtgenoot behoort te krijgen en in het vooruitzicht van de kinderen, dat bij diens overlijden de overgebleven goederen toch aan hen zullen toekomen. Voor de gevallen waarin dit uitzicht op goederen voor de kinderen ontbreekt of door hertrouwen van de langstlevende ouder vermindert, wordt de kinderen een voorziening geboden in de vorm van wilsrechten met betrekking tot die goederen. Deze voorziening is voor de kinderen ook van belang omdat de wilsrechten zekerheid kunnen bieden voor de nakoming van hun geldvordering. Aan wilsrechten is eigen, dat daarvan gebruik kán worden gemaakt, namelijk wanneer de wilsgerechtigde daarvoor kiest.

De geldvordering is opeisbaar indien de echtgenoot is overleden dan wel deze in staat van faillissement is verklaard. De niet opeisbaarheid is een direct gevolg van het uitgangspunt dat de langstlevende verzorgd moet achterblijven en zoveel mogelijk het bestaande leefpatroon kan voortzetten.

De eigen goederen van de kinderen kunnen, net als in het KNB-ontwerp (gepubliceerd in WPNR 6096, uit 1993), niet voor de schulden van de nalatenschap worden uitgewonnen. Een uitzondering wordt gemaakt indien de kinderen in verband met hun erfgenaamschap goederen hebben verkregen. Uitwinning is mogelijk van de geldvordering op de echtgenoot, terwijl uitwinning verder mogelijk is voor zover op die vordering – in geld of goederen – is betaald.

De beperkte aansprakelijkheid van de kinderen past bij hun verkrijging van een niet opeisbare geldvordering. Alleen indien de kinderen door uitoefening van een wilsrecht goederen verkrijgen, dan wel betaling ontvangen op hun vordering, kunnen de schulden van de nalatenschap op hun vermogen worden verhaald, doch slechts tot de waarde van hetgeen door hen van de echtgenoot werd ontvangen. Indien verdergaand verhaal op de goederen van de kinderen zou worden opengesteld, zouden zij in veel gevallen tot beneficiaire aanvaarding worden genoodzaakt.

Het bedrag van de geldvordering wordt van rechtswege verhoogd voor zover de wettelijke rente hoger is dan 6%, ten einde een zekere inflatiecorrectie te bewerkstelligen.

b. Wilsrechten

In de situatie dat de kinderen erfgenaam zijn tezamen met hun eigen ouder, en deze ouder niet opnieuw in het huwelijk treedt, zullen bij het overlijden van die ouder, de nog resterende goederen aan de kinderen toevallen. Treedt de langstlevende ouder opnieuw in het huwelijk, dan ontstaat er verandering in het uitzicht van de kinderen op de goederen. Wanneer de eigen ouder op een eerder tijdstip overlijdt dan de stiefouder, zullen de goederen (bij vererving bij versterf) naar de stiefouder gaan. Bovendien neemt alsdan de kans toe dat eerder over die goederen wordt beschikt of dat deze eerder worden vervreemd omdat de goederen niet meer uitsluitend aan de eigen ouder toebehoren. Zulks kan ook betekenen dat betaling van de geldvordering, eenmaal opeisbaar geworden, in het gedrang kan komen.

De testamentaire praktijk kent voor deze situatie ten behoeve van de kinderen voorzieningen ter verzekering van hun niet opeisbare geldvordering. De nota van wijziging bevat daartoe eveneens een voorziening, en wel in de vorm van een wilsrecht. Door uitoefening van dit recht kan een kind rechthebbende worden op goederen waarvan de langstlevende ouder tot dusverre rechthebbende is. Op die goederen komt dan in de regel ten behoeve van die ouder een vruchtgebruik te rusten. De ouder behoudt hierdoor het gebruik en het genot van de goederen. Indien zijn verzorgingsbehoefte dit noodzakelijk maakt, kan een vervreemdings- en verteringsbevoegdheid worden gegeven. Indien de echtgenoot op het vruchtgebruik geen prijs stelt, blijft vestiging daarvan achterwege.

Indien een kind erft tezamen met zijn stiefouder gaat het uitzicht op goederen verloren. De kinderen zijn immers in het geval dat de stiefouder komt te overlijden niet diens erfgenamen bij versterf. Die kinderen verkrijgen bij het overlijden van de eigen ouder een niet opeisbare geldvordering jegens de stiefouder en tevens een wilsrecht. Als het kind van zijn wilsrecht gebruik maakt wordt het rechthebbende op het goed, en verkrijgt de stiefouder, tenzij hij daarop geen prijs stelt, een vruchtgebruik.

Voor de gevallen waarin een geldvordering opeisbaar wordt en van de zojuist genoemde wilsrechten geen gebruik is gemaakt, geeft het voorstel eveneens wilsrechten. Dit zal zich voordoen bij het overlijden van de langstlevende eigen ouder of stiefouder. Indien het kind zulks wenst kan het voldoening van zijn opeisbare geldvordering in goederen verlangen. Dit wilsrecht wordt toegekend omdat in die situaties een kind krachtens versterferfrecht geen rechthebbende is op de goederen.

Wilsrechten kunnen ook aan minderjarigen toekomen. In zodanige situatie dient de wettelijke vertegenwoordiger van het kind zijn voornemen met betrekking tot de uitoefening van het wilsrecht aan de kantonrechter ter goedkeuring voor te leggen. Een zelfde regel geldt in geval het een meerderjarige betreft, die het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft.

Ik heb mij rekenschap gegeven van de vraag of de wilsrechten van dwingend recht dienen te zijn. Het aanhangige wetsvoorstel, dat van rechtswege vruchtgebruik doet ontstaan op de kindsdelen, is ter zake niet dwingendrechtelijk van aard. De nota van wijziging geeft aan kinderen in stiefoudersituaties een specifieke bescherming. Juist vanwege het specifieke karakter zou het op zich goed denkbaar zijn dat de voorziening van dwingend recht wordt gemaakt. Deze opzet zou ook kunnen bijdragen aan goede familieverhoudingen, juist omdat dan niet anders kan worden beschikt. Daar staat weer tegenover dat een dwingendrechtelijke voorziening onder omstandigheden een benadering die beter bij een concrete situatie zou passen juist in de weg kan staan.

Ik ga ervan uit dat de notaris bij zijn advisering zich in de regel bij de onderhavige regeling zal aansluiten en alleen dan afwijkende voorzieningen zal aanbevelen indien de concrete situatie van de erfgenamen daartoe werkelijk aanleiding geeft. Zo gezien kom ik voorshands tot de conclusie dat de wilsrechten niet van dwingend recht behoeven te zijn.

c. Enige andere aspecten van afdeling 1 van titel 2A

De echtgenoot verkrijgt volgens de voorgestelde regeling van rechtswege de goederen. Deze kan hierdoor het bestaande leefpatroon zonder belemmeringen voortzetten. Het vruchtgebruik dat in geval van uitoefening van een wilsrecht op goederen kan komen te rusten is zodanig ingericht, dat aan een eventuele verzorgingsbehoefte van de echtgenoot tegemoet wordt gekomen. Voor het merendeel van de situaties waarin een echtgenoot tezamen met kinderen erft, is dit een adequate voorziening.

Omdat de kinderen als erfgenaam verkrijgen, kunnen zij de nalatenschap aanvaarden maar ook verwerpen.

Aan erfgenamen worden ook buiten Boek 4 bevoegdheden toegekend, zie de artikelen 1:212 en 213 BW (art. 1:211 in wetsvoorstel 24 649), maar bijvoorbeeld ook de artikelen 7A:1623i lid 6 en 1632 BW.

In het wetsvoorstel is ook een voorziening opgenomen voor het geval de echtgenoot de wettelijke verdeling niet wenst. De echtgenoot kan bij notariële akte de wettelijke verdeling ongedaan maken. Gaat deze daartoe over dan leidt dit tot een gemeenschap waarop de bepalingen van titel 3.7 BW direct van toepassing zijn.

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat ouders hun stiefkind op erfrechtelijk gebied op gelijke voet als de eigen kinderen wensen te behandelen. Het voorstel opent de mogelijkheid bij uiterste wilsbeschikking een stiefkind bij de wettelijke verdeling te betrekken.

d. Afdeling 2 van titel 2A

Afdeling 2 van de nieuwe titel 2A bevat andere wettelijke rechten. Deze afdeling komt in belangrijke mate overeen met het aanhangige voorstel.

Een verschil is dat, indien de echtgenoot is onterfd, deze in ieder geval een recht heeft op het vruchtgebruik niet alleen van de inboedel maar ook van de tot de nalatenschap behorende woning die zij ten tijde van het overlijden van erflater bewoont (zie art. 4.2A.2.2). Deze uitbreiding is ontleend aan het KNB-ontwerp.

Met betrekking tot opvolging in het beroep of bedrijf van de erflater bevat het aanhangige wetsvoorstel reeds een voorziening, die de echtgenoot of andere erfgenamen die het beroep of bedrijf voortzetten bevoegd maakt tot overneming van de daaraan dienstbare goederen tegen een passende prijs (art. 4.5.4.8a). In overeenstemming met het KNB-ontwerp is een bepaling opgenomen die de overname van zulke goederen ook mogelijk maakt wanneer de echtgenoot of de kinderen die het beroep of bedrijf voortzetten zijn onterfd, of wanneer erflater de desbetreffende goederen aan een derde heeft vermaakt.

Artikelen

Artikel 1

Dit artikel geeft de hoofdregel van het nieuwe wettelijke stelsel weer. Dit stelsel houdt een wettelijke verdeling in, krachtens welke de echtgenoot van rechtswege alle goederen van de nalatenschap verkrijgt. De kinderen verkrijgen uit hoofde van deze wettelijke verdeling als erfgenaam een in beginsel niet opeisbare geldvordering op de echtgenoot, waarvan de omvang gelijk is aan hun erfdeel in de nalatenschap. In aansluiting op deze wettelijke verdeling van de goederen, geeft artikel 1 lid 2 een regeling met betrekking tot de draagplicht voor de schulden van de nalatenschap. In artikel 2 worden ten aanzien van de aansprakelijkheid voor en de verhaalbaarheid van de schulden nadere regels gegeven.

Lid 1

De verdeling van de nalatenschap volgens artikel 1 geschiedt indien de erflater als erfgenamen een echtgenoot en een of meer kinderen achterlaat. Wanneer een kind is onterfd, neemt dat kind niet deel aan de verdeling ingevolge dit artikel. Is de echtgenoot onterfd, dan vindt geen wettelijke verdeling plaats.

Onder «kinderen», in lid 1, zijn begrepen hun afstammelingen die bij plaatsvervulling opkomen (zie art. 4.2.2 lid 2 en art. 4.2.6). Ingevolge artikel 14 van afdeling 1 is een erflater bevoegd bij uiterste wilsbeschikking een stiefkind bij de wettelijke verdeling te betrekken als een eigen kind.

Ingevolge lid 1 verkrijgen de erfgenamen krachtens een wettelijke verdeling van rechtswege de in de leden 2 en 3 genoemde goederen. Omdat op deze wettelijke verdeling de artikelen 166–200 van Boek 3 niet van toepassing zijn, geeft artikel 3 een op deze verdeling toegesneden voorziening.

Lid 2

De echtgenoot verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap. Levering van de goederen is derhalve niet vereist.

Voor het begrip schulden van de nalatenschap zij verwezen naar artikel 4.1.3e lid 1. Onder die schulden zijn ook begrepen de schulden uit belastingen die terzake van het openvallen van de nalatenschap worden geheven. Dit houdt onder meer in dat voor rekening van de echtgenoot ook een door een kind verschuldigd successierecht of recht van overgang komt, en dat met deze belasting bij het bepalen van de hoogte van de vordering van de kinderen wordt rekening gehouden. Dit laatste geldt overigens voor alle in artikel 4.1.3e lid 1 onder a–g genoemde schulden.

De uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten die ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komen, zijn apart genoemd, omdat in het stelsel van Boek 4 deze lasten niet als schulden van de nalatenschap worden beschouwd.

Lid 3

De kinderen verkrijgen, eveneens van rechtswege, een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot, waarvan de waarde met hun erfdeel overeenkomt. Voor de berekening van de waarde van een erfdeel dient allereerst de totale waarde van de goederen van de nalatenschap te worden bepaald. Op het aandeel van het kind daarin wordt vervolgens zijn deel van de nalatenschapsschulden in mindering gebracht, dat wil zeggen het gedeelte van de schulden dat zonder de wettelijke verdeling voor rekening van het kind zou zijn gekomen. Aldus wordt voor de bepaling van de geldvorderingen zowel rekening gehouden met de op alle erfgenamen rustende schulden, als voor iedere erfgenaam afzonderlijk met de specifiek op hem of haar rustende schulden, zoals die terzake van het successierecht, waarbij rekening wordt gehouden met de voor de desbetreffende erfgenaam geldende vrijstellingen en tarieven.

De geldvordering van de kinderen is in beginsel niet opeisbaar. De niet opeisbaarheid is een direct gevolg van het uitgangspunt dat de langstlevende verzorgd moet achterblijven en zoveel mogelijk het bestaande leefpatroon kan voortzetten. Evenals in het aanhangige wetsvoorstel (zie kamerstukken II 1992/93, 17 141, nr. 12, blz. 34) is het mogelijk bij uiterste wilsbeschikking ook andere opeisbaarheidsgronden op te nemen.

Lid 4

Het kan jaren duren voordat de vordering van de kinderen opeisbaar wordt. De door de echtgenoot aan de kinderen verschuldigde geldsom wordt daarom van rechtswege verhoogd teneinde een zekere inflatiecorrectie te bereiken. De rekenmaatstaf (wettelijke rente minus zes procent) is ontleend aan artikel 4.2A.1.12 lid 6 van het aanhangige wetsvoorstel. Deze inflatiecorrectie lijkt passend, óók teneinde te voorkomen dat kinderen zich genoopt zullen voelen tot uitoefening van hun wilsrechten over te gaan. Het bedrag van de verhoging wordt op zijn beurt niet met de correctieverhoging vermeerderd.

De erflater, maar ook de echtgenoot en het kind tezamen bij overeenkomst, kunnen wel een andere aanpassingsmaatstaf bepalen, of van aanpassing van de geldsom geheel afzien. Ook als de erflater bij uiterste wilsbeschikking van de wettelijke maatstaf is afgeweken, kunnen de echtgenoot en het kind de maatstaf (nogmaals) aanpassen.

Lid 5

Zowel in afdeling 1 als in afdeling 2 wordt onder echtgenoot overal uitsluitend verstaan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot.

Artikel 2

Dit artikel geeft enige regels met betrekking tot de schulden van de nalatenschap. Deze regels betreffen met name de externe werking van de toedeling van de schulden aan de echtgenoot. Tegenover de schuldeisers is de echtgenoot aansprakelijk. De kinderen zijn eveneens voor de nalatenschapsschulden aansprakelijk, doch deze schulden kunnen niet op hun eigen goederen worden verhaald behoudens voor zover lid 3 van toepassing is. Indien de kinderen door een schuldeiser van de nalatenschap worden aangesproken tot nakoming van een nalatenschapsschuld, zijn zij bevoegd de schuldeiser naar de echtgenoot te verwijzen. Dit ligt voor de hand omdat de echtgenoot rechthebbende is op de goederen waaruit deze schuld behoort te worden voldaan. Ook jegens de kinderen is de echtgenoot verplicht de nalatenschapsschulden te voldoen.

Lid 1

Deze bepaling vestigt een zelfstandige aansprakelijkheid van de echtgenoot voor het geheel van de nalatenschapsschulden.

Lid 2

Als gevolg van de wettelijke verdeling verkrijgt de echtgenoot alle goederen van de nalatenschap. Deze goederen vermengen zich met de eigen goederen van deze echtgenoot. Indien ten gevolge van de vermenging voor de nalatenschapsschuldeisers het gevaar bestaat dat de schulden niet binnen redelijke tijd zullen worden voldaan (zie art. 4.5.3.4 onder b), kan de rechtbank op verzoek van de nalatenschapsschuldeisers een vereffenaar benoemen. In dat geval worden de schuldeisers van de nalatenschap uit de goederen van de nalatenschap voldaan voordat overige schuldeisers van de echtgenoot verhaal op de goederen van de nalatenschap hebben (art. 4.5.3.15). Teneinde deze voorrang ook buiten de regeling van de vereffening te realiseren, is zij in het onderhavige lid tot uitdrukking gebracht.

Lid 3

Dit artikellid geeft, evenals het KNB-ontwerp, een beperkte verhaalsaansprakelijkheid van de kinderen voor de schulden van de nalatenschap. De verhaalsaansprakelijkheid omvat niet de eigen goederen van de kinderen. Wel is verhaal mogelijk op de geldvordering van artikel 1 lid 3, nu deze krachtens erfrecht is verkregen. Verder is verhaal mogelijk wanneer op die geldvordering is betaald, zulks tot het bedrag van de betaling. Hetzelfde geldt indien een kind niet een betaling in geld doch – zoals na uitoefening van wilsrechten – in goederen heeft verkregen. Het betreft immers ook hier telkens een verkrijging krachtens erfrecht. Op grond van lid 3 kan derhalve een schuldeiser voor het geheel van zijn schuld verhaal nemen tot de waarde van hetgeen door het kind op deze wijze verkregen werd. In zoverre bevat deze bepaling een specifieke aansprakelijkheidsregeling voor de kinderen. Is de schuldeiser overeenkomstig deze regeling voldaan, dan heeft het kind voor hetgeen de schuldeiser heeft verkregen verhaal op de echtgenoot. Opmerking verdient nog dat de beperkte uitwinbaarheid van het vermogen van een kind de mogelijkheid onverlet laat dat een schuldeiser van de nalatenschap met een recht van (derden)hypotheek op een goed van een kind, overgaat tot uitwinning daarvan. In een dergelijk – zeldzaam – geval zal het kind gebruik kunnen maken van zijn in lid 1 gegeven recht om van de echtgenoot te verlangen dat deze tot voldoening van de schuldeiser overgaat.

Artikel 3

De artikelen 166 tot en met 200 van Boek 3 zijn op de wettelijke verdeling van artikel 1 niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor de bepalingen van artikel 677 tot en met 680 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vaststelling van de omvang van de uit de verdeling resulterende geldvorderingen geschiedt bij overeenkomst tussen partijen, welke overeenkomst beschouwd kan worden als een (bijzondere) vaststellingsovereenkomst. Omdat een bepaling op grond waarvan een erfgenaam zich voor de vaststelling tot de rechter kan wenden, niet gemist kan worden, is daarin in lid 1 voorzien.

Lid 2 geeft een regeling die is ontleend aan de artikelen 195 en 196 van Boek 3. De in dit lid getroffen voorzieningen zijn noodzakelijk teneinde misslagen bij de vaststelling van de omvang van de geldvordering van de kinderen te kunnen herstellen.

Aangezien artikel 4.5.4.8 de inbreng als verdelingshandeling beschouwt en hier geen verdeling door de erfgenamen plaatsvindt, dient een verwijzing naar de inbrengregeling voor de vaststelling van de omvang van de vordering te worden opgenomen (lid 3).

Artikel 4

De boedelbeschrijving bedoeld in lid 1, is van belang voor het vaststellen van de samenstelling en de waarde van de nalatenschap. Zij kan ook als basis dienen voor de vaststelling van de hoogte van de geldvordering van de kinderen. Hoewel de erfgenamen er over het algemeen goed aan zouden doen een boedelbeschrijving te maken, wordt zulks als zodanig niet dwingend voorgeschreven, mede omdat een passende sanctie op zodanig voorschrift ontbreekt (lid 1). Verlangt evenwel de echtgenoot of een kind een boedelbeschrijving dan is dit eventueel ook in rechte afdwingbaar.

Indien de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen heeft, dient wel een boedelbeschrijving te worden opgemaakt. Een boedelbeschrijving bij notariële akte is hier, anders dan onder het hier niet toepasselijke artikel 671 Rv. het geval is, niet zonder meer voorgeschreven. De mogelijkheid van boedelbeschrijving bij onderhandse akte kan vooral van belang zijn indien het vermogens van eenvoudige samenstelling of geringere omvang betreft. De kantonrechter dient de boedelbeschrijving dan wel goed te keuren (lid 2).

De opzet van afdeling 1 leidt er toe, dat een aantal bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent boedelbeschrijving van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard (lid 3).

Omdat in de desbetreffende artikelen (673–676 en 679) soms van partijen sprake is, wordt in de tweede volzin van lid 3 vastgesteld, dat zowel de echtgenoot als ieder kind partij bij de boedelbeschrijving is.

Teneinde mogelijk misverstand te vermijden is in het eerste gedeelte van lid 4 bepaald, dat de echtgenoot en ieder kind jegens elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van de bescheiden en andere gegevensdragers (vergelijk artikel 2:10 BW) die zij ter vaststelling van hun aanspraken als erfgenaam nodig hebben. Ook als het om derden gaat, zoals de bank, zijn zij jegens elkaar verplicht om medewerking te geven opdat die derden daadwerkelijk inlichtingen mogen verschaffen.

Artikel 5

Vooropgesteld wordt dat de echtgenoot te allen tijde de geldvordering (inclusief de verhoging van artikel 1 lid 4) geheel of gedeeltelijk kan betalen. Zodanige betaling impliceert geen schenking aan het kind, maar vormt nakoming van een verbintenis. Betaling staat de echtgenoot niet zonder meer vrij indien aan het kind een wilsrecht toekomt tot verkrijging van goederen, belast met vruchtgebruik. Het uitgestelde uitzicht op goederen rechtvaardigt dat hier de uitoefening van het wilsrecht voorgaat.

Indien, na het stellen van een redelijke termijn, blijkt dat het kind niet tot uitoefening van zijn wilsrecht overgaat, is nakoming overeenkomstig lid 1 mogelijk. Indien termijnstelling achterwege is gelaten, zal het kind kunnen verlangen dat hem, tegen terugbetaling van het ontvangene, alnog goederen worden overgedragen. Nietigheid van de betaling is hier niet beoogd, evenmin als bij het voorschrift van de tweede zin van artikel 12 lid 4.

Wenst het kind wèl op bepaalde goederen het wilsrecht van de artikelen 7 of 9 uit te oefenen, dan kan de echtgenoot blijkens die artikelen de desbetreffende goederen ook zonder dat daarop een vruchtgebruik wordt gevestigd aan het kind overdragen. De ratio voor de uitoefening van deze bevoegdheid is dezelfde als die voor de bevoegdheid van lid 1: indien de echtgenoot de schuldverhouding met de kinderen wenst te beëindigen dient dit in beginsel ook mogelijk te zijn. Aangezien voldoening van de geldvordering gevolgen heeft voor genoemde wilsrechten is in geval het kind minderjarig is of meerderjarig, maar het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft, de goedkeuring van de kantonrechter voorgeschreven, welke goedkeuring door de echtgenoot dient te worden verzocht.

Artikel 6

Niet altijd zal de echtgenoot behoefte hebben aan de goederen waaruit de nalatenschap bestaat. In lijn met het ontwerp van de KNB wordt de mogelijkheid geboden de verdeling overeenkomstig artikel 1 ongedaan te maken. Deze handeling is behalve aan die van een notariële akte ook gebonden aan het voorschrift van inschrijving in het boedelregister, waarvoor de notaris eveneens zal zorgdragen. Het zou onjuist zijn dat een zo ingrijpende handeling die het ongedaan maken van de verdeling is, krachtens een algemene volmacht zou kunnen geschieden (lid 1).

Door de verklaring vervalt ook de volledige aansprakelijkheid van de echtgenoot voor de schulden van de nalatenschap, bedoeld in artikel 2 lid 1. In plaats van de aansprakelijkheidsregels van dat artikel geldt nu de regel van artikel 4.5.1.1 lid 2.

Partiële ongedaanmaking van de verdeling is niet mogelijk gemaakt. Dit zou de regeling te zeer hebben gecompliceerd.

In verband met de terugwerkende kracht die aan de ongedaanmaking van de verdeling dient te zijn verbonden, is een voorschrift ter bescherming van door derden (waaronder ook mede-erfgenamen) verkregen rechten noodzakelijk. Om praktische reden worden deze personen, zowel vanuit obligatoir als goederenrechtelijk oogpunt, beschermd gedurende de gehele termijn van drie maanden van lid 1. Zou deze voorziening er niet zijn dan zou op een verklaring van erfrecht die binnen die termijn is afgegeven, niet kunnen worden afgegaan (vergelijk het nieuwe onderdeel b van artikel 4.5.1.5a lid 1).

In lid 3 is een regeling gegeven voor de situatie dat de echtgenoot van de erflater onder curatele staat, een of meer goederen van de echtgenoot onder het bewind van titel 19 van Boek 1, een testamentair of een ander bewind zijn gesteld, of de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard dan wel aan hem surséance van betaling is verleend. Het gaat in artikel 6 niet om rechten die naar hun aard slechts door de echtgenoot zelf kunnen worden uitgeoefend. In lid 3 is, teneinde mogelijke twijfel uit te sluiten, een regeling opgenomen die vertegenwoordiging overeenkomstig de wettelijke regels van de curatele onderscheidenlijk het desbetreffende bewind mogelijk maakt.

Artikelen 7–12 (wilsrechten)

In de artikelen 7–10 zijn vier wilsrechten opgenomen.

In de artikelen 7 en 8 gaat het om wilsrechten met betrekking tot de nalatenschap van de eerst overleden ouder van de kinderen, in het geval dat de langstlevende ouder opnieuw in het huwelijk treedt.

Artikel 7 ziet op het geval dat de geldvordering van het kind op de langstlevende ouder nog niet opeisbaar is, en deze ouder opnieuw in het huwelijk wil treden. In die situatie heeft het kind het wilsrecht om rechthebbende op goederen te worden, onder de last van een vruchtgebruik, dit laatste tenzij de ouder daarop geen prijs stelt. Er zij op gewezen dat de langstlevende ouder tot de overdracht van goederen kan worden verplicht. Daarvoor is derhalve – indien het nieuwe huwelijk inmiddels is gesloten – op grond van artikel 88 lid 2 van Boek 1 geen toestemming nodig van de nieuwe echtgenoot. Evenmin zal het voldoen aan de verplichting tot overdracht van goederen paulianeus handelen vormen ten aanzien van schuldeisers van de langstlevende ouder.

Artikel 8 betreft de situatie dat de hertrouwde langstlevende ouder overlijdt, terwijl zijn nieuwe echtgenoot nog in leven is. Dan wordt de geldvordering op die ouder opeisbaar en is er het wilsrecht jegens die stiefouder, dan wel eventuele andere erfgenamen, tot betaling in goederen.

Artikel 9 en 10 betreffen de nalatenschap van een ouder die op het tijdstip van diens overlijden gehuwd is met de stiefouder van de kinderen. Artikel 9 ziet dan op de direct bij het overlijden van de ouder ontstane situatie, dat de kinderen een niet opeisbare vordering verkrijgen op hun stiefouder. Het kind heeft dan jegens de stiefouder het wilsrecht om rechthebbende op een goed te worden, terwijl de stiefouder zich desgewenst een vruchtgebruik op het desbetreffende goed kan voorbehouden.

Artikel 10 betreft de situatie dat de stiefouder komt te overlijden. In dat geval wordt de vordering terzake van de nalatenschap van de eerder overleden eigen ouder opeisbaar en zijn de erfgenamen van de stiefouder verplicht de geldvordering aan het kind in goederen te voldoen.

De artikelen 11 en 12 geven voor de wilsrechten gemeenschappelijke bepalingen aan. Wilsrechten zijn, zoals uit artikel 12 lid 6 naar voren komt, niet overdraagbaar. Zij kunnen wel vererven, terwijl zij ook in een gemeenschap van goederen kunnen vallen.

Artikel 7

Deze bepaling verschaft een wilsrecht om rechthebbende te worden op goederen, onder de last van vruchtgebruik, indien de echtgenoot van de erflater opnieuw in het huwelijk treedt. Het wilsrecht ontstaat op het tijdstip waarop aangifte van het huwelijksvoornemen is gedaan (artikel 43 e.v Boek 1 BW). Het wilsrecht blijft bestaan totdat het is uitgeoefend, tenzij een door de langstlevende echtgenoot aan het kind gestelde termijn voor de uitoefening is verstreken (artikel 12 lid 4), dan wel ten aanzien van een handelingsonbekwame op de voet van artikel 13 met goedkeuring van de kantonrechter van uitoefening is afgezien.

De testamentaire praktijk van de ouderlijke boedelverdeling laat zien dat in geval van hertrouwen van de echtgenoot vrijwel altijd een voorziening wordt getroffen ten behoeve van de kinderen indien zij een niet opeisbare vordering hebben. Die praktijk laat meerdere varianten zien, waarvan veelal de strekking is het verschaffen van zekerheid aan het kind. Het is deze praktijk die de in de aanhef van deze toelichting genoemde notitie aanleiding gaf om in de situatie van hertrouwen ervoor te kiezen dat het kind rechthebbende kan worden op goederen waarop een vruchtgebruik kan worden voorbehouden door de echtgenoot (vergelijk artikel 3:81 BW).

Het wilsrecht bestaat met betrekking tot goederen, of een aandeel daarin, met een waarde tot ten hoogste de aan het kind ingevolge artikel 1 lid 3 verschuldigde geldsom. Die geldsom en dus ook de omvang van het wilsrecht worden uiteraard verminderd voor zover met toepassing van artikel 5 lid 1 betaling op de geldvordering heeft plaatsgevonden.

Artikel 8

Het wilsrecht van deze bepaling komt aan de orde indien de geldvordering van het kind op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder, opeisbaar is geworden. Laat deze langstlevende ouder bij zijn overlijden een nieuwe echtgenoot achter, dan heeft het kind jegens die stiefouder het wilsrecht van voldoening in goederen van zijn nu opeisbaar geworden geldvordering terzake van de eerstopengevallen nalatenschap. Het kind wordt dan (volledig) rechthebbende op de desbetreffende goederen.

Vindt geen wettelijke verdeling plaats van de nalatenschap van de langstlevende ouder, dan kunnen de erfgenamen worden verplicht tot voldoening van de geldvordering in goederen. Zijn de kinderen zelf erfgenaam van de langstlevende ouder, dan kan dit plaatsvinden door toedeling en levering van de goederen. Een zodanige verplichting voor de erfgenamen kan zich voordoen wanneer de langstlevende ouder bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. Verder valt te denken aan de situatie dat de stiefouder op de voet van artikel 6 lid 1 de wettelijke verdeling van de nalatenschap van de langstlevende ouder ongedaan maakt.

Dit wilsrecht komt alleen aan de orde indien en voor zover het wilsrecht van artikel 7 niet is uitgeoefend.

Artikel 9

Dit artikel, alsmede artikel 10, betreffen de nalatenschap van een ouder die ten tijde van zijn overlijden gehuwd is met iemand die niet de ouder is van de kinderen van de overledene. Dit zal zich kunnen voordoen wanneer de andere ouder is vooroverleden, dan wel het huwelijk met de andere ouder door echtscheiding is geëindigd; denkbaar is ook dat met de andere ouder geen huwelijk heeft bestaan. Indien de overleden ouder bij zijn overlijden een stiefouder achterlaat, verkrijgen de kinderen krachtens artikel 1 lid 3 een niet opeisbare geldvordering op deze stiefouder. In deze situatie is de stiefouder verplicht ieder kind desverzocht goederen over te dragen met een waarde ten hoogste tot de aan het kind verschuldigde geldsom. De stiefouder verkrijgt daarbij, tenzij hij of zij daarvan afziet, een vruchtgebruik van die goederen.

Artikel 10

Het wilsrecht van deze bepaling geeft net als het wilsrecht van artikel 8 recht op voldoening in goederen. Het gaat hier echter om de vordering terzake van de nalatenschap van een ouder die een stiefouder heeft achtergelaten, welke vordering door het overlijden van de stiefouder opeisbaar is geworden. Ook dit wilsrecht komt slechts aan de orde indien en voor zover het wilsrecht van artikel 9 niet is uitgeoefend.

Artikel 11

Op het te vestigen vruchtgebruik is titel 3.8 BW van toepassing. Daarbij is evenwel een uitzondering gemaakt voor de verplichting tot het doen van een jaarlijkse opgave (art. 3:205 lid 4) alsmede van die tot het stellen van zekerheid (art. 3:206 lid 1). Ook de verplichting om de goederen op verlangen van de hoofdgerechtigde jaarlijks te tonen (artikel 3:206 lid 2) is uitgesloten. Deze verplichtingen zouden te bezwaarlijk voor de echtgenoot zijn.

Artikel 3:212 lid 3 bepaalt dat de machtiging alleen mag worden gegeven indien het belang van de ander (in dit geval het kind) door vervreemden of bezwaren van het aan een vruchtgebruik onderworpen goed niet wordt geschaad. Dit onderdeel van de toetsingsgrond is hier niet passend. Vandaar dat in lid 1 onder b van artikel 11 wordt bepaald dat de machtiging reeds kan worden gegeven in het bijzonder indien de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot dit noodzakelijk maakt. Voorop blijft overigens staan dat rechterlijke tussenkomst eerst dan aan de orde is indien de hoofdgerechtigde zelf geen toestemming tot vervreemding wil geven. Ook het kind zal zich daarbij moeten realiseren dat de rechter de machtiging zal moeten verlenen, als er van een verzorgingsbehoefte sprake is. In die gevallen is het dus zinloos om het op de gang naar de rechter aan te doen komen. Het ligt alleszins in de rede dat de verzorgingsbehoefte ook bepalend is voor de bevoegdheid tot vervreemden en verteren als bedoeld in art. 3:215.

Een goed dat aan een kind wordt overgedragen onder voorbehoud van vruchtgebruik, ter voldoening aan de uit artikel 1 lid 3 voortvloeiende geldvordering, is voortaan voor risico van het kind. Gaat het goed teloor, dan herleeft deze vordering niet. De echtgenoot kan de bevoegdheid hebben verkregen tot vervreemden en verteren van een goed. Gaat deze daartoe over, dan zou het onbillijk zijn wanneer het kind daarvoor niet zou worden gecompenseerd. Om die reden verschaft lid 3 van dit artikel het kind bij vervreemding en vertering wederom een niet opeisbare vordering. Voor de hoogte van de vordering wordt uitgegaan van de waarde van het goed ten tijde van de vervreemding en vertering, aangezien de waarde zich tot dat tijdstip voor risico van het kind heeft ontwikkeld.

Lid 4 van dit artikel biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid aan hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker om bij de vestiging van het vruchtgebruik het stemrecht verbonden aan aandelen in een vennootschap aan de vruchtgebruiker te doen toekomen (zie art. 3:219 BW). Zouden betrokkenen over een punt als dit van mening blijven verschillen, dan kan de rechter een regeling treffen.

Het vruchtgebruik wordt gegeven in verband met de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot. Het ligt dus voor de hand dat de echtgenoot het vruchtgebruik niet aan derden kan overdragen of dit recht kan bezwaren (aldus lid 5 van het artikel).

Lid 6 ziet op de situatie dat een nalatenschapsschuld ten tijde van de uitoefening van het wilsrecht nog niet is voldaan, hetgeen zich overigens niet spoedig zal voordoen. De bepaling is ontleend aan art. 4.2A.2.4 van het aanhangige wetsvoorstel.

Artikel 12

Dit artikel bevat een aantal bepalingen die op alle wilsrechten van toepassing zijn. Blijkens lid 1 kunnen de wilsrechten worden uitgeoefend op goederen die afkomstig zijn uit de nalatenschap van de erflater of uit de door diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap, dan wel op de goederen die hiervoor in de plaats zijn gekomen.

Om de praktijk ter wille te zijn – vaak zal er geen boedelbeschrijving zijn – is het bewijsvermoeden van de een na laatste zin van lid 1 opgenomen. Goederen die behoren tot het vermogen van degene die tot overdracht is verplicht, of tot de huwelijksgemeenschap waarin deze is gehuwd, worden vermoed van de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap deel te hebben uitgemaakt. Tegenbewijs is mogelijk. Een bewijsregel als hier aan de orde zal met name van nut kunnen zijn als het wilsrecht pas lange tijd na het overlijden van de erflater of het hertrouwen van de langstlevende echtgenoot wordt uitgeoefend.

Goederen die van de zijde van de stiefouder in de gemeenschap zijn gevallen, komen niet in aanmerking voor overdracht (in bloot of in volle eigendom) door de langstlevende ouder (artikel 7), diens erfgenamen (artikel 8), dan wel de stiefouder (artikel 9) of diens erfgenamen (artikel 10).

De zaaksvervanging voorkomt dat de reikwijdte van het wilsrecht te beperkt zou kunnen zijn. Indien anderzijds vervangende goederen voor meer dan de helft uit middelen die niet tot de nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap hebben behoord zijn gefinancierd, kan het wilsrecht niet met betrekking tot deze goederen worden uitgeoefend (deze bepaling is ontleend aan artikel 1:124 lid 2 BW).

De bij de zaaksvervanging aansluitende regel betreffende de bewijslastverdeling vergemakkelijkt de toepassing van de regeling voor de praktijk.

Lid 3 beoogt te bewerkstelligen dat, wanneer een kind zijn wilsrecht wil uitoefenen, de andere kinderen die ook een wilsrecht hebben daarvan tijdig op de hoogte zijn. Zij zijn daardoor in de gelegenheid te bezien of zij dit zelf ook wensen. Weliswaar gaat hun wilsrecht niet teniet zolang de (stief)ouder hun geen termijn stelt voor de uitoefening (lid 4), maar ten aanzien van goederen die aan een mede-erfgenaam zijn overgedragen is uitoefening wel feitelijk onmogelijk. Er is van afgezien in de wet een concrete termijn op te nemen voor het op de hoogte stellen van de mede-erfgenamen, omdat het te zeer van de omstandigheden van het geval zal afhangen welke termijn in concreto redelijk is. Nietigheid, indien het voorschrift niet zou zijn nageleefd, zou een te zware sanctie zijn. De formulering van de bepaling houdt hiermee rekening.

Lid 4 geeft degene jegens wie een wilsrecht is ontstaan de mogelijkheid zich duidelijkheid te verschaffen over de vraag of het wilsrecht zal worden uitgeoefend. Hij kan hiertoe de kinderen een redelijke termijn stellen. Nietigheid, indien de tweede volzin van lid 4 niet is gevolgd, is ook hier niet beoogd.

Blijkens lid 5 zal uiteindelijk de rechter kunnen beslissen over geschillen omtrent een over te dragen goed. De rechter zal desverzocht beslissen, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van echtgenoot en kind, of de onderscheiden belangen van de kinderen onderling. De kantonrechter heeft bij zijn beslissing een ruime marge. Zo zal hij, indien hem blijkt dat meer dan een kind hetzelfde goed wenst, ook kunnen beslissen dat dit aan hen gezamenlijk zal toebehoren (zie titel 3.7 BW). Met het belang van de echtgenoot wordt mede rekening gehouden doordat hem of haar desgewenst vruchtgebruik over het desbetreffende goed zal toekomen. Op dit vruchtgebruik is titel 3.8 BW in hoofdzaak van toepassing. Zie ook artikel 11 en de toelichting daarop.

Lid 6 geeft aan dat de niet-opeisbare geldvordering overdraagbaar is. Wordt die vordering overgedragen, dan komt aan de derde-verkrijger (waaronder ook een mede-erfgenaam) het wilsrecht niet toe.

Artikel 13

De bepaling van lid 1 beoogt een praktische regeling te geven voor het geval dat aan een kind een wilsrecht toekomt en dit nog minderjarig is. Benoeming van een bijzondere curator op de voet van art. 1:250 BW is niet nodig, omdat de wettelijke vertegenwoordiger verplicht zal zijn een gemotiveerd voorstel omtrent de uitoefening van een wilsrecht aan de kantonrechter ter goedkeuring voor te leggen. Hij kan aan deze goedkeuring voorwaarden verbinden (bijvoorbeeld dat enigerlei vorm van zekerheid wordt gesteld, indien van het wilsrecht wordt afgezien). De kantonrechter kan ook een eigen beslissing geven, bijvoorbeeld indien het voorstel van de wettelijke vertegenwoordiger niet aanvaardbaar blijkt.

De wettelijke vertegenwoordiger zal ook door de voorlichting van de notaris, wanneer deze gevraagd wordt een verklaring van erfrecht af te geven, van de verplichting op de hoogte worden gesteld.

Het wilsrecht is een vermogensrechtelijke bevoegdheid, dat derhalve onder het bewind valt van de ouder die na overlijden het gezag alleen uitoefent, of van de voogd. Komt de ouder of de voogd zijn verplichting niet na, dan kan dit leiden tot aansprakelijkheid wegens slecht bewind (art. 1:253j resp. art. 1:362 BW). De kantonrechter kan ervan op de hoogte zijn dat een wettelijke vertegenwoordiger de verplichting van artikel 13 heeft, door de inlichtingen die hij op de voet van de artikelen 1:48 en 342 lid 2 BW van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de inspecteur van de belastingen verkrijgt.

Het kan voorkomen, dat een kind bij het overlijden van de erflater geen wettelijke vertegenwoordiger heeft. De erflater was bijvoorbeeld eerder gescheiden en oefende het gezag alleen uit. In dat geval begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de dag van de benoeming, dus van de voorziening in het gezag over de minderjarige.

In lid 2 wordt een overeenkomstige regel gegeven voor het geval het kind aan wie een wilsrecht toekomt, meerderjarig is doch het vrije beheer over zijn vermogen niet heeft.

Indien met goedkeuring van de kantonrechter van uitoefening van een wilsrecht is afgezien, vervalt het wilsrecht, tenzij de kantonrechter anders bepaalt (lid 3). Zo zal de kantonrechter onder omstandigheden kunnen goedkeuren dat van uitoefening van een wilsrecht voorlopig wordt afgezien, zonder dat het wilsrecht teniet gaat.

Artikel 14

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat ouders een stiefkind ook voor het erfrecht zoveel als mogelijk gelijk met hun eigen kinderen wensen te behandelen.

Artikel 14 opent de mogelijkheid om stiefkinderen in de wettelijke verdeling te betrekken. Deze voorziening gaat verder dan onder een testamentaire ouderlijke boedelverdeling mogelijk is, maar wordt uit een oogpunt van gelijke behandeling wenselijk geacht. De bepaling brengt mee dat een stiefkind derhalve in de daarvoor geëigende omstandigheden evenals een eigen kind van de erflater recht kan verkrijgen op overdracht van goederen uit de nalatenschap. De gelijkstelling met een eigen kind van de erflater brengt mee dat het stiefkind, evenals een eigen kind van de erflater, de wilsrechten van de artikelen 9 en 10 kan verkrijgen. Met het oog op het niet-dwingende karakter van afdeling 1 is het de erflater echter mogelijk gemaakt ook op dit punt afwijkende beschikkingen te treffen, waardoor bijvoorbeeld een stiefkind niet of slechts ten dele van de wilsrechten zal kunnen profiteren. Tenslotte is bepaald dat ook ten aanzien van het stiefkind plaatsvervulling door diens afstammelingen mogelijk is.

De in de nota naar aanleiding van het eindverslag onder punt 1.2 aangekondigde nota van wijziging over de legitieme portie zal in verband met de onderhavige bepaling een voorziening bevatten waardoor de aan een stiefkind door de gelijkstelling toegekende rechten niet door een eigen kind met een beroep zijn legitieme portie kunnen worden beperkt.

AFDELING 2. ANDERE WETTELIJKE RECHTEN

Artikel 1

Deze bepaling is vrijwel gelijkluidend aan artikel 4.2A.2.1 van het aanhangige wetsvoorstel.

Artikel 2

In het aanhangige wetsvoorstel wordt aan de echtgenoot een wettelijk recht van vruchtgebruik op de inboedel (zie daarvoor art. 3:5 BW) toegekend. In dit artikel wordt dit recht uitgebreid tot de woning die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd. Aldus ook het KNB-ontwerp. Een van de voorbeelden waaraan men kan denken bij alleen bewonen is de situatie dat de erflater ten tijde van zijn overlijden in een verpleeghuis verbleef en de echtgenoot nog in de woning. De bepaling gaat uit van de veronderstelling dat de langstlevende in het algemeen voor zijn verzorging behoefte zal hebben aan het gebruik van de woning en inboedel.

De bepaling is toepasselijk voor zover de echtgenoot niet de enige rechthebbende op de woning en inboedel is. Het vruchtgebruik dient overeenkomstig art. 3:202 BW te worden gevestigd. De bepaling verplicht de erfgenamen tot medewerking hieraan. Reële executie van deze verplichting is overeenkomstig het bepaalde in art. 3:300 BW mogelijk. Verwacht mag worden dat het binnen familieverhoudingen slechts in uitzonderingsgevallen tot gedwongen medewerking zal behoeven te komen.

Lid 2 is ontleend aan artikel 4.2A.2.2 leden 1 en 2 van het aanhangige ontwerp.

Artikel 3

Artikel 3 is vrijwel gelijkluidend aan artikel 4.2A.2.3 van het aanhangige ontwerp.

Artikel 4

In lid 2 is een vervaltermijn verbonden aan de mogelijkheid om de aanspraken op vestiging van het vruchtgebruik van de voorgaande artikelen te realiseren. Door tijdig op vestiging van het vruchtgebruik aanspraak te maken ontstaat een rechtsvordering, waarvan de verjaring in lid 3 is geregeld. Bij deze verjaringstermijn is thans, ten opzichte van het vergelijkbare artikel 4.2A.2.4 lid 3 van het aanhangige wetsvoorstel, buiten twijfel gesteld dat deze alleen betrekking heeft op de rechtsvordering van de artikelen 2 en 3.

Artikel 5

Artikel 5 leden 1 en 3 zijn ontleend aan artikel 4.2A.1.14 van het aanhangige ontwerp. Ten aanzien van het bewind dat op grond van lid 1 onder d kan worden ingesteld, zal de kantonrechter in zijn beschikking nader kunnen regelen wat de bevoegdheden van de bewindvoerder zijn.

Volgens lid 2 kan de kantonrechter het vruchtgebruik op verzoek van de hoofdgerechtigde beëindigen voor zover de echtgenoot daaraan voor zijn verzorging geen behoefte heeft. Deze verzorgingsbehoefte dient ruim te worden opgevat. Zij omvat ook alles wat nodig is om het leefpatroon van voorheen te kunnen voortzetten.

Artikel 6, 7 en 8

Deze bepalingen zijn gebaseerd op de artikelen 4.2A.2.5, 6 en 7 van het aanhangige ontwerp.

In artikel 6 is verduidelijkt dat een kind in voorkomende gevallen zowel aanspraak kan maken op een bedrag voor verzorging en opvoeding tot zijn achttiende jaar als op een bedrag voor levensonderhoud en studie nadien.

In artikel 8 is tot uitdrukking gebracht dat eerst door krachtens artikel 6 of 7 tijdig aanspraak te maken op een som ineens een vordering ontstaat, waarvan de opeisbaarheid en de verjaring in de leden 2 en 3 nader zijn geregeld. Zoals ook elders in titel 2A is gekozen voor bevoegdheid van de kantonrechter (lid 6).

Artikel 9

Artikel 9 kent aan een kind (of stiefkind) en de echtgenoot van de erflater het recht toe tot de nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf tegen een redelijke prijs over te nemen.

Artikel 4.5.4.8a geeft een regeling waardoor in beginsel hetzelfde kan worden bereikt. Artikel 4.5.4.8a speelt echter slechts in het kader van een verdeling en derhalve kan een kind zich op deze bepaling slechts beroepen voor zover hij erfgenaam is. De in artikel 9 genoemde bevoegdheid komt echter aan de in het artikel genoemde personen eveneens toe indien zij onterfd zijn.

Deze opzet brengt ook met zich dat derden met de regeling hebben rekening te houden. Indien zij in dit artikel bedoelde goederen verkrijgen en het bedrijf of beroep wordt voortgezet, kan ook van deze derden overdracht gevorderd worden.

In lid 1 wordt gesproken over goederen die dienstbaar waren aan een beroep of bedrijf. Men dient hier te denken aan goederen die een functie in de beroeps- of bedrijfsuitoefening hebben. Zo is bijvoorbeeld een verhuurd huis dat tot het bedrijf behoort maar dat geen functie in de bedrijfsuitoefening heeft, niet dienstbaar aan het bedrijf.

Indien volgens de bepaling aanspraak wordt gemaakt op voortzetting van het beroep of bedrijf is uiteindelijk de rechter geroepen uit te maken of voortzetting in de rede ligt en daarnaast ook wie van de mogelijk belangstellenden voor voortzetting in aanmerking komt. Bij deze vragen is aan de rechter een grote mate van beleidsvrijheid toegedacht. Hij kan ook nadere regelingen treffen, bijvoorbeeld indien de echtgenoot het bedrijf samen met een kind gaat voortzetten. Van het stellen van de eis dat de erflater het bedrijf tot zijn overlijden moet hebben uitgeoefend, is op advies van de Raad van State afgezien. Ook als de erflater bijvoorbeeld door ziekte reeds voor zijn overlijden het bedrijf niet meer uitoefende, dient overdracht van bedrijfsgoederen bij voortzetting door bijvoorbeeld een kind mogelijk te zijn. Niet gevreesd hoeft te worden dat de rechter zal verplichten tot overdracht van goederen die behoren tot een bedrijf dat de erflater reeds lang aan een derde heeft overgedragen. In dat geval kan immers niet gesproken worden van voortzetting van het bedrijf van de erflater.

De overnameprijs dient redelijk te zijn in de zin dat het niet onmogelijk moet zijn het bedrijf voort te zetten. Uiteindelijk beslist in geval van geschil ook hier de rechter.

Lid 2 geeft een voorziening voor het geval de erflater bestuurder was van een NV of BV en hij alleen of tezamen met de medebestuurders de meerderheid van de aandelen hield. Als het kind of diens echtgenoot ten tijde van het overlijden bestuurder van die vennootschap is of na het overlijden de positie als bestuurder van de erflater voortzet, is het bepaalde in lid 1 van overeenkomstige toepassing. Ook als de erflater reeds voor zijn overlijden als bestuurder is teruggetreden, kan lid 2 onder omstandigheden worden toegepast.

Door lid 3 staat vast dat voortzetting in het kader van lid 2 alleen kan plaatsvinden indien de voortzetter daartoe ook statutair bevoegd is.

Artikel 10 en 11

Deze bepalingen zijn gelijkluidend aan de artikelen 4.2A.2.9 en 10 van het aanhangige ontwerp.

Onderdeel B

In onderdeel B van de nota worden die wijzigingen aangegeven, die in verband met de nieuwe titel 2A in het wetsvoorstel overigens noodzakelijk zijn. Het merendeel daarvan is van technisch redactionele aard.

1. Artikel 4.1.3d

De woorden «rust of» kunnen vervallen, nu in titel 2A geen sprake is van een vruchtgebruik van rechtswege.

2. Artikel 4.1.3e lid 2

De bepaling van artikel 4.2A.1.7 lid 3 komt in het ontwerp niet meer voor, zodat de verwijzing daarnaar kon worden geschrapt. Artikel 4.2A.2.7 lid 3 is thans artikel 4.2A.2.8 lid 4.

3. Artikel 4.3.3.8 lid 3

De toevoeging aan artikel 4.3.3.8 lid 3 is geschied om tegemoet te komen aan de in het eindverslag (kamerstukken II 1994/95, 17 141, nr. 17, blz. 15/16) gesignaleerde onwenselijke situatie, dat ook een wezenuitkering uit een door de erflater gesloten pensioenverzekering als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel C, Pensioen- en spaarfondsenwet (een zogenaamde C-polis) zou moeten worden toegerekend op de legitieme portie van een legitimaris.

4. Artikel 4.3.3.8 ga

De vermelding «rust of» kan vervallen nu titel 2A geen van rechtswege vruchtgebruik meer zal kennen. De bepaling behoeft overigens geen wijziging aangezien verkrijging krachtens een wilsrecht van afdeling 4.2A.1 op de legitieme portie in mindering komt zonder rekening te houden met het in die afdeling bedoelde vruchtgebruik.

5, 7, 10, 11, 12 en 16. Artikelen 4.3.3.11 lid 4, 4.4.2.2a, 4.4.6.5c, 4.4.7.1 lid 1, 4.4.7.1a en 4.4.7.1w lid 2

In deze bepalingen is de verwijzing naar het van rechtswege geldend vruchtgebruik geschrapt.

6, 8, 9 en 14. Artikelen 4.4.2.1a, 4.4.5.1 lid 3, 4.4.5.4. lid 4 en 4.4.7.1u lid 2

Deze bepalingen zijn geschrapt in verband met het vervallen van het van rechtswege geldend vruchtgebruik.

13. Artikel 4.4.7.1t lid 2

In verband met het vervallen van het van rechtswege geldende vruchtgebruik is de tweede volzin geschrapt.

15. Artikel 4.4.7.1v

Het betreft hier een wijziging van redactionele aard.

17. Artikel 4.5.1.1 lid 1

Artikel 4.5.1.1. bevat in het licht van artikel 4.2A.1.1 een vanzelfsprekende wijziging. Wordt de nalatenschap immers op de voet van artikel 4.2A.1.1 wettelijk verdeeld, dan verkrijgt de echtgenoot van rechtswege direct alle goederen van de nalatenschap. De kinderen verkrijgen van rechtswege een geldvordering ten belope van hun erfdeel.

18. Artikel 4.5.1.3

Indien de nalatenschap wettelijk wordt verdeeld, zijn de kinderen niet met het eigen vermogen verhaalsaansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap. De wijziging in artikel 4.5.1.3 lid 2 onder a geeft aan dat deze regel ook van toepassing is na een zuivere aanvaarding van de nalatenschap door de kinderen.

Een nieuw lid 3 is toegevoegd. Hierdoor kan een erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard, door schuldeisers in zijn eigen vermogen aansprakelijk worden gehouden tot het bedrag van hetgeen de erfgenaam ontvangt uit de nalatenschap. Aldus wordt voorkomen dat een beneficiair erfgenaam voordeel geniet uit de nalatenschap voordat alle schuldeisers zijn voldaan die zich binnen de voor hen geldende verjaringstermijn melden. De bepaling laat in het midden of en zo ja onder welke omstandigheden het ontvangen van een uitkering uit de nalatenschap beschouwd moet worden als een daad van zuivere aanvaarding. Artikel 4.5.3.14 is van overeenkomstige toepassing verklaard teneinde te bewerkstelligen dat zolang vereffening overeenkomstig afdeling 4.5.3 plaatsvindt, verhaal slechts geschiedt via de voor vereffening gegeven regels. De toevoeging is gedaan naar aanleiding van de in het eindverslag gestelde vraag met betrekking tot artikel 4.5.2.1 en volgende (zie kamerstukken II 1994/95, 17 141, nr. 17, blz. 18, alsmede de beantwoording in de nota naar aanleiding van het eindverslag).

19. Artikel 4.5.1.5a lid 1, onder b en c

Onderdeel b is aangepast aan het vervallen van het vruchtgebruikstelsel in afdeling 4.2A.1. Onderdeel c strekt ertoe dat in de verklaring van erfrecht wordt vermeld of de wettelijke verdeling van afdeling 4.2A.1 heeft plaatsgevonden, alsmede of deze door de echtgenoot van de erflater nog ongedaan kan worden gemaakt. Ondanks een eventuele ongedaanmaking worden rechten die derden in de periode van drie maanden na het openvallen van de nalatenschap hebben verkregen, geëerbiedigd (artikel 4.2A.1.6 lid 2). Voor de periode vanaf drie maanden na het openvallen van de nalatenschap zal veelal een nieuwe, definitieve, verklaring van erfrecht nodig zijn. Dat kan anders zijn indien de echtgenoot afstand doet van de bevoegdheid tot ongedaanmaking en daarvan in de verklaring van erfrecht melding wordt gemaakt.

20. Artikel 4.5.2.5 lid 2.

De verwijzing naar het van rechtswege geldende vruchtgebruik is in deze bepaling geschrapt.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl