Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200917050 nr. 365

17 050
Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies

nr. 365
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 9 december 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 29 oktober 2008 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie en staatssecretaris De Jager van Financiën over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 16 april 2008 over de taakuitoefening door de bijzondere opsporingsdiensten (17 050, nr. 354).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Pater-van der Meer Griffier: Nava

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Wij spreken vandaag over de beleidsbrief van de minister van Justitie van 16 april jongstleden over de beleidsagenda met betrekking tot de Wet bijzondere opsporingsdiensten, maar tevens over de uitvoering van de motie-Nicolaï c.s. uit 2007. Onze fractie hecht eraan dat de bijzondere opsporingsdiensten onverkort kunnen samenwerken met de reguliere politiekorpsen. Het is onze fractie nog steeds een gruwel dat er voor de samenwerking tussen de reguliere politiekorpsen enerzijds en de bijzondere opsporingsdiensten anderzijds heel ingewikkelde convenanten moeten worden gesloten over menskracht, over financiering van onderzoeken waarin wordt deelgenomen en over informatie-uitwisseling. Zou de minister het wenselijk achten in het geval bijzondere opsporingsdiensten samenwerken met reguliere politiekorpsen, bijvoorbeeld in een project ter bestrijding van de georganiseerde misdaad, dat de informatie-uitwisseling ten behoeve van dat project volledig open plaatsvindt, zonder dat rekening moet worden gehouden met de moedergegevens van de bijzondere opsporingsdiensten? Het is onze fractie bekend dat een aantal bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD, gegevens van de belastingdienst verkrijgt als het gaat om de opsporing van strafbare feiten op fiscaal terrein en op het terrein van douanewetgeving. Mag de FIOD-ECD onuitputtelijk gegevens opvragen bij de Belastingdienst indien deze dienst optreedt in het samenwerkingsverband met de reguliere opsporingsdiensten en het Korps landelijke politiediensten of zitten er dan beperkingen aan dat gebruik? Graag hoor ik van beide bewindslieden of de informatie waarover de Belastingdienst beschikt in een dergelijk samenwerkingsverband onverkort kan worden uitgewisseld.

Volgens de bijlage bij de brief zijn 1152 fte’s werkzaam bij de FIOD-ECD. Eén van de prioriteitstellingen van de FIOD-ECD is een bijdrage leveren aan de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Hoeveel fte’s van de FIOD-ECD leveren anno 2008 een bijdrage aan de bestrijding van de georganiseerde misdaad? Voor hoeveel fte’s is dat over een langere periode voorzien? Wordt personeel van de FIOD-ECD in de komende jaren structureel ingezet in de samenwerking met de KLPD enerzijds en sommige grootschalige regiokorpsen voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad anderzijds of gebeurt dat op ad-hocbasis? Gegeven de prioriteitstelling van de FIOD-ECD zou je mogen verwachten dat het niet op ad-hocbasis gebeurt, maar dat het een gestructureerd samenwerkingsverband is voor de langere termijn.

Tot haar genoegen constateert de fractie van de VVD dat de bijzondere opsporingsdiensten samenwerken op het terrein van de observatieteams en de technische ondersteuning. Toch vragen wij ons af of die capaciteit van de bijzondere opsporingsdiensten beter kan worden aangewend, bijvoorbeeld als er capaciteitsgebrek is bij de reguliere korpsen. Ik kan mij voorstellen dat de FIOD-ECD of de bijzondere opsporingsdiensten een observatieteam hebben waar niet altijd werk voor is. Wordt de bijzondere opsporingscapaciteit van het observatieteam van de technische recherche ingezet voor de reguliere korpsen als er capaciteitsgebrek is bij de politie?

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. Ik heb kennisgenomen van de brief van de minister van 16 april jongstleden. Ik ben de minister dankbaar voor het feit dat hij de functies van de verschillende diensten waar het over gaat helder weergeeft. Vandaag wil ik met de minister spreken over de samenwerking tussen deze diensten en de politie. Daar zijn ook bij mijn fractie zorgen over. Ik zal wat voorbeelden aanhalen.

In het Algemeen Dagblad van 16 oktober is een bericht verschenen met als kop «De politie faalt bij de aanpak van Nigeriaanse internetfraude». Dat blijkt gebaseerd te zijn op een onderzoek dat onlangs door wetenschappers is uitgevoerd. De conclusie is dat de kennis die de politie bij onderzoeken opdoet gewoon in de prullenbak verdwijnt nadat de strafzaak is afgesloten. Dus alle informatie die is opgespoord over werkwijze, netwerk, enz. deelt de politie blijkbaar niet met andere politiekorpsen en ook niet met diensten als FIOD-ECD en SIOD. Dat vinden wij geen goede zaak. Daar schrik ik van. Ik verneem graag van de minister of hij dit ook zo ziet en of hij ideeën heeft om dit op te lossen.

Onlangs is Jan van Koningsveld gepromoveerd aan de Universiteit van Tilburg op een onderzoek naar tientallen grote strafzaken in Nederland. Ook zijn conclusie is dat er in Nederland heel weinig tijd en capaciteit wordt ingezet om afgeronde zaken te analyseren en gebruikte fraudepatronen, routes, trucs en adviseurs op een rijtje te zetten. Die visie verbaast mij na lezing van de brief van de minister, omdat daaruit kan worden opgemaakt dat de analyse van netwerken en fraudepatronen goed loopt bij de bijzondere opsporingsdiensten. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Ten slotte noem ik de kwestie van de uitwisseling van informatie tussen de bijzondere opsporingsdiensten. In zijn brief geeft de minister aan dat de diensten bijdragen aan de preventie van toekomstige delicten door informatie uit te wisselen. Hij geeft echter ook aan dat de diensten nog aan het verkennen zijn in hoeverre zij binnen wettelijke kaders informatie kunnen samenvoegen. Graag verneem ik van de minister hoe het is gesteld met het verkennen? Zijn er al conclusies getrokken? Zijn er nog aanwijzingen of mogelijkheden om de informatie-uitwisseling tussen de bijzondere opsporingsdiensten te verbeteren? Graag een toelichting van de minister.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de vragen van de heer Teeven over de samenwerking tussen de verschillende diensten en de samenwerking van die diensten met de politie. Zijn er tussen de verschillende diensten schotten of belemmeringen om informatie uit te wisselen? Is er zicht op wanneer diensten met elkaar contact hebben of samenwerken? Is er iemand die daar de leiding over heeft en die in de gaten houdt of dat goed gaat?

De heer Heerts (PvdA): Voorzitter. Wat is de rol van het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten, mede in relatie tot de landelijke prioritering van bijvoorbeeld het OM? Hoe vindt afstemming plaats met het oog op de beleidsregels voor de handhaving en de handhavingsinstrumenten? Wie coördineert het wanneer zowel de SIOD als het bovenregionale rechercheteam op een bepaald gebied geconcentreerd onderzoek doet? Wordt informatie uitgewisseld als de FIOD-ECD ergens aan begint en loopt er ook een Bibob-procedure? Gebeurt dit ook voorafgaand – en niet alleen maar tijdens de onderzoeken – aan de prioriteitsstelling van de beschikbare opsporingscapaciteit?

Ik heb een specifieke vraag over de opsporingsfunctie van de bijzondere opsporingsdiensten in relatie tot de inspectiediensten. Dat valt niet alleen onder deze minister. Ik kan mij voorstellen dat de Arbeidsinspectie ergens tegenaan loopt, waar de SIOD op door moet gaan. Geldt dat ook voor andere inspectiediensten? Het beeld is dat elk ministerie haar eigen inspectie heeft en bijna ook haar eigen bijzondere opsporingsdienst. Misschien pleit dit voor een nadrukkelijkere rol voor een landelijke officier of misschien het landelijk parket zowel voorafgaand aan het onderzoek als bij het maken van de beleidskeuzes voor de inzet van capaciteit en specialismen in de betreffende regio. Dit om te voorkomen dat er verschillend wordt gereageerd. Hoe verhouden die thema’s zich met de beleidsthema’s van het ministerie van Justitie? De minister heeft bijvoorbeeld als belangrijke prioriteit gesteld de financieel-economische criminaliteit, waaronder fraude, witwassen en het ontnemen van crimineel vermogen. Houdt de FIOD-ECD zich ook aan die belangrijke prioriteit? Ik kan mij voorstellen dat de FIOD-ECD veel meer gericht is op fiscale fraude.

In voorbereiding is een algemene maatregel van bestuur bekwaamheid en betrouwbaarheid die het basisniveau van de opsporingsambtenaren vastlegt en die voor alle bijzondere opsporingsdiensten geldt. Hoe staat het daarmee? Wordt daarin ook de link gelegd naar de reguliere politie?

De heer Van Haersma Buma (CDA): Voorzitter. De vaste commissie voor Justitie is onder uw voorzitterschap enkele weken geleden naar de Verenigde Staten geweest. Het gekke is dat dit algemeen overleg voor mij een andere lading kreeg door dit bezoek. Wij hebben gezien hoe ontzettend veel bijzondere opsporingsdiensten men daar heeft. Eerst vond ik dat wij in Nederland zoveel bijzondere opsporingsdiensten hadden, maar nu wij in Amerika zijn geweest valt het mij ineens op hoe weinig bijzondere opsporingsdiensten wij hebben. Daar waren wij op bezoek bij organisaties met medewerkers van wel veertig verschillende diensten.

Een aantal vragen die wij daar stelden, zijn ook hier actueel. In de brief van 16 april wordt gesignaleerd dat de bijzondere opsporingsdiensten in hun werkzaamheden nogal eens regelgeving tegenkomen waarvan de fraudegevoeligheid verlaagd zou moeten worden. Zij hebben door die regelgeving meer werk dan nodig zou zijn. Wordt er concreet iets gedaan aan het minder fraudegevoelig maken van regelgeving? Wat kunnen wij op dit terrein verwachten? Andere sprekers hebben het gehad over de noodzaak van informatie-uitwisseling. Wij moeten ervan uitgaan dat de informatie-uitwisseling goed is, maar ik vraag mij af of er knelpunten zijn waarop nog winst te behalen is om de samenwerking te verbeteren. Een andere vraag betreft de internationale samenwerking bij de opsporing. In hoeverre zijn de verschillende diensten in staat om internationaal samen te werken? Ik denk aan de FIOD-ECD die in veel opsporingsonderzoeken met het buitenland te maken kan krijgen. In hoeverre wordt daar efficiënt gewerkt? Wordt daarbij samengewerkt met het OM? Hoe worden de prioriteiten gesteld? Wanneer wordt wel en wanneer niet buitenlands onderzoek gedaan? Ik kan mij voorstellen dat dergelijk onderzoek veel capaciteit vreet.

Ik heb nog twee vragen tot slot. De eerste heeft betrekking op de AID. In hoeverre houdt deze dienst zich bezig met het traceren en doorgeven van informatie als het gaat om radicale dierenactivisten? Ik zie dat de heer De Wit instemt met deze vraag.

Mijn collega’s Van Heugten en Joldersma hebben gevraagd of de FIOD-ECD kan worden ingezet bij huurfraudezaken waarbij huurders op malafide wijze lange tijd geen huur betalen. Daarop is geantwoord dat dit niet mogelijk is. Ons is niet geheel duidelijk waarom de FIOD-ECD daar geen taak zou kunnen hebben. Is dat iets principieels of is dat een prioritaire kwestie?

De heer Teeven (VVD): Is de CDA-fractie van mening dat de Belastingdienst actief informatie moet inbrengen in de samenwerkingsverbanden waar de FIOD-ECD deel van uitmaakt over georganiseerde misdaad?

De heer Van Haersma Buma (CDA): Over die vraag heeft de werkgroep die onderzoek deed naar de verwevenheid van de bovenwereld met de onderwereld zich gebogen. Geconstateerd werd dat er nader onderzoek moet worden gedaan naar de vraag of er schotten zijn tussen de verschillende opsporingsdiensten bij informatie-uitwisseling. Ik ben daar heel voorzichtig in. Als justitiewoordvoerder ben ik geneigd om te zeggen: wissel alles uit. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat de Belastingdienst niet altijd naar de criminaliteit kijkt maar ook naar de opbrengsten voor de Staat. Ik vind dit wel een kwestie die nader uitgediept moet worden, maar dan het liefst in het bredere kader van de vraag die wij als commissie onder ogen moeten zien: waar zitten de schotten tussen de informatie-uitwisseling en waar kunnen wij die neerhalen?

De heer Heerts (PvdA): U zei dat de Belastingdienst kijkt naar de opbrengsten voor de Staat, maar de Staat krijgt toch ook opbrengsten uit het terugdringen van georganiseerde criminaliteit en het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel? Dus ik begrijp uw aarzeling niet zo.

De heer Van Haersma Buma (CDA): Nogmaals, als justitiewoordvoerder kan ik mij hier heel veel bij voorstellen en zeg ik dat ik altijd voor informatie-uitwisseling ben. Wel vind ik dat alles eerst in de context geplaatst moet worden voordat ik mij hierover uitspreek. Er zal als vervolg op het onderzoek dat u noemde bekeken worden welke schotten er zijn in de informatie-uitwisseling en welke moeten worden geslecht. Ik heb niet de neiging om nu al vooruit te lopen op wat de Kamer nog nader gaat onderzoeken.

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Mijn fractie heeft twee vragen naar aanleiding van de brief van 16 april. De eerste gaat over de samenwerking tussen de bijzondere opsporingsdiensten. In de brief wordt in paragraaf 2.2.4 op pagina 7 gesproken over samenwerking op inhoudelijk gebied. Daarin staat: «de minister van VROM maakte bijvoorbeeld gebruik van ...». Ik vraag mij af of dat verleden tijd is. Veel belangrijker vind ik de vraag hoe die initiatieven tot stand komen. Is dat iets wat uit nood geboren is? Kunnen er situaties zijn waarin de ene opsporingsdienst de andere dwarszit?

Mijn tweede vraag gaat over de opsporingsprioriteiten. Op pagina 11 onder 3.5 staan de prioriteiten van het ministerie van Justitie. Ik mis daar de extra inzet op cybercrime, kinderporno en mensenhandel, zaken die dit kabinet zich eigen heeft gemaakt. Is er iets te melden over extra inzet op die thema’s?

Antwoord van de bewindslieden

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik ga eerst in op de samenwerking tussen de verschillende diensten en op de samenwerking tussen de diensten en de reguliere politiekorpsen, waarover de heer Teeven als eerste heeft gesproken. De heer Teeven sprak ook over de mogelijkheid van convenanten en gegevensuitwisseling. Dankzij het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten is de strategische samenwerking aanzienlijk verbeterd. De directeuren van die diensten ontmoeten elkaar vier à vijf keer per jaar. De tactische samenwerking wordt gerealiseerd via een overleg tussen de hoofden recherche samen met het Functioneel Parket.

Operationeel zijn er gezamenlijke teams ingericht die tactische en technische ondersteuning bieden bij een grootschalige actie. Hierbij kunnen alle BOD’s worden ingeschakeld, inclusief de samenwerkingsverbanden met de reguliere politie en de toezichthouders. Dat geldt ook voor de internationale samenwerking. Buitenlandse diensten kunnen worden ingeschakeld wanneer daar om wordt gevraagd of wanneer wij daar zelf om vragen. De FIOD-ECD doet dit soort gezamenlijke onderzoeken, maar ook de VROM-IOD en de Algemene Inspectiedienst.

De vraag of er een mogelijkheid bestaat dat politiekorpsen een beroep doen op observatieteams of arrestatieteams vanuit de BOD’s, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Het gaat hierbij namelijk om mensen die ingezet worden in zeer specifieke casussen, sterk afhankelijk van concrete gevallen en de dynamiek van operationeel optreden.

Gegevensuitwisseling tussen de bijzondere opsporingsdiensten onderling en met de politiediensten is volledig mogelijk. Wel moet er een onderscheid worden gemaakt tussen gegevens die in het kader van de opsporing zijn verzameld en gegevens die zijn verkregen vanuit de toezichtfunctie. Deze gegevens mogen niet worden vermengd, tenzij daarvoor een bijzondere grondslag bestaat. Aldus is de gegevenshuishouding ingericht.

De heer Teeven (VVD): De minister gaat mij iets te snel over de gegevens uit de toezichtfunctie heen. Laten wij nu maar man en paard noemen: dat zijn de gegevens van de Belastingdienst. De strekking van mijn vraag was of de FIOD-ECD de gegevens van de Belastingdienst waarover hij op basis van zijn toezichtfunctie beschikt, inbrengt in het samenwerkingsverband met de politie wanneer sprake is van georganiseerde misdaad.

Minister Hirsch Ballin: Die vraag zal door de staatssecretaris van Financiën worden beantwoord.

De heer De Wit heeft onder meer over de samenwerking gesproken. Als ik het goed zie, heeft hij geen andere punten aangesneden dan die ik al beantwoord heb naar aanleiding van de vragen van de heer Teeven. De heer De Roon heeft ook gesproken over de samenwerking.

De heer De Wit (SP): Mijn laatste vraag was of er ook iemand is die de boel in de gaten houdt. Dit lijkt mij van belang als er zo breed wordt samengewerkt door allerlei diensten.

Minister Hirsch Ballin: Dat is de verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie die het Functioneel Parket leidt.

De heer De Roon heeft over deze zelfde onderwerpen gesproken en over de informatie-uitwisseling. In het versterkingsprogramma Financieel Economische Criminaliteit wordt de informatie uit onderzoeken die voor andere opsporingsdiensten beschikbaar is, verwerkt tot bestuurlijke rapportages. Dus naast de concrete informatie-uitwisseling worden die gegevens verwerkt in de bestuurlijke rapportages.

De heer De Roon (PVV): Als er fraudeonderzoeken hebben plaatsgevonden, bij de reguliere politie of bij de bijzondere opsporingsdiensten, schiet men volgens de twee wetenschappelijke onderzoeken van dit jaar die ik als voorbeelden heb genoemd, vaak tekort in een analyse achteraf van wat er is gebeurd. Er wordt onvoldoende geanalyseerd wat het fraudepatroon is en welke lessen kunnen worden getrokken. Als dergelijke analyses niet worden gemaakt, kan kennis die je zou kunnen hebben, niet worden overgedragen aan belendende diensten. Graag verneem ik van de minister of hij bereid is om deze wetenschappelijke onderzoeken door zijn ambtenaren tegen het licht te laten houden om na te gaan of er in dat opzicht iets valt te verbeteren en, zo ja, op welke wijze.

Minister Hirsch Ballin: Ik bespreek deze vraag graag met het hoofd van het Functioneel Parket en ik zal de heer De Roon over mijn bevindingen informeren.

De heer Heerts heeft gevraagd naar de rol van het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten in relatie tot de landelijke prioriteiten. De taak van het platform ligt niet bij de landelijke prioriteiten. De bijzondere opsporingsdiensten houden wel rekening met de prioriteiten in de landelijke versterkingsprogramma’s. Uiteraard is het ook de taak van de leiding van het Functioneel Parket om deze vast te stellen. Het platform is daar niet voor bedoeld.

De heer Heerts (PvdA): U zei zojuist dat de hoofdofficier van het Functioneel Parket hierin een belangrijke rol heeft. Als er verschillende beleidsthema’s zijn vastgesteld door de verschillende opsporingsdiensten, bijvoorbeeld dierenwelzijn en preventie regelgeving door AID-DO, en als de hoofdofficier ziet dat deze beleidsthema’s in de hoofdlijnen van zijn beleid een lagere prioriteit hebben in het komende jaar, waar vindt dan precies de beslissing plaats? Wie zegt dan uiteindelijk dat bepaalde dingen wel mooi zijn opgeschreven op het departement, maar dat het Functioneel Parket zich daar dit jaar niet mee bezighoudt? Doorzettingsmacht heet dat in een modern jasje.

Minister Hirsch Ballin: Dit is een moeilijk punt dat inherent is aan de scheiding tussen de gezagsverantwoordelijkheid en de beheersverantwoordelijkheid. Dat speelt niet alleen hierbij een rol. In dit geval wordt dit gecompliceerd doordat er nog toezichthoudende taken door dezelfde ambtenaren moeten worden verricht. In de praktijk blijken wij daar goed mee te kunnen leven door daarover te overleggen en het op de een of andere manier eens te worden over de feitelijke prioriteiten die binnen de bijzondere opsporingsdiensten worden gesteld. Het is echter denkbaar dat er een situatie ontstaat waarin het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld zegt dat de FIOD-ECD aan bepaalde taken in het kader van het beleid van het OM meer aandacht moet besteden, en dat de beheerder van de FIOD-ECD erop wijst dat er nog veel andere dingen moeten gebeuren in de sfeer van toezicht en controles. Dan komt er een moment waarop ik besluit om daarover te gaan spreken met de staatssecretaris van Financiën. De Kamer weet hoe een overleg tussen bewindslieden verloopt en afloopt: bewindslieden worden het altijd eens. Er is dan dus afstemming nodig.

De heer Heerts (PvdA): De minister zegt dat ik een niet eenvoudig punt aansnijd en dat hij er in het kabinet wel uitkomt. Mij gaat het er om dat de neuzen uiteindelijk dezelfde kant op staan bij de uitvoering door de verschillende diensten.

Minister Hirsch Ballin: Ik ben het daarmee eens. In mijn ervaring is het een hoge uitzondering dat dit op ministersniveau moet worden besproken, maar dit vergt inderdaad afstemming. Het is inherent aan de keuze. Bij de herinrichting van het stelsel van bijzondere opsporingsdiensten is erover gesproken. Er is toen ook gedacht over alternatieven, bijvoorbeeld aan een bundeling onder één dienst met een grote rol voor de minister van Justitie, ook in het beheer. Daarvoor is toen niet gekozen. De gemaakte keuze betekent dat er afstemming moet plaatsvinden. De reden waarom er niet voor dit alternatief is gekozen, is om de bijzondere opsporingsdiensten optimaal hun ondersteunende en toezichthoudende rol te laten vervullen binnen de gespecialiseerde ministeries. Tot op heden blijken wij goed met deze keuze te kunnen leven.

De heer Teeven (VVD): De minister van Justitie vindt het heel belangrijk dat er iets aan de georganiseerde misdaad wordt gedaan. Nu is een probleem dat er geen financiële knowhow bij de politie is. Deze financiële knowhow is in voldoende mate aanwezig bij de staatssecretaris van Financiën. Als de minister van Justitie zulke grote problemen heeft met de financiële knowhow bij de politie, vindt hij het dan wenselijk dat mensen van de FIOD-ECD soms aan zaken werken waarin € 2500 aan rente is verzwegen – waarin dus een opzettelijk onjuiste aangifte wordt vervolgd – terwijl de heel goede financiële knowhow bij de FIOD-ECD niet wordt ingezet bij gecompliceerde politieonderzoeken ter bestrijding van georganiseerde misdaad? Ik denk dat mijn collega Heerts dat bedoelt. De minister loopt daar nu van weg. Kan hij daar niet duidelijker over zijn?

Minister Hirsch Ballin: Gelukkig is er ook financiële knowhow bij de politie en daarnaast versterken wij de recherche. Desalniettemin erkennen wij dat het tot onze taken behoort om te komen tot een optimale afstemming bij de prioriteitenstelling in geval van criminaliteit met een duidelijk overlappend karakter. Dit kan dus ook betekenen dat mensen van de FIOD-ECD een rol spelen in de aanpak van financieel-economische criminaliteit, en dat gebeurt ook. In de uitvoering van de pluk-zewetgeving spelen de medewerkers van de FIOD-ECD een belangrijke rol.

Ik kan mij voorstellen dat wij bij onderwerpen die wij hebben gerangschikt onder de prioriteiten van dit kabinet, meer kunnen doen aan samenwerking met de bijzondere opsporingsdiensten, bijvoorbeeld bij de bestrijding van mensenhandel. Dat is een onderwerp dat wij niet hebben laten liggen. Dat is precies de reden waarom er andere departementen zijn betrokken bij de opzet van het door procureur-generaal Bolhaar geleide Platform Bestrijding Mensenhandel. Dat is gebeurd om bijvoorbeeld ook de opsporingsdiensten van Financiën en Sociale Zaken een rol te geven bij de bestrijding van mensenhandel. Uitgaande van de bijzondere contouren van de manier waarop wij de opsporing in Nederland hebben georganiseerd, hebben wij daarvoor in goede afstemming een praktische werkwijze kunnen maken. In de uitvoering daarvan doen zich steeds nieuwe situaties voor. Financieel-economische criminaliteit, mensenhandel en onroerendgoedfraude behoren zeker tot de onderwerpen waarbij wij de samenwerking tussen het OM, de reguliere politie en de bijzondere opsporingsdiensten kunnen versterken. Een extra argument daarvoor is dat er veel vacatures zijn bij de recherche van de reguliere politie. Dit is echter geen reden om het probleem op te lossen door alle opsporingsactiviteiten naar de bijzondere opsporingsdiensten te verschuiven. Versterking van de recherche en vervulling van vacatures is uiteraard ook een punt van aandacht in onze relatie tot de korpsbeheerders.

Voorzitter. De heer Van Haersma Buma heeft een vraag gesteld over het dierenrechtenactivisme. Dat is iets waar normaal gesproken de nationale recherche of de regiopolitie onderzoek naar doet. De nationale recherche heeft daartoe ook een meldpunt in het leven geroepen. De AID heeft hiervoor oog en oor. Als de AID in zijn onderzoeken iets vindt dat van belang is voor het optreden tegen deze vorm van criminaliteit, doet hij hiervan melding bij dit meldpunt.

De heer Van Haersma Buma vraagt wanneer het besluit over de vertrouwelijkheid van bijzondere opsporingsambtenaren gereed is. Ook de heer Heerts heeft dit punt aangesneden. Wij zijn daar nog mee bezig. Wij verwachten dat het op 1 april 2009 in werking kan treden. Op dit moment geldt er een tijdelijk besluit, gebaseerd op de situatie dat het BOA-regime nog van toepassing is. In het nieuwe besluit zullen de eisen worden geformuleerd waaraan een bijzondere opsporingsambtenaar moet voldoen op het punt van vakbekwaamheid. Tevens zal worden verkend hoe de professionalisering kan worden vergroot.

De heer Anker heeft gevraagd naar de inzet op cybercrime. Ik ben daarop al ingegaan bij mijn antwoord op de vragen van de heer Teeven en de heer Heerts over de samenwerking tussen de diensten.

Staatssecretaris De Jager: Voorzitter. Als ik het goed heb, ben ik de enige die hier als beleidsverantwoordelijke voor een bijzondere opsporingsdienst is uitgenodigd. Ik denk dat dit een compliment aan de FIOD-ECD is. De FIOD-ECD vervult nu eenmaal een prominente rol in de opsporing van fraude en op het terrein van de ordeningswetgeving. Ik stel voorop dat ik zelf heel erg trots ben op de FIOD-ECD. Het is een club van gemotiveerde deskundige opspoorders die, onder leiding van het Openbaar Ministerie, in de afgelopen jaren heel mooie resultaten heeft laten zien, zoals recentelijk in de publiciteit gekomen vastgoed- en beleggingszaken. Maar als je alleen afgaat op die publiciteit, lijkt het alsof de FIOD-ECD zich uitsluitend met dat soort zaken bezighoudt. Dat beeld behoeft enige nuancering.

Het werk van de FIOD-ECD is vastgelegd in handhavingsconvenanten met het Openbaar Ministerie. Het bestaat globaal uit 50% fiscale en douanezaken en voor 50% uit overige zaken. Dan gaat het in het algemeen over andere departementen. Een groot deel van de zaken betreffen financiële fraude, die met Justitie worden besproken. De FIOD-ECD treedt bijvoorbeeld ook op voor het ministerie van VWS. Wij zien natuurlijk ook dat de inzet voor fiscale en douanefraude bij de FIOD-ECD vanwege de enorme omvang en de nasleep van de fraudezaken in de vastgoedwereld onder druk is komen te staan. Laat er echter geen misverstand over bestaan, ook de fiscale en douanefraudezaken zijn van enorm belang en rechtvaardigen een gecontinueerde inzet.

Bij schaarse middelen gaat het natuurlijk altijd om het maken van keuzes. Maar ook voor de compliance, dus de bereidheid om fiscale verplichtingen vrijwillig na te komen en daarmee de voeding van de rijksbegroting op peil te houden, is en blijft een massieve inzet door de FIOD-ECD noodzakelijk. Anders zou de belastingmoraal afnemen. Overigens zou dit ook zijn weerslag hebben op criminele activiteiten, zou de verwevenheid van de bovenwereld met de onderwereld toenemen en zou de rijksbegroting groot gevaar lopen. De recente publicatie rond de aanpak van frauduleuze gastouderbureaus in de sfeer van de toeslagen is hiervan een mooi voorbeeld. Duidelijk moet zijn en blijven dat je niet ongestraft kunt sjoemelen in dit land, of het nu over toeslagen, belasting, de invoer van goederen of wat dan ook gaat. De FIOD-ECD moet ook op die terreinen krachtdadig blijven optreden. Wij vinden dat de opsporing van fiscale en douanezaken weer heel snel op het afgesproken niveau moet worden gebracht. Op dit moment is wel heel veel capaciteit gereserveerd voor de nette afhandeling van die grote fraudezaken.

Het voorgaande bevestigt waarom de FIOD-ECD onderdeel is van de Belastingdienst. Ik zal straks ingaan op vragen die hierover zijn gesteld. Er is inderdaad een heel specifieke verwevenheid tussen toezicht en opsporing. De FIOD-ECD moet onderdeel blijven van de Belastingdienst, want het succes van de FIOD-ECD is in hoge mate daaraan gerelateerd. Dat heeft niet alleen te maken met het adequaat verankeren van de fiscale belangen in de opsporing, maar ook omdat fiscale belangen in veel niet-fiscale zaken een belangrijke rol spelen. Ik wijs op het grootschalig witwassen.

De FIOD-ECD is van het begin af aan betrokken geweest bij de aanpak van thema’s in het toezicht door de Belastingdienst. Ik noem de actie tegen fraude met vastgoed die de Belastingdienst is gestart in samenwerking met de FIOD-ECD, waarover ook afstemming heeft plaatsgevonden met het departement van Justitie. Dat heeft geleid tot een heel succesvolle opsporing. Ik wijs ook op de aanpak van buitenlandse bankrekeningen en buitenlands onroerend goed. Zo blijkt dat er veel profijt getrokken kan worden uit die samenwerking en de combinatie van toezicht en opsporing. Wij zijn van plan om die samenwerking te intensiveren.

In antwoord op de vraag van de heer Teeven of de gegevens van de Belastingdienst door de FIOD-ECD kunnen worden ingebracht in een samenwerkingsverband met de politie is het antwoord «ja». Dat gebeurt in opsporingszaken. Ter nuancering van de opmerking van de heer Teeven wijs ik erop dat de FIOD-ECD niet wordt ingeschakeld voor een rentekwestie van €2500. Overigens wijs ik hem erop dat sinds 2001 rente niet meer behoeft te worden opgegeven, maar wordt betrokken in de forfaitaire vermogensrendementsheffing van box 3. Dat geeft aan dat vereenvoudiging van wetgeving kan helpen om fraude te voorkomen. Het is dan gemakkelijker te controleren. De FIOD-ECD wordt wel ingeschakeld in het geval een crimineel duizend uitkeringsgerechtigden een toeslag van €2500 per persoon laat aanvragen. Dat is slecht voor de moraal en slecht voor de schatkist. Dat moet worden aangepakt. Dus als het structureel gaat om criminele activiteiten op fiscaal gebied kan de FIOD-ECD worden ingeschakeld. Maar incidenten zoals de heer Teeven noemde, die voor 2001 plaatsvonden, zullen door de Belastingdienst worden afgehandeld in het administratiefrechtelijke circuit.

Het observatieteam van de FIOD-ECD kan ook voor de politie worden ingezet. Over en weer staan observatieteams elkaar bij.

De heer Teeven (VVD): Ik heb eerder gevraagd hoeveel fte’s van de 1152 fte’s die bij de FIOD-ECD werkzaam zijn structureel worden ingezet in het kader van de bestrijding van de georganiseerde misdaad in samenwerkingsverbanden met de politie. Daar is de staatssecretaris nog niet op ingegaan.

Staatssecretaris De Jager: Het is moeilijk aan te geven hoeveel dat er structureel zijn, omdat de inzet sterk fluctueert. Gemiddeld gaat het om 30 fte’s per jaar. Soms is dat veel meer en soms veel minder. Bij grote witwasonderzoeken en bij onderzoeken naar terrorismefinanciering kunnen het er meer zijn.

De heer Teeven (VVD): Over hoeveel rechercheplaatsen gaat het dan totaal? Ik kan mij voorstellen dat van de 1152 fte’s een aantal administratief personeel is. Om hoeveel rechercheurs gaat het?

Staatssecretaris De Jager: Ongeveer 1000, grof gezegd. Bij de grote fraudeonderzoeken die recentelijk in de pers zijn gekomen, zijn 600 van de 1000 rechercheurs ingezet om op enig moment invallen te doen. U ziet dat dit een enorme wissel trekt op de FIOD-ECD. De FIOD-ECD, een dienstonderdeel van de Belastingdienst, wordt voor meer departementen ingezet. Ook bij de verwevenheid van de bovenwereld met de onderwereld speelt fiscale fraude een grote rol. Het is belangrijk om daarin op te treden. Wellicht is het goed om te melden, dat de Belastingdienst de grootste hofleverancier is van zaken voor de FIOD-ECD. Uit het toezicht van de Belastingdienst komt ontzettend veel naar boven dat zich leent voor opsporing door de FIOD-ECD. Dat wordt eerst in het tripartiete overleg met het Openbaar Ministerie besproken. Het OM bepaalt mede of een zaak zich leent voor verdere behandeling in het strafrechtelijke circuit. Zo niet, dan wordt de zaak weer ter afhandeling aan de Belastingdienst teruggegeven. Bij heel veel zaken, ook soms buitenfiscale zaken, constateert de Belastingdienst dat er iets aan de hand is. Dat wordt dan in goede samenwerking met de FIOD-ECD afgestemd.

De heer Teeven (VVD): Hoort de staatssecretaris wel eens van de FIOD-ECD dat het Functioneel Parket het aanbod niet weg kan werken? Ik vraag mij namelijk af of de FIOD-ECD zich bezighoudt met fiscale zaken die in de strafrechtelijke sfeer tot niets leiden, terwijl de FIOD-ECD dan beter met de politie zou kunnen samenwerken.

Staatssecretaris De Jager: Het antwoord op uw directe vraag is «nee». Uw vervolgvraag zal dan wel zijn of ik dat wil nagaan bij de FIOD. Voor een goed begrip, vraagt u of de capaciteit van de FIOD-ECD groter is dan wat het Functioneel Parket aankan? Wilt u weten of er een bottleneck is bij het Functioneel Parket?

De heer Teeven (VVD): Ja, ik wil weten of er bij de opsporing en vervolging van fiscale en douanefraude een bottleneck is. Dan zou je ervoor kunnen kiezen om die mensen in samenwerking met de politie meer in te zetten voor andere dingen.

Staatssecretaris De Jager: Ik kom hier nog op terug. Ik hoop dat ik het enorme belang van de aanpak van fiscale en douanefraude goed heb duidelijk gemaakt, ook in het maatschappelijk belang en in het belang van een deugdelijke bestrijding van criminaliteit in Nederland.

Gevraagd is of huurfraudezaken behoren tot het takenpakket van de FIOD-ECD. Wanneer huurders gedurende een langere periode geen huur betalen, is er geen sprake van fraude maar van wanbetaling. Dat valt onder het civiele recht en is derhalve geen taak van de FIOD-ECD. Wanneer echter sprake is van oplichting kan er aangifte volgen bij het Openbaar Ministerie. Het OM beslist vervolgens welke opsporingsdienst met het onderzoek wordt belast. Het ligt dus meer op het terrein van Justitie welke dienst wordt ingeschakeld.

De heer Van Haersma Buma heeft ook gevraagd naar de internationale samenwerking van opsporingsdiensten. De FIOD-ECD heeft goede internationale contacten met bijvoorbeeld diensten in Frankrijk, Engeland, Duitsland, België en Oostenrijk, ook via het uitzetten van rechtshulpverzoeken. Er zijn contacten met de Verenigde Staten en Italië op het terrein van witwaspraktijken, vastgoed en precusoren. Precusoren zijn halffabrikaten van drugs. Het beleid van de FIOD-ECD is gericht op het intensiveren van de internationale contacten. Financiële fraude als witwasfraude, fiscale fraude en douanefraude heeft altijd al een internationale dimensie gehad. Die zaken nemen eerder toe dan af, dus die internationale samenwerking is ontzettend belangrijk.

Van de kant van de PVV is gevraagd naar beletselen voor informatie-uitwisseling tussen de verschillende BOD’s. Die zijn er niet. Afgesproken is dat de informatie-uitwisseling gebeurt onder toezicht van het Openbaar Ministerie. Vaak wordt er in convenanten afgesproken wat er met de informatie in het kader van een specifiek onderzoek gedaan mag worden. Voorzover mij bekend, zijn er heden geen beletselen voor. Tussen de FIOD-ECD en de Belastingdienst is een dergelijk convenant natuurlijk niet nodig, omdat het één dienstonderdeel is. Dat is het grote voordeel van het feit dat de FIOD-ECD in de Belastingdienst is opgenomen. Er is dan geen sprake van eventuele schotten. Wij zien dus helemaal geen schotproblemen tussen de FIOD-ECD en de Belastingdienst. Met andere BOD’s zijn er goede afspraken gemaakt of wordt informatie uitgewisseld onder toezicht van het Openbaar Ministerie en zijn er ook geen schotproblemen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Mij bereiken veel berichten dat de douane moeilijk doet over het verstrekken van douane-informatie uit het toezicht aan de politiekorpsen. Er is een zeer stringent onderscheid tussen controle-informatie en opsporingsinformatie bij de douane. Maar ook bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad, één van de prioriteiten van dit kabinet als het gaat om de BOD’s, wordt daar moeilijk over gedaan. Kan de staatssecretaris daarop ingaan?

Ik heb nog een vraag over de verbeterde aangifte, waarover ook schriftelijke vragen zijn gesteld. Wanneer een goedwillende burger nu verbeterde aangifte wil doen, loopt hij onmiddellijk tegen artikel 420bis Wetboek van Strafrecht aan, omdat er sprake kan zijn van witwaspraktijken. Is de staatssecretaris voornemens artikel 69, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen te wijzigen?

De heer Heerts (PvdA): Voorzitter. De staatssecretaris had het over fraude met toeslagen. Is er wat dat betreft voldoende synergie tussen de fraudebestrijders van de SVB, de gemeenten en het UWV? Wordt daar voldoende prioriteit aan gegeven? Wat vindt de staatssecretaris van een fraudebestrijdingsdienst die zich bezighoudt met alle toeslagen? In de toeslagensfeer wordt namelijk vaak georganiseerd gefraudeerd.

Staatssecretaris De Jager: Voorzitter. Om met die laatste vraag te beginnen, een dergelijke dienst is er natuurlijk al: de FIOD-ECD. Alle toeslagen vallen onder de Belastingdienst en daarom wordt alle fraude op dit terrein door de FIOD-ECD bestreden. Er is wel goed contact met de opsporingsdienst van Sociale Zaken, de SIOD. FIOD-ECD en SIOD werken heel goed samen, maar de FIOD-ECD is de centrale opspoorder voor toeslagenfraude.

Mij hebben geen signalen bereikt dat de douane moeilijk doet over het verstrekken van informatie. Voorzover ik weet kan de informatie gewoon worden verstrekt, mits de politie opsporing doet onder leiding van een officier van justitie. Wellicht doelt de heer Teeven op een situatie waarin een politieagent zelf even belt. In dit soort situaties is er over het algemeen een uitwisselingsconvenant.

Wat de tweede vraag van de heer Teeven betreft zal ik de Kamer de beantwoording van de schriftelijke vragen doen toekomen. Ik kan wel alvast een tipje van de sluier oplichten. Er is geen wetswijziging nodig. Overigens vindt hierover overleg plaats tussen het ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie. Ik zal dat nog preciezer uiteenzetten in de schriftelijke beantwoording van de vragen van de Kamer.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).