nr. 296
BRIEF VAN STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2005
De Vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in haar
procedurevergadering van 15 maart jl. gevraagd naar de voortgang van
de beantwoording van de schriftelijke vragen over de uitvoering van de motie-Noorman-den
Uyl/Van Oerle-van der Horst (17 050, nr. 272) inzake de controle op het
voeren van een gezamenlijke huishouding door AOW-ers.
Ik ben me er van bewust dat de Vaste commissie voor SZW veel belang hecht
aan een spoedige beantwoording van de betreffende vragen, gelet op de mogelijke
consequenties voor belanghebbenden.
Een zorgvuldige afhandeling van de vragen vergt echter meer tijd dan voorzien,
mede omdat informatie moet worden ingewonnen bij de SVB.
Ik zal u de antwoorden nog in april doen toekomen.
In dit verband meen ik er goed aan te doen ter toelichting uw aandacht
te vragen voor het volgende.
Tijdens het Algemeen Overleg op 7 oktober 2004 over de interpretatie
van de criteria voor samenleven, is onder meer gesproken over de positie van
twee ongehuwde bloedverwanten in de tweede graad die een gezamenlijke huishouding
voeren en van wie bij een van hen sprake is van zorgbehoefte.
Ik heb destijds toegezegd te zullen onderzoeken of het mogelijk is een
regeling in de AOW op te nemen analoog aan die in de WWB, op grond waarvan
wordt voorkomen dat zo'n situatie zal resulteren in een verlaging van de uitkering.
Ik ben mij er van bewust dat er sinds het moment waarop de toezegging
is gedaan, geruime tijd is verstreken. Helaas heeft het onderzoek meer tijd
in beslag genomen dan was voorzien.
Vanuit juridisch oogpunt is gekeken naar de afbakeningsproblematiek, mede
gelet op de criteria die daarbij een rol spelen, namelijk de zorgverlening
enerzijds en de tweedegraadbloedverwantschap anderzijds. Uiteraard speelt
daarbij ook de afstemming met de WWB een rol.
Voorts is gekeken naar onder meer de uitvoerbaarheid, waarvoor de uitvoerende
instanties zijn geconsulteerd. Daarbij gaat het zowel om zaken als handhaafbaarheid
als om de invulling van eerder genoemde criteria, alsmede om de financiële
effecten. In dat verband wordt ook gekeken naar de AWBZ.
Het is mijn bedoeling om u, tegelijk met de beantwoording van de schriftelijke
vragen, uitgebreid te informeren over de stand van zaken ten aanzien van het
onderzoek.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. A. L. van Hoof