De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
Voor artikel I, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
0A
In artikel 7, tweede lid, onderdeel a, wordt na «in de artikelen» ingevoegd «161quater,
161quinquies, 173a tot en met 173d,».
Toelichting
Dit amendement beoogt te regelen dat wanneer een Nederlander (of Nederlandse rechtspersoon)
in het buitenland op strafbare wijze mensen, dieren, planten of goederen aan ioniserende
straling blootstelt, of mensen, dieren, planten, goederen, bodem, water of lucht met
radioactieve stoffen besmet, hiervoor vervolgd kan worden, ook als dit in Nederland
strafbare feit niet strafbaar is in het land waarin het delict gepleegd is.
Ditzelfde ook voor een Nederlander (of Nederlandse rechtspersoon) die in het buitenland
op strafbare wijze een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater
brengt, en voor een rechtspersoon die op strafbare wijze waren verkoopt of te koop
aanbiedt waarvan het gebruik op een grotere schaal ten gevolge heeft dat een stof,
voorwerp of energie op of in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater wordt gebracht
dan wel dat de bodem, de lucht of het oppervlaktewater aan ioniserende straling wordt
blootgesteld.
In Artikel 7, eerste lid, van de Nederlandse strafwet staat dat deze toepasselijk
is op de Nederlander (of Nederlandse rechtspersoon) die zich buiten Nederland schuldig
maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en
waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. In het tweede
lid van Artikel 7 staan hierop uitzonderingen geformuleerd, bijvoorbeeld bij het helpen
van een vervolgde crimineel in het buitenland, het vervalsen van bewijsmateriaal,
of het omkopen van een rechter. Hetzelfde geldt bij gedwongen uithuwelijking en seksuele
misdrijven. Het is logisch dat we dit bestraffen of dit nou strafbaar is in het buitenland
of niet.
De indiener is van mening dat ernstige milieudelicten van aanzienlijke omvang, waar
dan ook ter wereld gepleegd door Nederlanders en Nederlandse bedrijven, moeten kunnen
rekenen op vervolging, ook als dit delict in het desbetreffende land niet als strafbaar
wordt beschouwd. Deze delicten zijn namelijk van zo’n grove aard met zulke grote consequenties
dat we dit niet afhankelijk moeten maken van de moderniteit van het strafrecht in
andere landen.
Artikel 12 van de EU-richtlijn roept lidstaten op om de nodige maatregelen te nemen
om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde
strafrechtelijke delicten, indien: d) de dader onderdaan van die lidstaat is. In de
memorie van toelichting wordt aangegeven dat de regering van plan is dit te verwerken
in het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (BIVR).
De indiener is van mening dat de delicten van de wetswijziging echter thuishoren in
Artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee is direct duidelijk voor Nederlanders
(en Nederlandse rechtspersonen) dat ze ook bestraft kunnen worden voor aanzienlijke
milieuvernietiging in het buitenland. Ook zijn hierdoor wijzigingen op dit gebied
eenvoudiger controleerbaar voor de Kamer, omdat ze per wetswijziging geregeld zullen
worden in plaats van per Amvb.
Teunissen