De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
In artikel I vervalt onderdeel B.
II
In artikel I vervalt onderdeel C.
Toelichting
Op 30 januari 2026 werd het coalitieakkoord «Aan de slag» gepresenteerd. Hierin is
afgesproken dat de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (hierna:
Twbmt) permanent wordt gemaakt.
De huidige Twbmt maakt het in artikel 6 mogelijk dat bestuursorganen beschikkingen
weigeren of intrekken als aanvragers in verband kunnen worden gebracht met terroristische
activiteiten of het ondersteunen daarvan, of als het ernstige gevaar bestaat dat beschikkingen
worden gebruikt voor terroristische activiteiten. Het kan daarbij gaan om beschikkingen
op aanvragen voor een subsidie, vergunning of ontheffing of erkenning. De noodzaak
van deze bestuurlijke maatregel is net als de andere maatregelen in de Twbmt gelegen
in de bescherming van de nationale veiligheid tegen gevaar dat met andere maatregelen,
zoals het strafrecht, (nog) niet kan worden weggenomen. De bevoegdheid tot het intrekken
en weigeren van subsidies is dan ook gericht op personen van wie een gevaar voor de
nationale veiligheid uitgaat, maar wier gedragingen (nog) niet resulteren in strafbare
feiten.
In het wetsvoorstel van 20 maart 2026 wordt de bevoegdheid van artikel 6 Twbmt geschrapt,
omdat er volgens het kabinet in de praktijk onvoldoende meerwaarde bestaat binnen
het bestaande contraterrorisme-instrumentarium. De bevoegdheid is sinds de invoering
van de wet nog niet toegepast.
Indieners menen dat de tekst van het coalitieakkoord geen ruimte laat voor de interpretatie
van het kabinet dat een deel van de Twbmt permanent wordt gemaakt en een ander deel
niet. Daarom stellen de indieners via dit amendement voor het wetsvoorstel in lijn
te brengen het coalitieakkoord.
Daarnaast heeft het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) in zijn consultatiereactie
gesteld de onderbouwing van het laten vervallen van artikel 6 Twbmt bijzonder matig
te vinden. Het feit dat een bepaling in de praktijk niet is toegepast is geen gegronde
reden om deze vervolgens te laten vervallen. Ook heeft het NGB hierbij opgemerkt dat
tijdens de voorbereiding van de wetswijziging beter aansluiting gezocht had kunnen
worden bij burgemeesters. Het NGB herkent zich niet in de stelling van het kabinet
dat uit «gesprekken met veiligheidspartners» blijkt dat behoud van de bevoegdheid
niet noodzakelijk is.
De noodzaak tot handhaving van artikel 6 Twbmt werd bij de verlenging van de wet (Kamerstukken
II 2021/22, 35 917, nr. 6) geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld. Als er subsidie wordt verstrekt voor
een stichting die activiteiten organiseert voor de jeugd in een wijk met problemen
met hangjongeren, en nadien blijkt dat (leden van) het bestuur van de stichting waaraan
de subsidie is verleend, banden blijkt te hebben met een terroristische organisatie,
zodat het ernstige gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden aangewend voor terroristische
activiteiten of de ondersteuning daarvan, dan kan de bevoegdheid van artikel 6 worden
ingezet. Ook het huidige kabinet erkent dat op voorhand geen garantie valt te geven
dat een dergelijke situatie, ook al is deze hypothetisch, zich nooit voor kan doen.1 Alleen al om die reden achten de indieners het onwenselijk dat de bevoegdheid zou
komen te vervallen.
Martens-America Straatman D. van Dijk Van der Plas