De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel I vervalt onderdeel B.
II
In artikel I vervalt onderdeel C.
Toelichting
Dit amendement strekt ertoe artikel 6 van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen
terrorismebestrijding, alsmede de daarmee samenhangende overlegverplichting in artikel
7, tweede lid, in stand te laten.
Artikel 6 geeft bestuursorganen de bevoegdheid een subsidie, vergunning, ontheffing
of erkenning te weigeren of in te trekken wanneer de betrokkene op grond van zijn
gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning
daarvan én ernstig gevaar bestaat dat de betreffende beschikking daarvoor mede zal
worden gebruikt. De bepaling voorkomt daarmee dat de overheid zelf, direct of indirect,
terroristische activiteiten faciliteert.
Bij de oorspronkelijke invoering van deze wet is deze bevoegdheid bewust als aanvullende
algemene grondslag opgenomen. De regering constateerde destijds dat bestaande instrumenten
niet alle situaties afdekken. De Wet Bibob is slechts op bepaalde beschikkingen van
toepassing en ook bestaande mogelijkheden om subsidies te weigeren of in te trekken
waren niet in alle gevallen toereikend. Artikel 6 moest juist voorkomen dat een bestuursorgaan
geen mogelijkheid heeft in te grijpen terwijl ernstig gevaar bestaat dat overheidsgeld
of een overheidstoestemming wordt gebruikt voor terroristische activiteiten.
De indiener acht het enkele feit dat deze bevoegdheid tot op heden niet is toegepast
onvoldoende reden om haar definitief uit de wet te verwijderen. Dat een bevoegdheid
niet eerder noodzakelijk is gebleken, betekent niet dat de situatie waarvoor zij in
het leven is geroepen zich in de toekomst niet kan voordoen. Juist bij terrorismebestrijding
gaat het vaak om uitzonderlijke situaties met potentieel zeer ernstige gevolgen.
Daarbij is niet aangetoond dat de juridische leemte waarvoor artikel 6 oorspronkelijk
is ingevoerd inmiddels volledig door andere wetgeving is weggenomen. Schrapping betekent
daardoor dat een algemene vangnetbevoegdheid uit het instrumentarium verdwijnt, zonder
dat daarvoor een gelijkwaardige vervangende bevoegdheid in de plaats komt.
De bevoegdheid kent bovendien een hoge toepassingsdrempel. Niet alleen moet de betrokkene
door zijn gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten
of de ondersteuning daarvan, er moet daarnaast ernstig gevaar bestaan dat de subsidie,
vergunning, ontheffing of erkenning daarvoor mede zal worden gebruikt. Een enkel vermoeden
is daarmee onvoldoende.
De indiener acht het onwenselijk een specifiek wettelijk instrument te schrappen waarmee
kan worden voorkomen dat publieke middelen, vergunningen, ontheffingen of erkenningen
ten goede komen aan terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Juist
nu wordt voorgesteld de overige maatregelen uit deze wet permanent onderdeel te maken
van het instrumentarium voor terrorismebestrijding, dient ook deze preventieve vangnetbevoegdheid
beschikbaar te blijven voor het geval waarin zij noodzakelijk blijkt.
Lammers