Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2026-2027 | 37038 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2026-2027 | 37038 nr. 2 |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is een wettelijke voorziening te treffen op grond waarvan bevoegdheden worden gecreëerd ten aanzien van buitenlandse schepen en schepen zonder nationaliteit, gelet op enkele artikelen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Wet buitenlandse schepen wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 komt te luiden:
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
– aansluitende zone: aansluitende zone van Nederland als bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling aansluitende zone;
– buitenlands schip: zeeschip dat op basis van diens nationaliteit gerechtigd is een vlag te voeren, niet zijnde de vlag van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 5 van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen;
– exclusieve economische zone: gebied van Nederland als bedoeld in artikel 1 van het Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone;
– exploitant: eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
– haven: anker- of ligplaats onder Nederlandse jurisdictie voor schepen, al dan niet in zee;
– kapitein: gezagvoerder van een zeeschip of diens vervanger;
– nationaliteit: nationaliteit van zeeschepen als bedoeld in artikel 91 van het VN-Zeerechtverdrag;
– Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
– pleziervaartuig: schip dat uitsluitend bestemd is of gebruikt wordt voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, voor zover geen vergoeding wordt betaald voor het vervoer van passagiers;
– schip zonder nationaliteit: zeeschip, niet zijnde een pleziervaartuig, dat geen buitenlands schip is en dat niet de vlag van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet nationaliteit zeeschepen, voert;
– territoriale zee: territoriale zee van Nederland als bedoeld in de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee;
– VN-Zeerechtverdrag: het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83).
2. Voor de toepassing van deze wet wordt met een schip zonder nationaliteit gelijkgesteld een zeeschip dat vaart met de nationaliteit van twee of meer staten.
B
Artikel 2 komt te luiden:
1. Op buitenlandse schepen, waaronder mede begrepen schepen die op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, die varen in Europese wateren onder Nederlandse jurisdictie zijn de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze wet van toepassing.
2. Op buitenlandse schepen en op schepen zonder nationaliteit die varen in de territoriale zee, in de exclusieve economische zone of op volle zee zijn de hoofdstukken 2a, 3 en 4 van toepassing.
3. Uitgezonderd van het toepassingsbereik, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen die in gebruik zijn voor de uitvoering van een militaire taak en voor andere dan handelsdoeleinden gebruikte overheidsschepen.
C
Na artikel 2 wordt een artikel aan hoofdstuk 1 toegevoegd, luidende:
1. Onze Minister kan een buitenlands schip of een schip zonder nationaliteit de toegang tot een Nederlandse haven weigeren ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet, of van de nationale veiligheid.
2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt niet ingezet indien het schip of de aan boord zijnde personen in nood verkeren.
3. Bij toepassing van het eerste lid ter bescherming van de nationale veiligheid vindt weigering plaats in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
D
Het opschrift van hoofdstuk 2 komt te luiden:
E
Na artikel 4 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Vaart op zee vindt uitsluitend plaats door buitenlandse schepen en zeeschepen die gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren.
1. Een buitenlands schip heeft het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee, bedoeld in artikelen 17 tot en met 19 van het VN-Zeerechtverdrag.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld betreffende de onschuldige doorvaart ten aanzien van:
a. de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het verkeer op zee;
b. de bescherming van hulpmiddelen bij en voorzieningen voor de navigatie en van andere voorzieningen of installaties;
c. de bescherming van kabels en pijpleidingen;
d. het behoud van de levende rijkdommen van de zee;
e. het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake visserij;
f. de bescherming van het milieu van de kuststaat en het voorkomen, verminderen en bestrijden van de verontreiniging ervan;
g. wetenschappelijk zeeonderzoek en hydrografische karteringswerkzaamheden;
h. het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
3. De doorvaart van een buitenlands schip is niet onschuldig indien het schip een gevaar oplevert voor de vrede, de orde of de veiligheid.
F
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid wordt «het bij of krachtens deze wet bepaalde» vervangen door «het bij of krachtens in hoofdstuk 2 van deze wet bepaalde».
2. In het eerste en tweede lid wordt «Inspectie Verkeer en Waterstaat» vervangen door «Inspectie Leefomgeving en Transport».
G
Na artikel 5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens in hoofdstuk 2a van deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2. Indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, ambtenaren betreft ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister, wordt het desbetreffende besluit genomen in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.
3. Van een besluit van Onze Minister als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste of tweede lid bedoelde ambtenaren hun taak uitoefenen.
H
Na artikel 7 worden zes artikelen ingevoegd, luidende:
1. Indien er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat een schip zonder nationaliteit vaart in de territoriale zee, exclusieve economische zone of op volle zee, kan een toezichthouder een onderzoek instellen naar de nationaliteit van het schip.
2. Een toezichthouder kan aan boord van het schip gaan voor nader onderzoek.
3. Een toezichthouder kan een schip aanhouden indien:
a. is vastgesteld dat het schip zonder nationaliteit vaart, of het vermoeden blijft bestaan dat het schip zonder nationaliteit vaart; of
b. de exploitant, de kapitein of de overige leden van de bemanning van een schip niet de door een toezichthouder gevorderde medewerking verlenen bij het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid.
1. Een toezichthouder kan een buitenlands schip in de territoriale zee aanhouden indien is vastgesteld of er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:
a. er handelingen in strijd met de regels, bedoeld in artikel 4b, tweede lid, hebben plaatsgevonden of gaan plaatsvinden; of
b. de doorvaart van het schip niet onschuldig is als bedoeld in artikel 4b, derde lid.
2. Een toezichthouder kan een buitenlands schip in de aansluitende zone aanhouden:
a. indien is vastgesteld of er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat op het grondgebied of in de territoriale zee inbreuk is gemaakt op een wettelijk voorschrift inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid; of
b. teneinde te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op een wettelijk voorschrift inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid dat van toepassing is op het grondgebied of in de territoriale zee.
3. Een toezichthouder kan een buitenlands schip in de exclusieve economische zone aanhouden indien is vastgesteld of er gegronde reden bestaat om aan te nemen dat met het schip in de exclusieve economische zone inbreuk is gemaakt op een Nederlands wettelijk voorschrift dat overeenkomstig het VN-Zeerechtverdrag van toepassing is in de exclusieve economische zone.
4. Na het geven van een bevel tot stoppen kan een toezichthouder ten behoeve van een aanhouding als bedoeld in het eerste lid, tweede lid, onderdeel a, of derde lid een buitenlands schip dat zich in de in dat lid bedoelde zone bevindt, ook daarbuiten achtervolgen zolang de achtervolging niet is onderbroken.
5. De achtervolging stopt zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van een andere staat bereikt, tenzij die staat toestemming verleent om de achtervolging voort te zetten.
1. Na toestemming van de vlaggenstaat kan een buitenlands schip dat vaart door de territoriale zee, de exclusieve economische zone of op volle zee worden onderworpen aan een controle als bedoeld in artikel 14j van de Wet havenstaatcontrole.
2. Na toestemming van de vlaggenstaat kan een toezichthouder een schip aanhouden indien het schip niet is voorzien van een geldig certificaat of ander document als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet havenstaatcontrole, of de toestand van het schip, de scheepsuitrusting, de bemanning of de leef- en werkomstandigheden aan boord niet in overeenstemming zijn met de gegevens van het genoemde certificaat of document of niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van één of meer van de verdragen, genoemd in artikel 1, onderdeel b, van de Wet havenstaatcontrole.
1. Onze Minister kan een schip dat is aangehouden op grond van artikelen 7a, derde lid, 7b, eerste tot en met vierde lid, of 7c, tweede lid, naar een Nederlandse haven doen brengen.
2. Onze Minister kan een buitenlands schip ten behoeve van een inspectie als bedoeld in artikel 7c, eerste lid, naar een Nederlandse haven doen brengen.
3. Indien Onze Minister een schip naar een Nederlandse haven doet brengen als bedoeld in het eerste of tweede lid laat de daartoe bevoegde autoriteit het schip toe tot de desbetreffende haven.
4. Onze Minister kan een schip slechts na overleg met de in het derde lid bedoelde autoriteit naar een haven doen brengen. Indien zich een situatie voordoet die onmiddellijk ingrijpen nodig maakt, wordt het overleg zo spoedig mogelijk na het ingrijpen gevoerd.
1. De in artikelen 7a, tweede en derde lid, 7b, en 7c genoemde bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend met behulp van de sterke arm.
2. Bij toepassing van artikel 7d, eerste en tweede lid, kan het doen brengen van een schip naar de haven worden uitgeoefend met behulp van de sterke arm.
1. Onverminderd artikel 10a, vierde lid, heft de toezichthouder een aanhouding die is opgelegd op grond van artikelen 7a, 7b of 7c, op, zodra er geen reden is om de aanhouding van een schip langer te laten voortduren.
2. Afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de in artikelen 7a tot en met 7d bedoelde bevoegdheden.
I
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «op een door de toezichthouder in overeenstemming met de havenbeheerder aan te wijzen plaats» vervangen door «op een door de toezichthouder of, in geval van artikel 7d, eerste of tweede lid, door Onze Minister in overeenstemming met de havenbeheerder aan te wijzen plaats».
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. In verband met de veiligheid van een aangehouden schip of van de haven kan de toezichthouder op verzoek van de daartoe bevoegde autoriteit toestemming verlenen om een aangehouden schip tijdelijk naar een locatie buiten de haven te verplaatsen, onder voorwaarde dat de kapitein van het aangehouden schip radiocontact behoudt met de bedoelde bevoegde autoriteit.
J
Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Indien een schip is aangehouden op grond van artikelen 7a, derde lid, 7b, eerste tot en met vierde lid, of 7c, tweede lid, betaalt de exploitant van het aangehouden schip een vergoeding voor de kosten die voortvloeien uit de inzet van bevoegdheden als bedoeld in deze wet.
2. Indien de kosten redelijkerwijs niet tijdig worden vergoed door de exploitant van het aangehouden schip als bedoeld in het eerste lid, vergoedt Onze Minister de kosten die zijn verbonden aan het naar de haven doen brengen en het verblijf van het schip in de haven, voor zover die kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het gevaar en de hinder van het aangehouden schip of de risico’s verbonden aan het brengen van het schip naar, het verblijf in of het vertrek van die haven te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
3. Indien Onze Minister kosten vergoedt als bedoeld in het tweede lid, worden die kosten verhaald op de exploitant van het schip.
4. De aanhouding wordt niet opgeheven dan nadat de exploitant de kosten, bedoeld in het eerste of derde lid, heeft voldaan of ten genoegen van Onze Minister voldoende zekerheid heeft gesteld voor de vergoeding voor deze kosten.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de kosten en de vergoeding daarvan.
K
In hoofdstuk 4 wordt voor artikel 11 een artikel ingevoegd, luidende:
L
Artikel 11, eerste lid, komt te luiden:
1. Overtreding van de artikelen 8, eerste tot en met derde lid, en 10b wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
M
Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd:
N
Na artikel 12 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. De politie, alsmede de Koninklijke Marechaussee of enig ander onderdeel van de krijgsmacht bij wijze van bijstand aan de politie, is bevoegd ter uitvoering van hoofdstukken 1, 2a, 3 en 4 van deze wet of ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde met betrekking tot buitenlandse schepen en schepen zonder nationaliteit op te treden buiten de territoriale zee van Nederland, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 7 tot en met 10, 12 en 14, tweede en vierde lid, van de Politiewet 2012 is in dat geval van toepassing.
2. Indien de politie bijstand behoeft van de Koninklijke Marechaussee, enig ander onderdeel van de krijgsmacht of een bijzondere bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Politiewet 2012, ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde met betrekking tot buitenlandse schepen en schepen zonder nationaliteit buiten de territoriale zee van Nederland, is het bepaalde bij en krachtens de artikelen 57 tot en met 59 van de Politiewet 2012 van toepassing.
3. Indien de politie bijstand behoeft van de Koninklijke Marechaussee, enig ander onderdeel van de krijgsmacht of een bijzondere bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Politiewet 2012, ter uitvoering van deze wet, is het bepaalde bij en krachtens de artikelen 57 en 58 van de Politiewet 2012 van toepassing en is het bepaalde bij en krachtens artikel 59 van de Politiewet 2012 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat telkens in plaats van «het gezag» wordt gelezen: Onze Minister.
De Scheepvaartverkeerswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 2 wordt een artikel aan hoofdstuk 1 toegevoegd, luidende:
1. Onze Minister kan bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit een in de territoriale zee gelegen gebied afsluiten ter bescherming van de belangen, bedoeld in artikel 3, of van de nationale veiligheid.
2. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt de periode van de afsluiting opgenomen.
3. Indien Onze Minister een gebied afsluit als bedoeld in het eerste lid ter bescherming van de nationale veiligheid, wordt het besluit genomen in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
B
In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, vervalt «externe».
In artikel 409 van het Wetboek van Strafrecht vervalt «op grond van voor Nederland geldende rechtsregels» en wordt «gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie» vervangen door «gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie».
In artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht BES wordt «gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de eerste categorie» vervangen door «gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie».
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
De Minister van Justitie en Veiligheid,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-37038-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.