37 024 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de loonbelasting 1964 en enige andere wetten inzake de belastingheffing met betrekking tot aandelenoptierechten van werknemers en de daaruit verkregen aandelen van start-ups en scale-ups en inzake de afschaffing van de stakingsaftrek en de meewerkaftrek (Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups)

Nr. 2 HERDRUK1 VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is om, met het oog op een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor innovatieve ondernemingen een grondslagversmalling met betrekking tot het inkomen ter zake van door start-ups of scale-ups verstrekte aandelenoptierechten door te voeren en in beginsel belasting te heffen bij vervreemding van het aandelenoptierecht of de daaruit verkregen aandelen en de stakingsaftrek en de meewerkaftrek af te schaffen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.8, tweede lid, wordt na «eerste of tweede lid» ingevoegd «, artikel 3.83a, eerste lid».

B

In de in artikel 3.78, tweede lid, opgenomen tabel wordt in de laatste kolom «1,25%» vervangen door «0,32%» en wordt «2%» vervangen door «0,5%». Voorts wordt «3%» vervangen door «0,75%» en wordt «4%» vervangen door «1%».

C

In artikel 3.79, tweede en vierde lid, wordt «€ 3 630» vervangen door «€ 908».

D

Na artikel 3.83 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.83a Aandelenoptierechten in grensoverschrijdende situaties

  • 1. Indien een werknemer of gewezen werknemer anders dan door overlijden ophoudt binnenlandse belastingplichtige te zijn en op dat tijdstip een of meer aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10b van de Wet op de loonbelasting 1964 of een of meer daaruit verkregen aandelen bezit ter zake waarvan geen loon als bedoeld in artikel 10b, eerste of derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in aanmerking is genomen, wordt tot het loon gerekend het volgens de regels van artikel 10b van de Wet op de loonbelasting 1964 berekende voordeel als ware het aandelenoptierecht, onderscheidenlijk het aandeel, op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip door de werknemer vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer van dat aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel, op het laatstgenoemde tijdstip. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen toepassing van het eerste lid achterwege kan blijven.

E

In artikel 3.146, derde lid, wordt na «uit een pensioenregeling» ingevoegd «en het in artikel 3.83a, eerste lid, bedoelde loon ter zake van aandelenoptierechten of daaruit verkregen aandelen».

ARTIKEL II

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.22, eerste lid, wordt «3.20, 3.25» vervangen door «3.20 en 3.25» en vervalt «en 3.79,».

B

In artikel 3.74 vervallen de onderdelen c en d, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel a door «, en» en onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel b door een punt.

C

De artikelen 3.78 en 3.79 vervallen.

D

Artikel 10a.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het zevende lid vervalt, onder vernummering van het achtste tot en met vijftiende lid tot zevende tot en met veertiende lid.

2. In het zevende lid (nieuw) wordt «twaalfde» vervangen door «elfde».

3. In het elfde lid (nieuw) wordt «achtste» vervangen door «zevende».

4. In het twaalfde tot en met veertiende lid (nieuw) wordt «twaalfde» vervangen door «elfde».

ARTIKEL III

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 10, vijfde lid, onderdeel c, wordt na «artikel 10a» ingevoegd «of artikel 10b».

B

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tiende lid wordt «vierde lid, onderdeel a» vervangen door «vierde lid, onderdeel b.

2. Na het veertiende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 15. Waar in dit artikel wordt gesproken over aandelen worden daaronder mede verstaan met aandelen gelijk te stellen rechten als bedoeld in het zesde lid.

C

Na artikel 10a worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 10b

  • 1. Ingeval een start-up of scale-up in het kader van een tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking met een of meer van zijn werknemers een aandelenoptierecht is overeengekomen en Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat ter zake van die start-up of scale-up een beschikking als bedoeld in artikel 10bb heeft gegeven, behoort, in afwijking van artikel 10a, tot het loon hetgeen door de werknemer wordt genoten ter zake van:

    • a. de vervreemding van het aandelenoptierecht; of

    • b. de vervreemding van de bij uitoefening van het aandelenoptierecht verkregen aandelen.

  • 2. Het bedrag dat ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel b, of het derde lid tot het loon behoort, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in rekening is gebracht (de uitoefenprijs), maar slechts voor het gedeelte dat betrekking heeft op de verkochte aandelen en niet verder dan tot nihil. Van het na die vermindering resterende bedrag wordt 65% als loon in aanmerking genomen.

  • 3. Naar keuze van de werknemer wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, tot het loon gerekend de waarde in het economische verkeer van de bij uitoefening van een aandelenoptierecht verkregen aandelen ten tijde van:

    • a. de uitoefening van het aandelenoptierecht; of

    • b. het na uitoefening van het aandelenoptierecht eerstvolgende tijdstip van verhandelbaar worden van de verkregen aandelen.

  • 4. Het derde lid is slechts van toepassing indien de werknemer de keuze, bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdelen a of b, uiterlijk op het tijdstip van uitoefening van het aandelenoptierecht, onderscheidenlijk het eerstvolgende tijdstip van verhandelbaar worden van de verkregen aandelen, schriftelijk kenbaar maakt aan de inhoudingsplichtige. De inhoudingsplichtige bewaart de vastlegging van de keuze van de werknemer bij de loonadministratie.

  • 5. Voor zover de waarde in het economische verkeer van de aandelen waarop het aandelenoptierecht betrekking heeft ten tijde van de toekenning van dat recht hoger was dan de uitoefenprijs, vindt het tweede lid, tweede zin, geen toepassing.

  • 6. Indien een werknemer in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip een aandelenoptierecht in een start-up of scale-up of uit een dergelijk aandelenoptierecht verkregen aandelen heeft, wordt de uitoefenprijs gelijkgesteld met de waarde in het economische verkeer van het aandelenoptierecht of uit een dergelijk aandelenoptierecht verkregen aandelen ten tijde van het gaan wonen in Nederland.

  • 7. Indien de werknemer, bedoeld in het zesde lid, voordien is opgehouden in Nederland te wonen, worden waardenmutaties die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de werknemer in Nederland woonde, niet betrokken in de waarde in het economische verkeer, bedoeld in het zesde lid.

  • 8. Indien de vervreemding van een aandelenoptierecht of aandeel plaatsvindt in het kader van een aandelenfusie, een splitsing van een rechtspersoon of een overname van 50% of meer van de aandelen in de start-up of scale-up, is artikel 10a, derde lid, van overeenkomstige toepassing. In aanvulling daarop wordt in het kader van dit artikel als vervreemding van een aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel, niet beschouwd het vervangen van het aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel, door een ander aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel. Indien het andere aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel, betrekking heeft op het kapitaal van een start-up of scale-up blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing op het andere aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel. Indien het andere aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel, geen betrekking heeft op het kapitaal van een start-up of scale-up, vindt heffing over het aandelenoptierecht of aandeel plaats op het na de vervanging eerstvolgende tijdstip van heffing, bedoeld in artikel 10a, eerste lid. In die situatie vindt het tweede lid, tweede zin, toepassing voor zover het loon betrekking heeft op de periode tussen het tijdstip van toekenning van het aandelenoptierecht en het tijdstip waarop de fusie, splitsing, onderscheidenlijk overname, heeft plaatsgevonden. Dit deel van het loon wordt tijdsevenredig vastgesteld naar de verhouding tussen de periode, bedoeld in de derde zin, en de periode na de fusie, splitsing, onderscheidenlijk overname, tot het tijdstip van uitoefening van het aandelenoptierecht ingeval de aandelen onmiddellijk verhandelbaar zijn of het verhandelbaar worden van de verkregen aandelen ingeval deze niet onmiddellijk verhandelbaar zijn.

  • 9. Ingeval bij vervreemding van het aandelenoptierecht of aandeel de tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, wordt voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen als genoten bedrag aangemerkt de waarde in het economische verkeer die ten tijde van de vervreemding aan dat aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel, kan worden toegekend.

  • 10. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder een aandelenoptierecht verstaan een recht:

    • a. dat de werknemer van een start-up of scale-up als bedoeld in artikel 10ba de mogelijkheid geeft om een of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te verkrijgen in het kapitaal van een op het moment van toekenning van het aandelenoptierecht als start-up of scale-up als bedoeld in artikel 10ba kwalificerende inhoudingsplichtige of in het kapitaal van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap die voor meer dan de helft belang heeft in de inhoudingsplichtige, mits deze verbonden vennootschap eveneens kwalificeert als een start-up of scale-up als bedoeld in artikel 10ba en daartoe beschikt over een beschikking als bedoeld in artikel 10bb;

    • b. dat wordt toegekend door een inhoudingsplichtige die op het moment van toekenning van het recht voldoet aan de definitie van een kleine, middelgrote en micro-onderneming als bedoeld in bijlage I, artikel 2, bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

    • c. waarvan in de voorwaarden schriftelijk tussen de werknemer en de inhoudingsplichtige is overeengekomen dat:

      • 1°. de door uitoefening van het aandelenoptierecht verkregen aandelen niet eerder dan twee jaar na toekenning van dat aandelenoptierecht kunnen worden vervreemd, tenzij er sprake is van een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming van de inhoudingsplichtige;

      • 2°. de werknemer verplicht is ter zake van iedere vervreemding van de aandelen die zijn verkregen door de uitoefening van het aandelenoptierecht schriftelijke goedkeuring te verkrijgen van de inhoudingsplichtige door middel van een door de werknemer, de inhoudingsplichtige en de koper gezamenlijk ondertekende overeenkomst; en

    • d. ter zake waarvan de inhoudingsplichtige zijn administratie op zodanige wijze voert dat daaruit voor het aandelenoptierecht en het aandeel waarop dat aandelenoptierecht betrekking heeft, op ieder tijdstip de adequate vastlegging van het aandelenbezit, het aandelenoptierecht en de transacties, waaronder het vastleggen dat wordt voldaan aan de goedkeuringsverplichtingen en feitelijke transacties, volgt.

  • 11. Het tiende lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het voordeel voor de onderneming waartoe de inhoudingsplichtige behoort dat voortvloeit uit de toepassing van dit artikel niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, wordt overschreden.

  • 12. Indien de beschikking, bedoeld in artikel 10bb, vervalt of wordt ingetrokken, de start-up of scale-up ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het tiende lid, dan wel de werknemer komt te overlijden, wordt het aandelenoptierecht of aandeel op het tijdstip waarop de beschikking vervalt of wordt ingetrokken, het tijdstip waarop de start-up of scale-up ophoudt inhoudingsplichtige te zijn, het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in het tiende lid, wordt voldaan, onderscheidenlijk het tijdstip van overlijden van de werknemer, tot het loon gerekend tegen de op dat tijdstip geldende waarde in het economische verkeer van dat aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel. Indien het aandelenoptierecht nog niet is uitgeoefend of de door uitoefening verkregen aandelen nog niet onmiddellijk verhandelbaar zijn op het tijdstip, bedoeld in de eerste zin, wordt de waarde, bedoeld in de eerste zin, op het tijdstip van uitoefening of het daarna eerstvolgende tijdstip van verhandelbaarheid tot het loon gerekend tegen de op dat tijdstip geldende waarde in het economische verkeer van dat aandelenoptierecht, onderscheidenlijk aandeel.

  • 13. Indien het twaalfde lid toepassing vindt, vindt het tweede lid, tweede zin, slechts toepassing op het loon, bedoeld in het twaalfde lid, dat betrekking heeft op de periode die is gelegen tussen het tijdstip van toekenning van het aandelenoptierecht en het tijdstip waarop de beschikking vervalt of wordt ingetrokken, het tijdstip waarop de start-up of scale-up niet langer inhoudingsplichtige is, het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in het tiende lid, wordt voldaan, onderscheidenlijk het tijdstip van overlijden van de werknemer. Dit loon wordt tijdsevenredig vastgesteld naar de verhouding tussen de periode, bedoeld in de eerste zin, en de periode tussen het tijdstip van toekenning van het aandelenoptierecht en het eerstvolgende tijdstip, bedoeld in artikel 10a, eerste lid.

  • 14. Tot het loon ter zake van een aandelenoptierecht worden mede gerekend de voordelen die de werknemer geniet ter zake van de bij uitoefening van dat aandelenoptierecht verkregen aandelen waarop het eerste en derde lid geen toepassing hebben gevonden, verminderd met de op die voordelen betrekking hebbende kosten, maar niet verder dan tot nihil. Het tweede lid, tweede zin, is, onder overeenkomstige toepassing van het dertiende lid, van toepassing op het na die vermindering resterende bedrag voor zover deze betrekking heeft op een periode waarin de inhoudingsplichtige beschikt over een beschikking als bedoeld in artikel 10bb.

  • 15. Dit artikel is niet van toepassing indien:

    • a. het aandelenoptierecht of aandeel kwalificeert als een lucratief belang als bedoeld in artikel 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    • b. de werknemer voor of na toekenning van de aandelenoptierechten een aanmerkelijk belang bezit als bedoeld in afdeling 4.3 van die wet.

  • 16. Bij de toepassing van dit artikel is artikel 10a, vierde, tiende en veertiende en vijftiende lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat artikel 10a, tiende lid, alleen van overeenkomstige toepassing is als de vervangende aandelen worden verkregen in een inhoudingsplichtige die een beschikking heeft als bedoeld in artikel 10bb.

  • 17. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. de toepassing van het tiende lid, aanhef en onderdelen b en c; en

    • b. de wijze waarop voor de toepassing van het elfde lid wordt vastgesteld of het de-minimisplafond wordt overschreden.

Artikel 10ba

  • 1. Voor de toepassing van de artikelen 10b, 10bb, 10bc en 10bd en de daarop berustende bepalingen wordt onder een start-up of scale-up verstaan een inhoudingsplichtige:

    • a. die een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie;

    • b. waarin geen aandelen en waarvan geen winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt; en

    • c. waarin geen aandelen en waarvan geen winstbewijzen voor meer dan 25% rechtens dan wel in feite direct of indirect worden gehouden door een lichaam waarvan de aandelen, onderscheidenlijk waarvan de winstbewijzen, worden verhandeld op een gereguleerde markt.

  • 2. Onder het hebben van een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder ten minste lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt.

  • 3. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de bedrijfstak van de betreffende start-up of scale up.

Artikel 10bb

  • 1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat stelt op verzoek van de inhoudingsplichtige bij beschikking vast of de inhoudingsplichtige kwalificeert als start-up of scale-up. Deze beschikking geldt met ingang van de dagtekening van de beschikking voor acht jaar.

  • 2. Op een uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, gedaan verzoek van de inhoudingsplichtige wordt de periode van acht jaar met vijf jaar verlengd, onder de voorwaarde dat Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat bij beschikking vaststelt dat nog steeds sprake is van een start-up of scale-up.

  • 3. Op een uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de periode van vijf jaar in de beschikking, bedoeld in het tweede lid, gedaan verzoek van de inhoudingsplichtige wordt die periode van vijf jaar maximaal tweemaal met telkens nog vijf jaar verlengd, onder de voorwaarde dat Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat bij beschikking vaststelt dat nog steeds sprake is van een start-up of scale-up.

  • 4. In geval van een overgang onder algemene titel van de inhoudingsplichtige treedt de verkrijgende inhoudingsplichtige in de plaats van de inhoudingsplichtige met betrekking tot de beschikking, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, indien Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat op verzoek van de verkrijgende inhoudingsplichtige bij beschikking vaststelt dat na de overgang nog steeds sprake is van een start-up of scale-up.

  • 5. Een verzoek als bedoeld in het eerste, tweede, derde of vierde lid en een melding als bedoeld in artikel 10bc, tweede lid, geschiedt uitsluitend langs elektronische weg met gebruikmaking van de hiervoor door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat beschikbaar gestelde voorziening en met opvolging van de daarbij opgenomen aanwijzingen.

  • 6. Bij regeling van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een verzoek of melding als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 10bc

  • 1. Er is geen sprake meer van een start-up of scale-up indien op enig tijdstip niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 10ba, eerste lid, of de inhoudingsplichtige in staat van faillissement is verklaard.

  • 2. De inhoudingsplichtige die ingevolge het eerste lid niet meer als start-up of scale-up wordt aangemerkt, meldt binnen vier weken bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het ontstaan van een van de situaties, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat kan de inhoudingsplichtige die de melding niet tijdig heeft gedaan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 10bd

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat trekt de beschikking, bedoeld in artikel 10bb, in indien:

  • a. de inhoudingsplichtige de mededeling, bedoeld in artikel 10bc, tweede lid, heeft gedaan, of aannemelijk is dat hij dat had behoren te doen; of

  • b. aannemelijk is dat ter verkrijging van de beschikking, bedoeld in artikel 10bb, gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend zouden zijn geweest.

C

Artikel 13a, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «twaalfde lid» ingevoegd «, of artikel 10b, derde lid, onderdeel a,» en wordt na laatstgenoemde «onder 1°» ingevoegd «of artikel 10b, derde lid, onderdeel a».

2. In onderdeel b wordt na eerstgenoemde «onder 2°» ingevoegd «of artikel 10b, derde lid, onderdeel b» en wordt na laatstgenoemde «onder 2°» ingevoegd «of artikel 10b, derde lid, onderdeel b».

3. In onderdeel c wordt telkens na «elfde lid,» ingevoegd «of artikel 10b, eerste lid».

D

Artikel 32bb wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt na «artikelen 10a» ingevoegd «, 10b» en na «dertiende lid» wordt ingevoegd «en artikel 10b, elfde lid».

2. In het zesde lid wordt na «10a» ingevoegd «, 10b».

ARTIKEL IV

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 24, zesde lid, wordt «zestiende tot en met negentiende lid» vervangen door «zestiende tot en met negentiende of tweeëntwintigste lid».

B

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweeëntwintigste lid tot drieëntwintigste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 22. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 3.83a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Die regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd:

    • a. ingeval aandelenoptierechten of aandelen die aan het uitstel ten grondslag liggen:

      • 1° worden vervreemd in de zin van artikel 10b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964;

      • 2° uitgeoefend, onderscheidenlijk verhandelbaar worden in de zin van artikel 10b, derde lid, aanhef en onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964;

    • b. ingeval de vennootschap op de aandelen die aan het uitstel ten grondslag liggen, reserves heeft uitgedeeld, voor een bedrag ter grootte van de over het bedrag van die uitgedeelde reserves, vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in artikel 10b, tweede lid, tweede zin, van de Wet op de loonbelasting 1964, verschuldigde belasting waarbij die belasting is bepaald met inachtneming van de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat de belasting ten minste wordt gesteld op het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn indien die uitgedeelde reserves het enige inkomen zouden zijn, verminderd met de over die uitgedeelde reserves in Nederland verschuldigde dividendbelasting of inkomstenbelasting en de daarover in het buitenland feitelijk geheven belasting;

    • c. in geval van een teruggaaf van wat op aandelen is gestort.

2. In het drieëntwintigste lid (nieuw) wordt «en zeventiende lid» vervangen door «, zeventiende en tweeëntwintigste lid».

C

In artikel 26 worden, onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot achtste tot en met tiende lid, twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Voor zover de ontvanger het op de voet van artikel 25, tweeëntwintigste lid, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat de aandelenoptierechten, onderscheidenlijk aandelen, die aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd in de zin van artikel 25, tweeëntwintigste lid, onderdeel a, onder 1°, kan bij ministeriële regeling te stellen regels kwijtschelding worden verleend:

    • a. indien de waarde in het economische verkeer van de aandelenoptierechten, onderscheidenlijk aandelen, is gedaald, anders dan door uitkering van winstreserves, teruggaaf van wat is gestort of ingelegd of overgang van rechten op andere aandelen of winstbewijzen, in vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit ter zake waarvan de belastingaanslag is opgelegd: tot een bedrag ter grootte van de verschuldigde belasting over een bedrag gelijk aan die waardedaling, vermenigvuldigd met het percentage, genoemd in artikel 10b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, als ware die waardedaling niet zou hebben plaatsgevonden waarbij die belasting is bepaald met inachtneming van de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001;

    • b. indien het heffingsrecht wegens vervreemding van die aandelenoptierechten, onderscheidenlijk aandelen, ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan een ander land van het Koninkrijk, aan een ander heffingsgebied binnen het Rijk, onderscheidenlijk aan een andere mogendheid, is toegewezen: tot een bedrag gelijk aan de aldaar ter zake van die vervreemding feitelijk geheven belasting;

    • c. voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25, tweeëntwintigste lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting die zou zijn geheven indien de belastingschuldige op het tijdstip van die vervreemding in Nederland zou hebben gewoond.

  • 7. Het bedrag aan kwijtschelding, bedoeld in het zesde lid, bedraagt niet meer dan het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van de aandelenoptierechten, onderscheidenlijk aandelen, nog uitstel van betaling is verleend.

D

In artikel 28, derde en vierde lid, wordt «negentiende of eenentwintigste lid» vervangen door «negentiende, eenentwintigste of tweeëntwintigste lid».

E

In de artikelen 70b, 70g, vijfde lid, en 70h, vijfde lid, wordt «tweeëntwintigste lid» vervangen door «drieëntwintigste lid».

ARTIKEL V

In de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen komt artikel 2, tweede lid, te luiden:

  • 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de gewezen zelfstandige gelijkgesteld de persoon die:

    • a. als partner als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van een ondernemer voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van die wet, zonder enige vergoeding gedurende het kalenderjaar ten minste 525 uur arbeid verricht in een onderneming waaruit die ondernemer winst geniet; en

    • b. voldoet aan het bepaalde in het eerste lid.

ARTIKEL VI

In de Wet kinderopvang komt artikel 1.6, eerste lid, onderdeel b, te luiden:

  • b. als partner als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van een ondernemer die voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van die wet, zonder enige vergoeding ten minste 525 uur arbeid verricht in een onderneming waaruit die ondernemer winst geniet.

ARTIKEL VII

In de Algemene wet bestuursrecht wordt bijlage 2 als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Wet op de loonbelasting 1964: de artikelen 10bb, eerste, tweede, derde en vierde lid, en 10bd, tenzij mede toepassing is gegeven aan artikel 10bc, derde lid.

B

In artikel 7 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Wet op de loonbelasting 1964: artikel 10bc, derde lid, en de artikelen 10bb, eerste, tweede, derde en vierde lid, en 10bd, voor zover mede toepassing is gegeven aan artikel 10bc, derde lid.

C

In artikel 11 wordt in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Wet op de loonbelasting 1964: artikel 10bc, derde lid, en de artikelen 10bb, eerste, tweede, derde en vierde lid, en 10bd, voor zover mede toepassing is gegeven aan artikel 10bc, derde lid.

ARTIKEL VIII

Artikel 10b van de Wet op de loonbelasting 1964 kan mede worden toegepast op aandelenoptierechten en de bij uitoefening van die aandelenoptierecht verkregen aandelen die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken en aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoen met dien verstande dat de beschikking, bedoeld in artikel 10bd, eerste lid, van die wet, uiterlijk op 31 december 2027 moet zijn aangevraagd door de inhoudingsplichtige.

ARTIKEL IX

Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van de artikelen I, onderdelen A, D en E, III, IV, VII en VIII aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die bepalingen in de praktijk.

ARTIKEL X

De artikelen 10b tot en met 10bd van de Wet op de loonbelasting 1964 vervallen met ingang van 1 januari van het kalenderjaar dat acht jaar na de inwerkingtreding van de artikelen I, onderdelen A, D en E, III, IV, VII en VIII aanvangt.

ARTIKEL XI

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, waarbij kan worden bepaald dat een of meer artikelen of onderdelen daarvan terugwerken tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen II, V en VI in werking aan het begin van het derde kalenderjaar na het kalenderjaar aan het begin waarvan artikel I, onderdelen B en C, in werking is getreden.

ARTIKEL XII

Deze wet wordt aangehaald als: Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,


X Noot
1

Herdruk in verband met een redactionele correctie.

Naar boven