36 922 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd

Nr. 12 AMENDEMENT VAN HET LID BOOMSMA

Ontvangen 23 september 2026

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In het opschrift wordt «de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd» vervangen door «een uitbreiding van de groep studenten die in aanmerking komt voor de tegemoetkoming voor studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd en het stellen van waarborgen voor de verwerking van gegevens over gezondheid».

II

In de beweegreden wordt «het billijk is aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd een aanvullende tegemoetkoming te verstrekken» vervangen door «het wenselijk is de groep studenten die in aanmerking komt voor de tegemoetkoming voor studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd uit te breiden en te voorzien in een grondslag en waarborgen voor de verwerking van gegevens over gezondheid».

III

Artikel I, onderdeel B, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel 1 vervalt.

2. Onderdeel 2 vervalt.

3. In onderdeel 3, subonderdeel a, vervalt «wordt «een tegemoetkoming» vervangen door «de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming» en».

4. Onderdeel 5 vervalt.

5. In onderdeel 6 vervalt «en aanvullende tegemoetkoming».

6. Onderdeel 7 vervalt.

7. In onderdeel 8 vervalt «wordt «het bedrag» vervangen door «de bedragen»,».

8. Onderdeel 9 vervalt.

IV

In artikel II vervalt de tweede zin.

Toelichting

Dit amendement haalt de aanvullende tegemoetkoming van € 44,50 per maand uit het wetsvoorstel en beperkt dit wetsvoorstel daarmee tot de uitbreiding van de doelgroep van de bestaande tegemoetkoming met bijvoorbeeld studenten die om medische redenen niet binnen de termijn hun diploma hadden behaald, evenals de wettelijke grondslag en waarborgen voor de verwerking van gegevens over gezondheid (artikel I, onderdeel A).

In 2023 bij de Wet Herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de Kamer met algemene stemmen een tegemoetkoming vastgesteld die het parlement toen als passend heeft aanvaard. Een erkenning van dit type dient in principe eenmalig en definitief te zijn. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State heeft geadviseerd af te zien van een dergelijke aanvullende en juridisch niet verplichte tegemoetkoming. Het wetsvoorstel bevat geen nieuwe argumenten. Veel van de rechthebbenden bevindt zich niet in een klemmende situatie. Daarmee is het ook geen doeltreffend middel en geen effectieve besteding van publieke middelen. De regering erkent ook dat de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming niet is afgeleid van het ondervonden nadeel maar van het beschikbare budget, en dat er geen inkomens- of schuldtoets plaatsvindt.

Ten aanzien van de uitbreiding van de doelgroep ligt anders. Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is als voorwaarde gesteld dat binnen de diplomatermijn een diploma is behaald, omdat een basisbeurs als prestatiebeurs ook alleen in dat geval in een gift zou zijn omgezet. De Wet studiefinanciering 2000 kent daarop echter al uitzonderingen voor studenten die door arbeidsongeschiktheid, een functiebeperking of een chronische ziekte geen diploma hebben kunnen behalen of er langer over hebben gedaan (artikelen 5.15 en 5.16). Voor hen zou de prestatiebeurs eveneens in een gift zijn omgezet. Dat deze groep van circa 5.800 (oud-)studenten buiten de tegemoetkoming valt, ziet de indiener als een omissie in de wet van 2023 waarvan het in de rede ligt dat die hersteld behoort te worden. Het amendement handhaaft daarom de voorgestelde uitbreiding van artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, en de nieuwe leden 3 en 4, zodat deze (oud-)studenten alsnog in aanmerking komen voor de bestaande tegemoetkoming van € 35,31 per maand (prijspeil 2026).

Het amendement handhaaft ook de technische verbeteringen in het wetsvoorstel (de vernummering, de beperking van de afwijkingsbepaling in het zesde lid (nieuw) tot rechthebbenden met een diploma, en de verwijzing naar artikel 11.1, eerste lid, voor de indexering). De tweede volzin van artikel II, die terugwerkende kracht mogelijk maakt met het oog op de indexering van de aanvullende tegemoetkoming, kan vervallen.

Budgettair gevolg: van het voor de aanvullende tegemoetkoming gereserveerde bedrag van € 1,4 miljard resteren de kosten van de uitbreiding van de doelgroep voor de bestaande tegemoetkoming en de uitvoeringskosten van DUO en de rechtspraak, naar schatting enkele tientallen miljoenen euro. Het overige deel, naar schatting circa € 1,35 miljard, valt vrij.

Boomsma

Naar boven