Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36888 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36888 nr. 6 |
Vastgesteld 19 augustus 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 25 maart 2026 inzake de kabinetsreactie op de initiatiefnota van de leden Ceder en Stoffer «Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid» (Kamerstuk 36 888, nr. 5).
De vragen en opmerkingen zijn op 22 april 2026 aan de Minister voorgelegd. Bij brief van 19 augustus zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Klaver
De griffier van de commissie, Westerhoff
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord/reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota van de leden Ceder en Stoffer en leggen de Minister van Buitenlandse Zaken naar aanleiding hiervan enkele vragen voor. In de reactie stelt de Minister dat de bevordering van mensenrechten, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging, een kernonderdeel vormt van het Nederlandse buitenlandbeleid. Tegelijkertijd wijst de Minister op de noodzaak om keuzes te maken binnen een context van geopolitieke instabiliteit en budgettaire krapte.
Deze leden vragen de Minister om een nadere verduidelijking van de wijze waarop deze inzet zich verhoudt tot de bredere strategische belangen van Nederland en Europa, in het bijzonder waar het gaat om de samenwerking met partners die essentieel zijn voor onze energiezekerheid en migratiebeheersing. Hoe weegt de Minister de ambitie om een daadkrachtig mensenrechtenbeleid te voeren af tegen het behoud van onze strategische autonomie, en op welke wijze wordt voorkomen dat morele agendering de noodzakelijke diplomatieke ruimte voor het veiligstellen van Nederlandse kernbelangen in de weg staat?
1. Antwoord van het kabinet
Het Nederlandse buitenlands beleid is gestoeld op de samenhang tussen veiligheid, welvaart en democratische vrijheden, waar universele mensenrechten onlosmakelijk mee zijn verbonden. De weging tussen deze belangen is zelden zwart-wit; net zomin als dat agendaring van mensenrechten een puur morele overweging is. Grove schendingen van arbeidsrechten, bijvoorbeeld dwangarbeid, verzwakken de concurrentiepositie van onze bedrijven. Grootschalige onderdrukking van rechten van minderheden kunnen leiden tot instabiliteit en migratie. Intimidatie van journalisten of inperking van de vrijheid van meningsuiting versterken desinformatie en autocratische tendensen, die onze geopolitieke bewegingsruimte inperken. Dat betekent niet dat we het ons kunnen veroorloven om alleen om te gaan met landen die onze blik op de wereld volledig onderschrijven. Er zullen zich bij veel landen spanningen voordoen tussen het bevorderen van mensenrechten en andere Nederlandse belangen – van energievoorzieningszekerheid tot veiligheid en migratie. In dergelijke situaties maakt het kabinet per geval steeds een zorgvuldige weging van belangen. Evenmin zijn onze relaties met andere landen beperkt tot één thema. Een brede dialoog met landen waarmee een dito relatie bestaat maakt het juist mogelijk om gevoelige mensenrechtenthema’s, zoals christenvervolging, effectief te agenderen. In de brede bilaterale dialoog komen dan alle relevante thema’s aan de orde, waaronder naast mensenrechten, ook economische samenwerking, regionale veiligheid en andere terreinen van gemeenschappelijk belang. In situaties waarin een publieke benadering contraproductief zou zijn of de positie van lokale christelijke gemeenschappen en andere religieuze minderheden zou verzwakken, kiest het kabinet bij grote voorkeur voor stille diplomatie en inzet achter de schermen.
Ten aanzien van de institutionele inrichting kondigt de Minister aan te verkennen hoe de functie van de Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensovertuiging (SGRL) structureel kan worden verankerd met een eigen mandaat en budget. De leden van de VVD-fractie merken op dat de Minister in dezelfde brief het postennet en de ambassadeurs omschrijft als het hart van het Nederlandse mensenrechtenbeleid.
Deze leden vragen daarom naar de noodzaak en de doelmatigheid van een dergelijke structurele verankering van een thema-specifieke gezant. Dreigt hiermee niet een bureaucratische silo te ontstaan die de integrale slagkracht van onze ambassadeurs ter plaatse juist verzwakt? Kan de Minister toelichten waarom de huidige ambtelijke ondersteuning binnen het ministerie niet volstaat en hoe een structurele gezant zich verhoudt tot de bredere wens van deze leden om de overhead bij de overheid te beperken en de focus op kerntaken te versterken? Deze leden horen graag hoe de Minister borgt dat mensenrechtenbeleid een integrale verantwoordelijkheid blijft van het gehele diplomatieke netwerk in plaats van te worden gedelegeerd aan een afzonderlijke functionaris. Ook horen zij graag hoe de Nederlandse en de Europese gezant zich tot elkaar verhouden. Zou het niet beter zijn gebruik te maken van de Europese gezant?
2. Antwoord van het kabinet
Het mensenrechtenbeleid is een kernonderdeel van het buitenlandbeleid en een integrale verantwoordelijkheid van het gehele diplomatieke netwerk. Dat geldt dus ook voor de bevordering van vrijheid van religie en levensovertuiging, als één van de vijf mensenrechtenprioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. In de praktijk is die inzet sterk contextafhankelijk en in sommige situaties complex, met oog op de veiligheid van sommige religieuze groepen. De programmatische inzet gebeurt via centrale en decentrale mensenrechtenprogramma’s, waaronder het mensenrechtenfonds. De programma’s gericht op FoRB (Freedom of Religion and Belief) worden altijd in samenspraak met ambassades in de betrokken landen vormgegeven, met oog voor de repercussies voor lokale gemeenschappen en het «do no harm-principe».
De Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensovertuiging (SGRL) dient daarbij expliciet niet als vervanging van of alternatief voor de inzet van ambassades, maar juist als een versterking daarvan. De SGRL werkt daarom nauw samen met ons diplomatieke netwerk.
De meerwaarde van deze thema-specifieke gezant ligt op drie punten:
• als inhoudelijk expert en verbinder tussen beleid, posten en maatschappelijke actoren op een complex en gevoelig thema als FoRB;
• als zichtbaar aanspreekpunt in internationale coalities zoals de International Religious Freedom or Belief Alliance en de International Contact Group on FoRB (IRFBA), waar gezamenlijke acties worden voorbereid, onder meer tegen christenvervolging;
• als centrale aanjager voor kennisopbouw en religieuze geletterdheid binnen BZ en het diplomatieke netwerk, in lijn met de motie-Ceder over religieuze geletterdheid1.
De rollen van de EU-gezant op Freedom of Religion and Belief en de nationale SGRL zijn daarbij complementair. De EU-gezant kan FoRB in de externe betrekkingen van de Europese Unie systematisch agenderen. De Nederlandse SGRL kan daarnaast nationale prioriteiten benadrukken, waaronder toenemende zorgen over christenvervolging, en deze inbrengen in EU-kaders; de Europese inzet vertalen naar concrete bilaterale acties en programmering; en in coalities als IRFBA optreden waar de EU als geheel geen lid van is.
Alleen leunen op het werk van de EU-gezant zou de Nederlandse handelingsruimte beperken en onze zichtbaarheid in internationale FoRB-netwerken verminderen. Daarom kiest het kabinet voor beide: een sterke EU-gezant én een goed ingebedde Nederlandse SGRL die nauw met elkaar en met onze ambassades samenwerken.
De Minister geeft in zijn reactie aan dat religieuze geletterdheid reeds een vast onderdeel is van de opleiding voor jonge diplomaten en de trainingen voor uitgezonden personeel, waarmee hij deels tegemoetkomt aan de wensen in de initiatiefnota.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister op welke wijze deze trainingen specifiek bijdragen aan het beter begrijpen van de geopolitieke dynamiek in conflictgebieden en het behartigen van Nederlandse belangen. Wordt in deze trainingen ook aandacht besteed aan de risico's van religieuze beïnvloeding door statelijke actoren die onvrijheid als instrument gebruiken om de stabiliteit in regio's als de Sahel of de Westelijke Balkan te ondermijnen? Ten aanzien van de digitale weerbaarheid ondersteunt het kabinet de inzet voor internetvrijheid via internationale coalities, maar deze leden missen een directe koppeling met de bredere strijd tegen statelijke desinformatie vanuit landen als Rusland en China. Hoe zorgt de Minister ervoor dat de inzet op internetvrijheid en de bestrijding van online haat volledig wordt geïntegreerd in de nationale cyberstrategie om onze open samenleving te beschermen tegen antidemocratische krachten?
3. Antwoord van het kabinet
Zoals in de kabinetsreactie is aangegeven, is religieuze geletterdheid een voorwaarde voor effectief mensenrechtenbeleid en diplomatie. In de acculturatiecursussen, de jaarlijkse mensenrechtencursus en andere opleidingen voor Nederlandse diplomaten wordt religie nadrukkelijk geplaatst in de bredere analyse van macht, conflict en buitenlandse beïnvloeding. Dit draagt op verschillende manieren bij aan het beter begrijpen van de geopolitieke dynamiek in conflictgebieden en het behartigen van Nederlandse belangen.
Diplomaten leren onder meer hoe religieuze identiteiten en instituties kunnen worden ingezet in binnenlandse machtsstrijd en buitenlandse politiek, bijvoorbeeld door regimes die religie gebruiken om oppositie te delegitimeren of minderheden te marginaliseren. Ook wordt aandacht besteed aan de positieve rol die religieuze actoren kunnen spelen in conflictpreventie, verzoening en stabilisatie, zodat ambassades deze actoren gericht kunnen betrekken bij Nederlandse inzet op veiligheid, migratie en economische ontwikkeling. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de risico’s die er zijn van religieuze beïnvloeding door statelijke actoren die onvrijheid en polarisatie bewust inzetten om stabiliteit te ondermijnen, ook in regio’s als de Sahel en de Westelijke Balkan. Dit helpt diplomaten om dergelijke patronen te herkennen, te duiden en hierover te rapporteren.
Ten aanzien van digitale weerbaarheid en internetvrijheid geldt, in lijn met de kabinetsreactie, dat deze inzet steeds nauwer wordt verbonden met de bredere aanpak van desinformatie en cyberdreigingen. Nederland zet zich internationaal in voor informatie integriteit en tegen de online verspreiding van haat, onder meer via steun aan maatschappelijke organisaties die werken aan digitale geletterdheid, mediawijsheid, persvrijheid en de bescherming van mensenrechtenverdedigers, inclusief religieuze minderheden, mede via het Mensenrechtenfonds en programmatische instrumenten zoals Safety for Voices. Ook werkt Nederland aan actieve inzet in EU-kaders rond de Digital Services Act en de aanpak van desinformatie, waar ook statelijke actoren als Rusland en China expliciet in beeld zijn. Verder maakt Nederland deel uit van internationale coalities die internetvrijheid bevorderen, zoals de Freedom Online Coalition en de Media Freedom Coalition, waar oog is voor de risico’s van surveillancetechnologie en digitale repressie.
De koppeling met de nationale cyberstrategie wordt gelegd via de Internationale Cyberstrategie 2025–2028. In de uitvoering van deze strategie werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen met de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Binnenlandse Zaken en Koninksrijksaangelegenheden, Defensie en Justitie en Veiligheid, ook op thema’s die raken aan het tegengaan van desinformatie en het promoten van informatie integriteit. De bescherming van vrijheid van meningsuiting online (met inbegrip van de vrijheid van religie en levensovertuiging) staat centraal in de inzet om ongewenste inhoud online tegen te gaan.
Wat betreft de monitoring van mensenrechtenschendingen wijst de Minister het voorstel voor een afzonderlijk nationaal instrument af vanwege de kosten en de reeds bestaande internationale rapportages van de Verenigde Naties (VN) en ngo's. De leden van de VVD-fractie steunen dit besluit vanuit het oogpunt van een efficiënte overheid en budgettaire beheersbaarheid.
Zij vragen de Minister wel hoe hij waarborgt dat de informatie uit deze externe bronnen effectief wordt vertaald naar concrete diplomatieke actie die aansluit bij de Nederlandse prioriteiten. Wordt deze informatie ook benut om de risico's van ongewenste buitenlandse inmenging in Nederland in kaart te brengen, bijvoorbeeld wanneer regimes de diaspora misbruiken als instrument voor hun buitenlandbeleid? Tot slot vragen deze leden om een verheldering over de financiële realiteit die de Minister noemt. Kan de Minister bevestigen dat er geen sprake zal zijn van een automatische verhoging van budgetten voor sociaaleconomische projecten in het buitenland zonder dat hier een direct Nederlands belang tegenover staat?
4. Antwoord van het kabinet
Zoals in de kabinetsreactie uiteengezet is het, gelet op de vele bestaande VN- en NGO-rapportages, niet doelmatig om een parallel nationaal monitoringsinstrument op te tuigen. Het gericht gebruiken van beschikbare informatie voor diplomatieke actie en programmering geschiedt door middel van systematische beleidsvertaling, waarbij informatie uit VN-mechanismen (zoals de Universal Periodic Review), EU-rapportages, NGO-studies (waaronder de ranglijst van Open Doors) en diplomatieke rapportages wordt samengebracht in landenanalyses. Deze vormen de basis voor prioritering in bilaterale contacten, EU-inzet en de keuze van landen en thema’s binnen instrumenten als het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031), waarvoor EUR 35 miljoen is gereserveerd voor de bescherming van religieuze minderheden.
De Nederlandse ambassades toetsen externe rapportages aan de lokale realiteit, vullen lacunes aan en adviseren over de meest effectieve mix van publieke en stille diplomatie. Zo voorkomen we dat Nederland reageert op onvolledige of eenzijdige informatie, en stemmen we de inzet af op de veiligheid van lokale gemeenschappen en het «do no harm-principe».
Daarnaast worden signalen over geloofsvervolging en FoRB-schendingen, waar relevant, betrokken bij analyses van conflict, migratie, terrorisme en buitenlandse beïnvloeding, zodat de informatie direct wordt verbonden met bredere Nederlandse belangen.
Wat betreft ongewenste buitenlandse inmenging geldt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken signalen uit internationale rapportages en van diaspora-gemeenschappen deelt in de daarvoor bestaande interdepartementale structuren, zoals de nationale aanpak statelijke dreigingen. Wanneer regimes diaspora inzetten als verlengstuk van hun buitenlandbeleid, kan dat zowel een mensenrechtenvraagstuk zijn als een veiligheidsrisico. In die gevallen wordt in nauwe samenwerking met andere departementen bezien welke maatregelen passend zijn.
Financiële ondersteuning van projecten in het buitenland vindt plaats op basis van duidelijk geformuleerde beleidsdoelen. Binnen de beschikbare middelen worden scherpe keuzes gemaakt, waarbij FoRB en de bescherming van religieuze minderheden worden meegewogen als onderdeel van de bredere inzet op mensenrechten, stabiliteit, rechtsstaat en ontwikkeling. Projecten worden geselecteerd op basis van hun verwachte impact en hun bijdrage aan zowel lokale behoeften als Nederlandse en Europese belangen, zoals veiligheid, migratiebeheersing, energiezekerheid en een voorspelbare internationale rechtsorde.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder over christenvervolging en geloofsvrijheid. Deze leden waarderen dat het kabinet erkent dat geloofsvervolging, waaronder christenvervolging, een ernstige en hardnekkige realiteit is. Ook zien deze leden dat het kabinet op meerdere onderdelen bereid is de inzet te versterken, onder meer via religieuze geletterdheid, diplomatieke agendering, interreligieuze dialoog, online weerbaarheid en monitoring.
Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat op meerdere punten nog onduidelijk is hoe deze inzet concreet, structureel en niet-vrijblijvend vorm krijgt. Zij hebben daarover de volgende vragen.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet concreet kan aangeven op welke punten de kabinetsreactie leidt tot een andere of intensievere inzet dan het beleid zoals dat na de eerdere initiatiefnota uit 2021 is gevoerd.
5. Antwoord van het kabinet
Ten opzichte van het beleid na de initiatiefnota uit 2021 zet deze kabinetsreactie, en het daaropvolgende debat over christenvervolging, op een aantal punten nadrukkelijk een stap verder. De inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging wordt structureler en intensiever.
Waar SGRL eerder geen structurele functie was, heeft het kabinet er nu expliciet voor gekozen om de SGRL als zelfstandige en volwaardige functie te behouden en te versterken. Een eerder voornemen om de functie samen te voegen met die van Mensenrechtenambassadeur in het kader van de bezuinigingen komt daarmee te vervallen. Dat betekent continuïteit en meer ruimte voor landenbezoeken en diplomatieke inzet, juist ook rond christenvervolging.
Graag informeer ik uw Kamer over de benoeming van mevrouw drs. A.E. Faro tot de nieuwe Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensovertuiging. Zij zal na de zomer de werkzaamheden van de huidige SGRL overnemen.
In de periode 2021–2025 is via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA) circa EUR 37 miljoen ingezet op interreligieuze dialoog, samenwerking en het versterken van maatschappelijke weerbaarheid in meerdere landen. Met het nieuwe beleidskader FOCUS is er opnieuw EUR 35 miljoen specifiek voor FoRB en de bescherming van religieuze minderheden.
Religieuze geletterdheid maakte al deel uit van acculturatiecursussen en opleidingen, maar nieuw is dat in reactie op de initiatiefnota, de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 49) en het debat over christenvervolging, bestaande trainingen verder worden uitgebreid en verdiept, en de rol van de SGRL en externe expertise bij opleidingen wordt vergroot. Zo wordt onder meer verkend of in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Welzijn in de tweede helft van dit jaar een nieuwe cursus op het gebied van religieuze geletterdheid kan worden opgezet.
Daarnaast is het voornemen dat Nederland een actievere rol neemt in allianties als de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA), waar we in de steering committee zitten, en ons lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad gebruiken om FoRB steviger te agenderen. Zo organiseerde Nederland tijdens de 58e zitting van de VN-Mensenrechtenraad samen met Marokko een side-event over religieuze tolerantie, waarin overheden, religieuze leiders en maatschappelijke organisaties in gesprek gingen over het bevorderen van interreligieuze dialoog en het tegengaan van discriminatie op grond van religie.
Verder heeft het kabinet zich, mede naar aanleiding van de initiatiefnota en in lijn met de motie van uw Kamer, sterk gemaakt voor de benoeming van een nieuwe EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Nu die EU-gezant er is, zal het kabinet zoals toegezegd verkennen hoe Nederland haar concreet kan ondersteunen conform motie met Kamerstuk 36 800-V, nr. 91, onder meer via een eventuele detachering en afstemming met de Nederlandse SGRL. Daarnaast is de ondersteuning van de VN-Speciaal Rapporteur voor FoRB geïntensiveerd, onder meer via het plaatsen van een door Nederland gefinancierde Junior Professional Officer op haar kantoor. Hiermee wordt beoogd de monitoring en opvolging van schendingen, inclusief christenvervolging, door de VN verder te versterken.
Het kabinet schrijft dat de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging plaatsvindt binnen beperkte personele en financiële kaders. De leden van de CDA-fractie vragen welke gevolgen dit concreet heeft voor de uitvoerbaarheid van de voornemens in deze kabinetsreactie. Op basis van welke criteria maakt het kabinet de «scherpe keuzes» waar en hoe Nederland zich inzet? Welke landen of regio’s krijgen in dat licht prioriteit?
6. Antwoord van het kabinet
De beperkte personele en financiële kaders – die voor veel onderdelen van gehele Rijksoverheid gelden – betekenen dat het kabinet de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging beter laat aansluiten bij bestaande instrumenten en prioriteiten. De voornemens in de kabinetsreactie zijn daarom bewust zo vormgegeven dat zij binnen deze kaders uitvoerbaar zijn: het versterken van wat er al is (Speciaal Gezant, FOCUS-programma, religieuze geletterdheid, inzet in VN/EU en coalities), in plaats van nieuwe structuren op te tuigen.
Bij het maken van de geografische keuzes worden drie criteria gehanteerd:
• de ernst en aard van de schendingen (waaronder christenvervolging), op basis van o.a. VN- en NGO- rapportages en signalen van posten en maatschappelijke organisaties;
• het handelingsperspectief en de meerwaarde van Nederlandse inzet, al dan niet in EU- of coalitieverband;
• de samenhang met andere Nederlandse belangen, zoals stabiliteit, migratie en regionale veiligheid, en de aanwezigheid en capaciteit van het postennet.
Op basis van deze criteria wordt per land en situatie bepaald of, en met welke mix van diplomatieke en programmatische middelen, Nederland zich inzet. Daarbij geldt dat landen en contexten waar religieuze minderheden aantoonbaar zwaar onder druk staan én waar de inschatting is dat specifieke Nederlandse inzet een verschil kan maken, in de praktijk veelal prioriteit krijgen.
Investeer in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren
Het kabinet noemt acculturatiecursussen, de Academie voor Internationale Betrekkingen, de jaarlijkse mensenrechtencursus en het opleidingstraject voor startende beleidsmedewerkers. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven hoeveel medewerkers hier jaarlijks ongeveer aan deelnemen.
7. Antwoord van het kabinet
De genoemde acculturatiecursussen, het aanbod van de Academie voor Internationale Betrekkingen (AIB), de jaarlijkse mensenrechtencursus en het opleidingstraject voor startende beleidsmedewerkers (IBBZ) bereiken jaarlijks een substantieel deel van ons personeel, maar worden niet uitgesplitst per deelonderwerp.
Omdat deze opleidingen breed zijn opgezet (en niet uitsluitend op FoRB gericht), registreren we geen exacte aantallen. Wel geldt dat alle nieuwe beleidsmedewerkers en een belangrijk deel van het uitgezonden personeel gedurende hun loopbaan op meerdere momenten met religie-sensitief werken in aanraking komen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan verduidelijken wat wordt bedoeld met het «blijvend investeren in deskundigheid, capaciteit en netwerken» op dit terrein. Gaat het hierbij om extra middelen, extra fte, nieuwe trainingen of andere maatregelen.
8. Antwoord van het kabinet
Het blijvend investeren in deskundigheid, capaciteit en netwerken is een combinatie van maatregelen binnen de bestaande begrotingskaders, geen additionele middelen. Concreet gaat het om:
• Deskundigheid: verdere inhoudelijke versterking van bestaande opleidingen (acculturatie, AIB-modules, mensenrechtencursus, IBBZ en een nieuwe cursus over religieuze geletterdheid in samenwerking met SZW) en het beter benutten van de expertise van de SGRL en externe kennispartners bij de ontwikkeling van lesmateriaal en casuïstiek; waaronder een mogelijke nieuwe cursus of in samenwerking met SZW in de tweede helft van dit jaar op het gebied van religieuze geletterdheid kan worden opgezet.
• Capaciteit: borgen dat er binnen BZ voldoende medewerkers zijn met specifieke kennis van religieuze dynamieken, onder meer via het netwerk rond de SGRL en mensenrechten-aanspreekpunten op posten;
• Netwerken: het actief onderhouden en uitbouwen van contacten met religieuze actoren (kerken, moskeeën, andere geloofsgemeenschappen en faith-based organisaties), zowel in partnerlanden als in Nederland, zodat diplomaten beschikken over betrouwbare gesprekspartners en tijdige signalen uit het veld.
Ambassades worden aangemoedigd hun netwerken met religieuze actoren te verdiepen en religieuze dynamieken structureel te betrekken in politieke rapportages en landenstrategieën. De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze dit wordt aangemoedigd, gevolgd en beoordeeld.
9. Antwoord van het kabinet
Ambassades worden op verschillende manieren gestimuleerd om religieuze dynamieken en contacten met religieuze actoren structureel te betrekken bij hun werk. Dit gebeurt onder meer via beleidsinstructies en landenstrategieën, waarin in relevante landen expliciet wordt gevraagd aandacht te hebben voor de positie van religieuze minderheden en voor vrijheid van religie en levensovertuiging.
Daarnaast beschikken posten over het decentrale Mensenrechtenfonds, waarmee zij projecten kunnen ondersteunen die gericht zijn op de bescherming van religieuze minderheden, interreligieuze dialoog en het tegengaan van haatzaaiing. Dit geeft ambassades de mogelijkheid om, in aansluiting op de lokale context, concrete initiatieven te steunen die bijdragen aan veiligheid en inclusie.
Ook de inzet van de SGRL en de Mensenrechtenambassadeur speelt een belangrijke rol. Bij landenbezoeken ontmoeten zij samen met de posten religieuze actoren en delen zij best practices, waarmee ambassades verder worden aangemoedigd om religie en levensovertuiging structureel in hun werk te verankeren.
Over deze inzet wordt op verschillende manieren gerapporteerd, zodat zowel het departement als uw Kamer zicht houdt op de voortgang en resultaten. Zo vindt er regelmatig contact plaats tussen posten en het departement over ontwikkelingen op het gebied van vrijheid van religie en de bredere mensenrechtensituatie, waarbij ook wordt gesproken over samenwerken met religieuze actoren.
Daarnaast wordt in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage aan uw Kamer expliciet aandacht besteed aan voorbeelden van FoRB-inzet.
Tot slot wordt in rapportages en evaluaties van instrumenten als het Mensenrechtenfonds en programmatische kaders (zoals JISRA en FOCUS) ook de rol van lokale religieuze partners beschreven, waaronder in de recente IOB-evaluatie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Daarmee wordt geborgd dat ervaringen uit de uitvoering worden teruggekoppeld naar beleid en programmering.
Het kabinet verkent momenteel hoe jaarlijks structureel middelen kunnen worden vrijgemaakt om de SGRL een structurele positie te geven. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer het kabinet deze verkenning verwacht af te ronden en de Kamer hierover te informeren. Kan het kabinet aangeven aan welke omvang van budget en capaciteit wordt gedacht om de Speciaal Gezant deze structurele positie daadwerkelijk te geven? Hoe verhoudt de rol van de Speciaal Gezant zich tot die van de Mensenrechtenambassadeur? Hoe wordt overlap voorkomen?
10. Antwoord van het kabinet
Conform de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 36 800 V, nr. 76) worden jaarlijks structureel middelen vrijgemaakt om de SGRL als zelfstandige en volwaardige functie te borgen.
Het gaat daarbij om middelen die nodig zijn om de functie zelf structureel te maken (salaris en beperkte ondersteuning), niet om een apart programmabudget. Voor programmatische inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging bestaan al instrumenten: centraal via het FOCUS-programma (2026–2031), waarin EUR 35 miljoen is gereserveerd voor FoRB en bescherming van religieuze minderheden. En decentraal via het Mensenrechtenfonds, dat door ambassades wordt ingezet voor contextspecifieke projecten, onder meer op FoRB. De SGRL zal, net als de Mensenrechtenambassadeur, geen eigen programmabudget beheren, maar gebruikmaken van deze bestaande instrumenten.
Wat de rolverdeling betreft: de Mensenrechtenambassadeur heeft een breed mandaat op het gehele mensenrechtenbeleid en benadrukt FoRB ook in landencontexten waar dit nuttig en relevant is. De SGRL richt zich specifiek en verdiepend op vrijheid van religie en levensovertuiging, inclusief christenvervolging. Het volledig vermijden van enige overlap is daarbij niet altijd mogelijk of wenselijk: overlap kan helpen om FoRB stevig te verankeren in onze brede mensenrechteninzet. De inzet is daarmee complementair: de SGRL is aanvullend op de brede inzet van de Mensenrechtenambassadeur, en samen bestrijken zij meer landen en fora dan één van beiden afzonderlijk zou kunnen. Hun activiteiten worden onderling en met de posten afgestemd, zodat zij elkaar versterken binnen een geïntegreerde mensenrechtenstrategie.
Versterk online weerbaarheid tegen religieus gemotiveerde haat en vervolging
Het kabinet onderkent dat online haat, desinformatie en oproepen tot geweld kunnen bijdragen aan stigmatisering en fysiek geweld. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven welke concrete programma’s of projecten Nederland nu al steunt op dit terrein. Hoeveel middelen uit het Mensenrechtenfonds of andere instrumenten worden momenteel ingezet voor digitale weerbaarheid van religieuze minderheden? Op welke manier wordt de effectiviteit van deze inzet gemeten? Ziet het kabinet mogelijkheden om binnen EU-verband sterker op te trekken tegen online haatcampagnes gericht op religieuze minderheden?
11. Antwoord van het kabinet
De inzet op digitale weerbaarheid van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van bredere projecten op het gebied van mensenrechten, in het bijzonder gericht op vrijheid van meningsuiting online, persvrijheid en informatie integriteit. Het gaat om projecten waarin meerdere doelen samenkomen, zoals bescherming van mensenrechtenverdedigers, tegengaan van online haat en desinformatie, het promoten van persvrijheid en onafhankelijke media en de versterking van digitale geletterdheid. Binnen het Mensenrechtenfonds en andere instrumenten wordt verder niet separaat bijgehouden hoeveel van de inzet binnen deze projecten specifiek ten goede komt van de weerbaarheid van (ook) religieuze minderheden.
In EU-context zou Nederland er voorstander van zijn dat de nieuwe EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging, samen met de EU-Speciaal Vertegenwoordiger voor Mensenrechten, de online dimensies van geloofsvervolging nadrukkelijker agendeert in de dialoog met derde landen en grote onlineplatforms.
Investeer in interreligieuze dialoog
Het kabinet verwijst naar het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA)-programma en naar voortzetting via het FOCUS-programma. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven welke lessen uit JISRA het zwaarst meewegen in de nieuwe inzet. Kan het kabinet daarnaast nader specificeren hoe de gereserveerde middelen binnen FOCUS voor 2026–2031 worden verdeeld over vrijheid van religie en levensovertuiging, interreligieuze dialoog, bescherming van religieuze minderheden en weerbaarheid tegen discriminatie?
12. Antwoord van het kabinet
Uit JISRA is een aantal lessen te trekken die zwaar meewegen in de nieuwe inzet onder FOCUS.
Allereerst is langdurige betrokkenheid en lokale verankering essentieel gebleken: structurele verandering vraagt tijd en moet idealiter worden gedragen door lokale religieuze én seculiere partners. Daarom is het streven om de programmatische inzet, waar mogelijk, in veel van dezelfde landen voort te zetten.
Daarnaast bleek dat dialoog het best werkt als die gekoppeld is aan concrete gezamenlijke activiteiten, bijvoorbeeld rond veiligheid, onderwijs of lokale dienstverlening, en niet alleen uit gesprekken bestaat.
Verder is gebleken dat inclusiviteit binnen religieuze gemeenschappen, met name de betrokkenheid van vrouwen en jongeren, de impact en duurzaamheid van interventies vergroot. Interreligieuze dialoog moet bovendien worden aangevuld met versterking van rechtsorde, mensenrechtenverdedigers en mechanismen tegen haatzaaiing om echt verschil te maken.
Deze lessen zijn terug te zien in de hoofddoelen van het FoRB-subinstrument binnen FOCUS. De belangrijkste doelstellingen daarvan zijn:
1. Het versterken van lokale maatschappelijke organisaties en gemeenschapsorganisaties die bijdragen aan het bevorderen van vrijheid van religie en bescherming van religieuze minderheden;
2. Het stimuleren van inter-, intra en extra-religieuze dialoog en samenwerking;
3. Het tegengaan van spanningen, polarisatie en het risico op gewelddadig extremisme in kwetsbare en religieus diverse samenlevingen;
4. Versterken van inclusie van kwetsbare groepen, waaronder vrouwen, jongeren en lhbtiq+ personen, binnen religieuze gemeenschappen;
5. Het ondersteunen van dialoog en internationale belangenbehartiging richting overheden om discriminatie tegen religieuze minderheden te verminderen en hun positie te versterken.
Binnen FOCUS is voor 2026–2031 in totaal EUR 35 miljoen gereserveerd voor dit FoRB-subinstrument. De ingediende subsidieaanvragen worden op dit moment nog beoordeeld. Het is daarom nog niet mogelijk u te informeren over de budgettaire verdeling over de verschillende onderdelen. Ook geldt dat binnen dit subinstrument geen vooraf vastgelegde financiële allocaties per type activiteit worden aangebracht en dat veel activiteiten meerdere doelstellingen tegelijk zullen dienen.
Betrek diasporagemeenschappen bij de inzet tegen geloofsvervolging
Het kabinet erkent dat diasporagemeenschappen een waardevolle bron van kennis, ervaring en netwerken vormen. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven hoe vaak en in welke vorm hierover structureel contact plaatsvindt. Is het kabinet bereid een meer vaste overlegstructuur in te richten met relevante diasporagemeenschappen, kerken en faith-based organisaties in Nederland? Hoe wordt in die contacten omgegaan met veiligheidsrisico’s voor familieleden of contacten in het land van herkomst? Op welke manier worden signalen uit diasporagemeenschappen daadwerkelijk teruggelegd in beleid, landenstrategieën en diplomatieke inzet?
13. Antwoord van het kabinet
Contact met diasporagemeenschappen, religieuze instellingen en andere faith-based organisaties vindt functioneel en thematisch plaats. Dat gebeurt onder meer via gesprekken van de SGRL en de Mensenrechtenambassadeur met diaspora-organisaties en religieuze gemeenschappen in Nederland. Voorts via reguliere contacten van directies en ambassades met maatschappelijke organisaties die nauw met diaspora samenwerken. Ook diaspora-signalen die worden opgevangen in het kader van specifieke landensituaties zoals Syrië, Irak, Nigeria of Pakistan, worden betrokken bij onze analyses en inzet.
In alle contacten met de diaspora wordt zorgvuldig omgegaan met veiligheid en vertrouwelijkheid. Dat betekent dat het kabinet terughoudend is met het openbaar maken van namen, organisaties of concrete casussen wanneer dit risico’s kan opleveren voor familieleden of contacten in het land van herkomst, en dat waar nodig gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke settingen en steeds met betrokkenen afstemmen welke informatie wel en niet kan worden gedeeld.
Signalen uit diasporagemeenschappen worden voorts meegenomen in landenanalyses en mensenrechtenprofielen die richtinggevend zijn voor de diplomatieke inzet, het voeden van de Nederlandse positie in VN- en EU-kaders (bijvoorbeeld bij UPR-aanbevelingen of EU-verklaringen) en betrokken bij de programmering van instrumenten zoals het Mensenrechtenfonds en FOCUS, door aandacht te hebben voor de thema’s en regio’s die diaspora als urgent signaleren.
Structurele aandacht voor geloofsvervolgingen in diplomatie met consequenties
Het kabinet schrijft dat structurele aandacht voor geloofsvervolging niet vrijblijvend mag zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wat het kabinet precies verstaat onder «niet vrijblijvend».
Kan het kabinet schetsen welke escalatieladder beschikbaar is wanneer sprake is van ernstige of verslechterende situaties, bijvoorbeeld van bilaterale gesprekken en gezamenlijke EU-stappen tot politieke agendering in multilaterale fora? Welke concrete consequenties zijn in de praktijk denkbaar wanneer landen zich blijven schuldig maken aan ernstige schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging? Kan het kabinet nader toelichten in welke gevallen het kiest voor stille diplomatie en in welke gevallen voor publieke politieke druk?
14. Antwoord van het kabinet
Signalen over geloofsvervolging, waaronder christenvervolging, worden consequent genoteerd en verwerkt in onze diplomatieke inzet en beleidskeuzes, conform de motie- van Baarle c.s. (Kamerstuk 36 800-V, nr. 92). Structurele aandacht betekent dat FoRB consequent terugkomt in bilaterale gesprekken, EU-overleggen en multilaterale fora, en dat verslechteringen aanleiding kunnen zijn om de inzet op te schalen. In de praktijk hanteert het kabinet een soort escalatieladder, waarbij de precieze stappen per land en context verschillen. Elementen daarvan zijn onder meer:
• Bilaterale diplomatie: het onderwerp aan de orde stellen in politieke gesprekken en mensenrechtendialogen, zowel op ambtelijk als op politiek niveau; het vragen om toelichting, het aandringen op wetgevingswijzigingen of bescherming van specifieke gemeenschappen.
• Gezamenlijke EU-stappen: wanneer bilaterale signalen onvoldoende effect sorteren, wordt vaak de EU-lijn gevolgd: gezamenlijke demarches, EU-verklaringen, het agenderen van FoRB in Raadsconclusies of mensenrechtendialogen, en, waar passend, het meewegen van ernstige schendingen in bredere EU-relaties.
• Multilaterale agendering: bij aanhoudende of verslechterende situaties brengt het kabinet FoRB-schendingen in VN-fora naar voren, bijvoorbeeld via bijdragen in de Mensenrechtenraad, UPR-aanbevelingen of steun aan resoluties waarin expliciet wordt verwezen naar de positie van religieuze minderheden.
• Gerichte maatregelen: in ernstige gevallen kan Nederland op nationale basis maatregelen treffen, of binnen EU- of VN-verband pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoordelijke personen of entiteiten, of voor het conditioneren van bepaalde vormen van samenwerking, conform de lijn die ook in de initiatiefnota wordt geschetst. Daarbij wordt ook steeds de verwachte effectiviteit van de Nederlandse inzet tegen het licht gehouden.
De keuze tussen stille diplomatie en publieke politieke druk is een contextafweging waarin ook bredere Nederlandse belangen worden meegewogen. Stille diplomatie ligt voor de hand wanneer de veiligheid van religieuze minderheden of individuele gesprekspartners in het geding zijn, wanneer er aanwijzingen zijn dat vertrouwelijke gesprekken ruimte bieden voor concrete verbeteringen, of wanneer publieke veroordelingen het risico op verdere repressie of polarisatie zouden vergroten. Publieke politieke druk, bilateraal, in EU-verband of in VN-fora, is eerder aan de orde wanneer sprake is van ernstige of structurele schendingen waarbij eerdere stille interventies onvoldoende effect hebben gehad, wanneer er behoefte is aan een duidelijk politiek signaal, ook richting andere landen en maatschappelijke actoren, of wanneer we samen met gelijkgezinde landen een bredere normatieve boodschap willen afgeven, bijvoorbeeld via een gezamenlijke verklaring of resolutie.
Het kabinet noemt onder meer Nigeria, Pakistan, China, Syrië, Irak, India, Algerije, Indonesië en Oost-Congo. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet per genoemd land kort kan aangeven wat in 2026 de belangrijkste Nederlandse inzet is, welke doelen daarbij horen en hoe de Kamer over de voortgang wordt geïnformeerd.
15. Antwoord van het kabinet
In Nigeria richt de inzet van het kabinet zich in 2026 op het bevorderen van bescherming van burgers en religieuze minderheden, in een context van een complex en vaak gewelddadig conflict. Dit vindt plaats door in bilaterale en EU-contacten aandacht te vragen voor veiligheid en straffeloosheid, en door via FOCUS en het Mensenrechtenfonds interreligieuze dialoog en samenwerking te ondersteunen.
In Pakistan blijft Nederland de zorgen over blasfemiewetgeving, gedwongen bekeringen en de positie van religieuze minderheden agenderen in bilaterale contacten, in EU-kaders (waaronder GSP+) en in VN-fora, met als doel misbruik van wetgeving te beperken en rechtsbescherming te versterken.
Ten aanzien van China vraagt het kabinet in EU-verband, in de VN-Mensenrechtenraad en bilateraal aandacht voor ernstige beperkingen op vrijheid van religie en levensovertuiging, waaronder tegen christelijke (huis)kerken. Voor China worden, waar mogelijk, projecten via het Mensenrechtenfonds ondersteund, waarbij grote terughoudendheid in publieke communicatie wordt betracht om de veiligheid van partners te beschermen.
In Syrië staat de inzet van het kabinet in het teken van bescherming van gemeenschappen, inclusief religieuze minderheden, in de context van transitie en wederopbouw. FoRB wordt daar gekoppeld aan een bredere inzet op mensenrechten, accountability en voorwaarden aan wederopbouw, zoals ook uiteengezet in de recente Kamerbrief over straffeloosheid en mensenrechten in Syrië.2
In Irak vraagt het kabinet in contacten met de autoriteiten aandacht voor de positie van religieuze minderheden, waaronder jezidi’s en christelijke gemeenschappen, met nadruk op gelijke rechten en veilige terugkeer. De ervaringen uit JISRA in Irak worden benut bij de beoordeling of en hoe Irak onder FOCUS kan worden geprogrammeerd.
In India brengt het kabinet zorgen over de positie van religieuze minderheden en de toepassing van anti-conversiewetten in EU-India-mensenrechtendialogen en bilaterale contacten in, conform de motie-Stoffer3, steeds in samenhang met de bredere strategische relatie.
In Algerije is Nederland in gesprek met religieuze leiders en het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar opportuun deelt Nederland de visie over het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging. Zo wordt ook gesproken over de positie van christenen. Hierbij is het van belang om een vertrouwelijke dialoog te voeren met religieuze leiders en de overheid en om onze doelgroep niet in een kwetsbare positie te brengen.
In Indonesië bouwen we voort op een goede samenwerking rond FoRB en interreligieuze dialoog, onder meer via bezoeken van de SGRL, FOCUS-activiteiten en door de ambassade gesteunde projecten gericht op bescherming van religieuze vrijheden.
In Oost-Congo (DRC) is de inzet gericht op het terugdringen van geweld door gewapende groepen, waaronder de Allied Democratic Forces, en op versterking van lokaal bestuur en rechtsstaat, omdat duurzame vrede en effectief staatsgezag de beste bescherming bieden tegen geweld tegen christelijke en andere gemeenschappen. Religieuze vrijheid en mensenrechten zijn geïntegreerd in programma’s op het gebied van veiligheid en rechtsorde.
Uw Kamer wordt over de voortgang van deze inzet primair geïnformeerd via de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage4, waarin per mensenrechtenprioriteit de belangrijkste ontwikkelingen en Nederlandse acties worden geschetst. Daarnaast wordt, waar relevant, in reguliere landen- en themabrieven (bijvoorbeeld over Syrië, Nigeria, China of de Grote Meren) nader ingegaan op specifieke stappen en resultaten.
In China worden zorgen zowel bilateraal als via EU-verklaringen geadresseerd. Onlangs bleek uit nieuw onderzoek van Human Rights Watch (HRW) dat China's onderdrukking van katholieken sterk is toegenomen.5 De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet, via de Nederlandse ambassade of via Europese partners, over eigen informatie beschikt die deze signalen bevestigt. Zo ja, is het kabinet bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijke en duidelijkere Europese reactie op de verslechterende positie van katholieken en andere religieuze minderheden in China? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om mensenrechtenverdedigers, religieuze gemeenschappen en documentatie van mensenrechtenschendingen in en rond China beter te ondersteunen? Kan het kabinet aangeven of deze berichten aanleiding geven om het bredere Nederlandse China-beleid, op het punt van mensenrechten en geloofsvrijheid, aan te scherpen?
16. Antwoord van het kabinet
Het kabinet vangt met enige regelmaat signalen op dat de druk op geloofsgemeenschappen in China, waaronder katholieken, toe neemt. Die signalen betreffen ook de recent aangenomen wet op de Etnische Eenheid, die onder meer ziet op controle op geloofsgemeenschappen. Informatie wordt vergaard via eigen contacten en kanalen. In aanvulling hierop wisselt Nederland informatie uit met gelijkgezinde landen, waaronder EU-lidstaten.
Nederland brengt mensenrechten in den brede, waaronder de vrijheid van religie, op in gesprekken met Chinese gesprekspartners, op verschillende niveaus. Dat doet Nederland in EU-verband, via multilaterale fora zoals bijvoorbeeld tijdens de meest recente VN Mensenrechtenraad (23.02–31.03 jl.) en bilateraal. Daarbij kijkt het kabinet altijd naar de meest effectieve inzet, zowel voor als achter de schermen. Naast voorgenoemde inzet in bilateraal en multilateraal verband, schenkt het kabinet via het Mensenrechtenfonds extra aandacht aan vrijheid van religie, onder meer door het identificeren en steunen van projecten. Binnen het huidige Nederlandse China-beleid is er reeds nadrukkelijke aandacht voor mensenrechten, waaronder geloofsvrijheid. Het kabinet ziet binnen het bestaande beleid en de daarbinnen beschikbare instrumenten voldoende ruimte om de toenemende druk op geloofsgemeenschappen te adresseren.
Structurele monitoring en rapportage inzake christenvervolging
Het kabinet ziet geen meerwaarde in een afzonderlijk nationaal monitoringsinstrument, mede vanwege de kosten. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet wel kan bezien of in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage een vaste paragraaf opgenomen kan worden over vrijheid van religie en levensovertuiging, met aandacht voor trends, prioritaire landen, Nederlandse inzet en bereikte resultaten.
17. Antwoord van het kabinet
In de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage6 wordt reeds structureel gerapporteerd over vrijheid van religie en levensovertuiging, met aandacht voor trends, prioritaire landen, de Nederlandse inzet en, waar mogelijk, bereikte resultaten. Een vast hoofdstuk over FoRB is daarmee in de praktijk al gebruik.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota. Ze danken de Minister voor het opstellen van de kabinetsreactie en voor de waarde die het kabinet hecht aan de bescherming en bevordering van mensenrechten binnen het buitenlandbeleid, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging. De leden hebben een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien de aandacht die het kabinet heeft voor de vrijheid van religie en levensovertuiging, ook in het huidige kabinetsbeleid. De leden zien dat de kabinetsreactie vooral al bestaand beleid bevat, terwijl de initiatiefnota, met verwijzing naar de IOB-evaluatie uit 2023, ook nadrukkelijk tekortkomingen van het beleid blootlegt. De leden vragen de Minister te reflecteren op de in de initiatiefnota genoemde bevindingen van de IOB-evaluatie.
18. Antwoord van het kabinet
De IOB-evaluatie bevestigt dat er de afgelopen jaren belangrijke stappen zijn gezet, maar legt ook terecht een aantal aandachtspunten bloot. In de initiatiefnota worden met name drie punten uit de evaluatie genoemd.
Ten eerste constateert IOB dat vrijheid van religie en levensovertuiging in de praktijk binnen sommige multilaterale trajecten, zoals de UPR-inzet, ondanks de formele prioriteitsstatus sinds 2007, minder prioriteit kreeg dan andere thema’s. Met de huidige kabinetsreactie is de inzet dat FoRB consequenter wordt meegenomen in de VN-Mensenrechtenraad en dat de ondersteuning van de VN-Speciaal Rapporteur voor FoRB wordt geïntensiveerd, onder meer via het plaatsen van een door Nederland gefinancierde Junior Professional Officer op haar kantoor. Hiermee wordt beoogd de monitoring en opvolging van schendingen, inclusief christenvervolging, door de VN verder te versterken.
Ten tweede wijst IOB erop dat een deel van de ambassades in de praktijk vaker de nadruk legde op andere thema’s, zoals vrouwenrechten en LHBTIQ+, dan op vrijheid van religie en levensovertuiging. FoRB komt inderdaad in de besteding van het decentrale Mensenrechtenfonds niet overal even prominent naar voren. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat FoRB de afgelopen jaren juist ook via grote centrale programmering stevig is opgepakt: in de periode 2021–2025 via JISRA (circa EUR 37 miljoen) en nu, voor 2026–2031, via het FOCUS-kader, waarin circa EUR 35 miljoen voor het FoRB-sub-instrument is gereserveerd. Ambassades kiezen er soms voor om de relatief beperkte middelen uit het decentrale Mensenrechtenfonds op andere prioriteiten te richten die makkelijker uit te voeren zijn dan in de soms complexe context van religieuze minderheden en -vrijheden. Dat neemt niet weg dat, mede naar aanleiding van de evaluatie, expliciet wordt ingezet op versterking van religieuze geletterdheid en op betere inbedding van FoRB in landenstrategieën en rapportages. Binnen de brede inzet op FoRB wil en zal het kabinet nadrukkelijk meer aandacht besteden aan het thema christenvervolging, vooral in landen en regio’s waar christenen aantoonbaar onder druk staan.
Ten derde signaleert IOB dat de SGRL in de onderzochte periode nog onvoldoende geïntegreerd was in het departement en relatief beperkt werd ingezet voor (digitale) landenbezoeken. Dat is een belangrijk aandachtspunt. Met de keuze om de functie van de SGRL als zelfstandige en volwaardige functie te behouden en structureel te borgen, geeft het kabinet hier een concreet antwoord op. De gezant wordt daarmee een vaste schakel tussen beleid, ambassades en maatschappelijke actoren.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister tevens om toe te lichten wat wordt bedoeld met dat er soms spanningsvelden kunnen ontstaan tussen fundamentele rechten. In algemene zin begrijpen de leden dat grondrechten intrinsiek kunnen botsen. Tegelijkertijd zien de leden niet hoe het tegengaan van christenvervolging als gevolg kan hebben dat andere fundamentele rechten onder druk komen te staan. Kan de Minister dit verder toelichten en hier wellicht voorbeelden van geven?
19. Antwoord van het kabinet
De passage over spanningsvelden tussen fundamentele rechten betekent niet dat het tegengaan van christenvervolging op zichzelf andere rechten onder druk zou zetten, maar dat we in de praktijk soms opereren in contexten waarin verschillende rechten tegelijk in het geding zijn en zorgvuldig moet worden gekeken naar onze inzet.
Voorbeelden zijn de verhouding tussen vrijheid van religie en levensovertuiging en vrijheid van meningsuiting. In sommige landen wordt blasfemiewetgeving gebruikt om religieuze minderheden, onder wie christenen, te vervolgen. Daar verzet het kabinet zich tegen. Tegelijkertijd zijn er situaties waarin religieuze uitingen worden gebruikt om haat of geweld tegen andere groepen aan te wakkeren. Een tweede spanningsveld kan ontstaan in de verhouding tussen FoRB en de rechten van vrouwen en LGBTIQ+-personen. In sommige contexten worden religieuze overtuigingen aangevoerd ter rechtvaardiging van beperkingen op de rechten van vrouwen of LGBTIQ+-personen. Dit kan in de diplomatieke praktijk betekenen dat we in één en dezelfde landencontext zowel opkomen voor vervolgde christelijke minderheden, als scherpe gesprekken voeren over de rechten van vrouwen en LGBTIQ+-personen. Dat vraagt om een benadering waarin we mensenrechten in onderlinge samenhang bevorderen, en duidelijk is dat bepaalde rechten naast elkaar kunnen bestaan.
De genoemde spanningsvelden hebben te maken met de context waarin we opereren en de manier waarop staten of actoren zelf met rechten omgaan. Daarom blijft het kabinet benadrukken dat mensenrechten universeel en ondeelbaar zijn, en dat onze inzet erop gericht is FoRB te versterken zonder dat dit ten koste gaat van andere fundamentele vrijheden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister welke concrete stappen hij voornemens is te zetten om de positie, het mandaat en de inzet van de Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging te versterken, zowel binnen het ministerie als in de internationale diplomatieke praktijk? Kan de Minister aangeven welke extra middelen of bevoegdheden hiervoor worden ingezet. Tevens vragen de leden over welke personele en financiële middelen de Speciaal Gezant momenteel beschikt. Acht de Minister deze middelen voldoende gelet op de mondiale omvang en urgentie van schendingen van vrijheid van religie en levensovertuiging? Zo ja, waarom? Zo nee, is de Minister bereid aanvullende middelen beschikbaar te stellen om de slagkracht van de Speciaal Gezant te vergroten?
20. Antwoord van het kabinet
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 2 en 10 is de rol van de SGRL nadrukkelijk bedoeld als versterking van de inzet van ambassades, als thematisch expert en verbinder op vrijheid van religie en levensovertuiging en worden, conform de motie-Ceder c.s.7, jaarlijks structureel middelen vrijgemaakt om de SGRL als zelfstandige en volwaardige functie te borgen.
Zowel de SGRL, als de Mensenrechtenambassadeur, zullen geen eigen programmabudget beheren, maar gebruik maken van de bestaande instrumenten: centraal via het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen gereserveerd voor FoRB en bescherming van religieuze minderheden) en decentraal via het Mensenrechtenfonds, dat door ambassades wordt ingezet voor context specifieke projecten, onder meer op FoRB.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat het kabinet het belang van investeren in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren om geloofsvervolging effectiever tegen te gaan onderschrijft. De leden vragen of Minister inzichtelijk wil maken in hoeverre er via ontwikkelingssamenwerking in algemene zin reeds met religieuze actoren wordt samengewerkt. Is het mogelijk om dit bijvoorbeeld in een percentage te vatten? Ook zijn de leden benieuwd of het kabinet voornemens is om deze samenwerking te versterken en zo ja, op welke manier?
21. Antwoord van het kabinet
Via ontwikkelingssamenwerking wordt op uiteenlopende terreinen samengewerkt met religieuze actoren, zowel met lokale religieuze leiders en organisaties als met internationale faith-based organisaties. Dat gebeurt bijvoorbeeld in programma’s op het gebied van vrede en verzoening, rechtsstaat, onderwijs, gezondheidszorg en humanitaire hulp, en specifiek in FoRB-gerelateerde programma’s zoals JISRA en straks FOCUS. Religieuze actoren zijn in veel landen belangrijke maatschappelijke spelers en worden daarom structureel als partners betrokken. Het is daardoor niet goed mogelijk om deze samenwerking in een betrouwbaar percentage te vatten. Projecten en programma’s worden niet systematisch gecodeerd naar «religieuze» of «niet-religieuze» partner, en veel consortia zijn gemengd (religieuze en seculiere organisaties samen). Een poging om daar achteraf een exact percentage aan te verbinden zou weinig nauwkeurig zijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien de aandacht voor geloofsvervolging in de diplomatie. De leden vragen de Minister nader toe te lichten in hoeverre er ook echt consequenties aan zijn verbonden. Zijn er voorbeelden te geven van stevige consequenties richting een land waarbij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging flink onder druk stond of staat?
22. Antwoord van het kabinet
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 14 is de inzet op geloofsvervolging niet vrijblijvend en hanteert het kabinet in de praktijk een escalatieladder, van bilaterale diplomatie en gezamenlijke EU-stappen tot multilaterale agendering en, in ernstige gevallen, gerichte maatregelen zoals sancties of het conditioneren van samenwerking. In de 43e Universal Periodic Review (periodieke mensenrechtentoets van VN-lidstaten) van Nigeria in heeft Nederland bijvoorbeeld aanbevolen, ten behoeve van de uitoefening van het recht op vrijheid van religie en levensovertuiging, de veiligheid van burgers in alle regio’s van Nigeria te vergroten en de accountability voor schendingen van dit recht te versterken.
Aanvullend kan de escalatieladder in de praktijk ook tot stevige consequenties leiden. Zo kan ernstige en aanhoudende druk op vrijheid van religie en levensovertuiging ertoe bijdragen dat Nederland in EU-verband pleit voor opname van verantwoordelijke personen of entiteiten op sanctielijsten, of voor het kritisch heroverwegen van preferentiële handelsregimes wanneer landen hun mensenrechtenverplichtingen, inclusief FoRB, systematisch schenden.
Een concreet voorbeeld hiervan is de 15e EU-Pakistan Joint Commission van december jl., die de basis vormt voor de GSP+-beoordeling in 2026. In dit kader heeft de EU met Pakistan gesproken over vrijheid van religie of levensovertuiging en de rechten van minderheden, waarbij is benadrukt dat het preferentiële handelsregimes «niet gegarandeerd en niet automatisch» is.
In alle gevallen wordt zorgvuldig afgewogen welke combinatie van druk, dialoog en eventuele sancties het meeste perspectief biedt op daadwerkelijke verbetering van de positie van religieuze minderheden, zonder dat zij door zichtbare Nederlandse of Europese stappen onbedoeld verder in de gevarenzone komen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister naar de inzet op het aanspreken van landen die nog de doodstraf hanteren op blasfemie of afvalligheid. Wanneer kunnen de leden opvolging aan de motie-Ceder/Ceulemans (Kamerstuk 36 800 V, nr. 89) verwachten?
23. Antwoord van het kabinet
Nederland verzet zich principieel tegen blasfemiewetten, in het bijzonder waar deze de doodstraf mogelijk maken of leiden tot vervolging van afvalligen en religieuze minderheden. In bilaterale contacten en in multilaterale fora, zoals de VN-Mensenrechtenraad en in EU-kader, spreekt Nederland landen hierop consequent aan. Daarbij wordt benadrukt dat het bestraffen met de doodstraf van blasfemie of afvalligheid onverenigbaar is met internationale mensenrechtenverplichtingen, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging en vrijheid van meningsuiting.
Tegelijkertijd is in een aantal landen directe afschaffing van blasfemiewetten politiek (nog) niet haalbaar. Daarom koppelt Nederland het principiële pleidooi tegen deze wetgeving aan een pragmatische inzet om de schade te beperken. Zo zet Nederland in op het verhogen van bewijslasteisen, het versterken van procedurele waarborgen en, waar passend, het verplaatsen van gevoelige zaken naar hogere of gespecialiseerde rechtbanken. Dit verkleint de ruimte voor misbruik van blasfemiebeschuldigingen, bijvoorbeeld in persoonlijke vetes of lokale machtsconflicten, en kan helpen voorkomen dat ter dood veroordelingen worden uitgesproken of ten uitvoer worden gelegd. In EU-verband pleit Nederland daarnaast voor versterking en consequente toepassing van de EU-richtsnoeren voor vrijheid van religie en levensovertuiging (FoRB), waarin als uitgangspunt geldt dat religieuze expressie vrij moet zijn zolang deze geen haat of geweld aanwakkert.
De eerste integrale rapportage over de uitvoering van deze motie zal worden opgenomen in de volgende jaarlijkse Mensenrechtenrapportage, die in de zomer van 2027 aan de Kamer wordt aangeboden. Daarin zal het kabinet uiteenzetten op welke wijze de diplomatieke en multilaterale inzet tegen de doodstraf voor blasfemie en afvalligheid verder is geconcretiseerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hij voorbeelden kent van landen met shariawetgeving die op de gehele samenleving van toepassing zijn verklaard waar christenen en andere religieuze minderheden niet in de verdrukking raken. Kan hij dat toelichten? De leden vragen of de Minister erkent dat landen met dergelijke shariawetgeving of met een sterk islamitisch staatskarakter oververtegenwoordigd zijn in de top-10 van de Ranglijst christenvervolging van Open Doors. Heeft de Minister daar een verklaring voor? Hoe neemt de Minister dit gegeven mee in het kader van effectieve interventies ten aanzien van christenvervolging in deze specifieke contexten? Tevens vragen de leden welke effectieve interventies de Minister voor zich ziet bij christenvervolging in totalitaire en socialistische staten als China, Noord-Korea en Eritrea.
24. Antwoord van het kabinet
In landen waar religie een sterke plaats heeft in staatsrecht en wetgeving, zien we geregeld dat religieuze minderheden, waaronder christenen, onder druk kunnen komen te staan. Dat geldt in het bijzonder waar religieus geïnspireerde bepalingen, bijvoorbeeld rond blasfemie, afvalligheid of familie- en huwelijksrecht, ruimte laten voor discriminatie, uitsluiting of vervolging van wie afwijkt van de dominante norm. In sommige contexten speelt islamitisch extremisme daarbij nadrukkelijk een rol: christelijke gemeenschappen, maar ook gematigde moslims en andere religieuze minderheden (waaronder eveneens islamitische groepen), worden dan doelwit van geweld of intimidatie die religieus wordt gelegitimeerd. Die realiteit ontkent het kabinet niet; die komt ook terug in rapportages van ambassades en van organisaties als Open Doors.
Tegelijkertijd is de werkelijkheid genuanceerder dan een eenvoudig een-op-een verband tussen «sharia» en «vervolging» en wil het kabinet niet generaliseren door religieuze tradities als geheel verantwoordelijk te houden voor geweld. In iedere context zijn de oorzaken van geweld en vervolging vaak complex en hangen zij samen met factoren zoals zwak bestuur, gewapend conflict, sociaaleconomische ongelijkheid, etnische spanningen, georganiseerde criminaliteit en politieke instrumentalisering van religie. Dat betekent echter niet dat het kabinet wegkijkt waar religie en, in sommige contexten, islamitisch-extremisme aantoonbaar een aanjagende rol spelen bij spanningen in en geweld tegen de christelijke gemeenschap. De Nederlandse inzet op FoRB is gericht op bescherming van personen en hun rechten, ongeacht religie, en op het tegengaan van misbruik van religie voor onderdrukking of uitsluiting. Het kabinet benoemt schendingen van vrijheid van religie, inclusief christenvervolging en islamitisch-extremisme, en spreekt waar relevant landen daar ook op aan.
Ook in landen zonder islamitisch staatskarakter is sprake van ernstige christenvervolging. Zo noemt de ranglijst van Open Doors prominente voorbeelden van niet-islamitische, sterk autoritaire of totalitaire staten, zoals Noord-Korea en Eritrea, waar christenen en andere gelovigen zwaar worden vervolgd in een overwegend seculiere of ideologisch gedreven context. Binnen landen met een islamitische meerderheid lopen situaties bovendien per regio en gemeenschap sterk uiteen; in sommige landen zijn er bijvoorbeeld aanzienlijke verschillen tussen stedelijke en rurale gebieden of tussen deelstaten. Naast religieuze normen spelen rechtsstatelijke zwakte, gewapend conflict, etnische spanningen, georganiseerde criminaliteit en politieke instrumentalisering van religie een grote rol in de mate waarin minderheden daadwerkelijk worden beschermd of juist kwetsbaar zijn. In onze analyses en inzet proberen we die factoren in samenhang te wegen: we willen de complexiteit niet reduceren tot één oorzaak, maar ook niet wegkijken waar religie, inclusief islamitisch extremisme, aantoonbaar een aanjagende rol speelt.
In landen met een sterk religieus staatskarakter spreekt het kabinet autoriteiten aan op hun internationale verplichtingen, inclusief het recht om te geloven, niet te geloven of van geloof te veranderen, en verzetten we ons tegen strafbaarstelling van blasfemie en afvalligheid, zeker waar de doodstraf mogelijk is. In contexten waar islamitisch extremisme specifiek bijdraagt aan christenvervolging, agendeert Nederland dat expliciet, en zet, waar mogelijk samen met lokale religieuze leiders en gelijkgezinde landen, in op bescherming van kwetsbare gemeenschappen, rechtsbescherming en aanpak van straffeloosheid. In autoritaire en totalitaire staten, of die zich nu religieus profileren of juist seculier/socialistisch, ligt de nadruk meer op volgehouden agendering in EU- en VN-kader, steun aan onafhankelijke monitoring en bewijsvergaring met het oog op accountability, en, waar dat verantwoord kan, ondersteuning van organisaties die vervolgde gelovigen en andere kwetsbare groepen bijstaan.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister in hoeverre er in het beleid specifiek aandacht is voor de impact van gender specific religious persecution en van age specific religious persecution. Kan de Minister dit uiteenzetten? Ook vragen de leden of er in het beleid specifiek aandacht si voor de rechten van bekeerlingen? Kan de Minister hierop reflecteren?
25. Antwoord van het kabinet
In de Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging staat het individu centraal, met oog voor de verschillende manieren waarop mensen geloofsvervolging ervaren. Daarbij is nadrukkelijk aandacht voor genderspecifieke en leeftijdsspecifieke dimensies van geloofsvervolging, evenals voor de positie en rechten van bekeerlingen.
Binnen het mensenrechtenbeleid geldt al langer dat vrouwen en meisjes, kinderen en jongeren, en lhbtiq+-personen tot de kwetsbare groepen worden gerekend. Dat geldt ook op het terrein van geloofsvervolging. In beleidskaders en programmering wordt expliciet gevraagd om gender- en leeftijdssensitieve analyses. In de praktijk betekent dit dat bij FoRB-programma’s en projecten, bijvoorbeeld binnen het FOCUS-programma (2026–2031) en via het Mensenrechtenfonds, specifiek wordt gekeken naar situaties waarin meisjes, vrouwen en jongeren extra kwetsbaar zijn, zoals gedwongen huwelijken, seksueel geweld of uitsluiting van onderwijs en werk op religieuze gronden, en dat interventies daarop worden toegesneden.
Ook in diplomatieke contacten wordt deze dimensie meegenomen. Wanneer Nederland landen aanspreekt op schendingen van vrijheid van religie en levensovertuiging, wordt waar relevant gewezen op de bijzondere kwetsbaarheid van vrouwen, meisjes en jongeren binnen religieuze minderheden, en op de noodzaak hen effectief te beschermen.
Met betrekking tot bekeerlingen geldt dat hun rechten integraal onderdeel zijn van de Nederlandse inzet op FoRB. De vrijheid om van geloof te veranderen of geen geloof aan te hangen is een essentieel onderdeel van dit recht. In gesprekken met landen waar afvalligheid of bekering sociaal of juridisch wordt bestraft, benadrukt Nederland dat vervolging, sociale uitsluiting of geweld tegen bekeerlingen in strijd is met internationale mensenrechtenverplichtingen. Ook in multilaterale fora, zoals de VN-Mensenrechtenraad, steunt Nederland resoluties en aanbevelingen die expliciet aandacht vragen voor de rechten van bekeerlingen en voor het beëindigen van strafbaarstelling van afvalligheid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota over christenvervolging en de bevordering van vrijheid van religie en levensovertuiging. Deze leden onderschrijven het belang van bescherming van religieuze minderheden wereldwijd, maar constateren dat de inzet van het kabinet op onderdelen abstract blijft en vragen oproept over effectiviteit, prioritering en consequenties.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet benadrukt dat de inzet plaatsvindt binnen beperkte personele en financiële kaders, en dat dit noopt tot scherpe keuzes. Deze leden vragen op basis van welke concrete criteria deze keuzes worden gemaakt. Hoe wordt bepaald in welke landen of situaties Nederland zich wél of juist niet actief uitspreekt of inzet tegen christenvervolging, en hoe wordt de effectiviteit van die keuzes geëvalueerd? Deze leden lezen dat het kabinet spreekt over een mix van maatregelen «voor en achter de schermen». Kan het kabinet concreet maken in welke gevallen wordt gekozen voor stille diplomatie en wanneer voor zichtbare politieke druk? Welke afwegingen spelen daarbij een doorslaggevende rol, en hoe wordt voorkomen dat stille diplomatie feitelijk leidt tot vrijblijvendheid of gebrek aan zichtbare druk?
26. Antwoord van het kabinet
In het antwoord op vraag 14 is toegelicht welke stappen op de escalatieladder beschikbaar zijn en op basis van welke criteria de afweging tussen stille diplomatie en publieke druk wordt gemaakt.
Over deze inzet en de effectiviteit ervan wordt gerapporteerd via regulier contact tussen posten en het departement over FoRB en de bredere mensenrechtensituatie, via de jaarlijkse mensenrechtenrapportage aan uw Kamer, en via rapportages en evaluaties van instrumenten als het Mensenrechtenfonds en programmatische kaders, waaronder de recente IOB-evaluatie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Daarbij wordt onder meer gekeken of diplomatieke interventies bijdragen aan zichtbare veranderingen, zoals het aanpassen van wetgeving, het verminderen van geweld of het realiseren van betere bescherming voor specifieke gemeenschappen.
De leden van de BBB-fractie erkennen het belang van religieuze geletterdheid, maar constateren dat het kabinet vooral verwijst naar bestaande opleidingen en cursussen. Kan het kabinet aangeven hoe wordt gemeten of deze investeringen daadwerkelijk leiden tot betere bescherming van religieuze minderheden in de praktijk? Zijn er concrete voorbeelden waar verhoogde religieuze kennis van diplomaten aantoonbaar heeft geleid tot verbeterde positie van christelijke gemeenschappen?
27. Antwoord van het kabinet
Opleidingen en cursussen worden geëvalueerd op deelname, relevantie en toepasbaarheid in het werk van diplomaten. Daarnaast leidt betere kennis van religieuze contexten ertoe dat ambassades gerichter netwerken opbouwen, scherper rapporteren en effectiever interveniëren wanneer religieuze minderheden onder druk staan. Zie ook het antwoord op vragen 7 en 8.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet inzet op het tegengaan van online haat, maar tegelijkertijd benadrukt dat vrijheid van meningsuiting niet mag worden ingeperkt. Deze leden vragen hoe dit spanningsveld in de praktijk wordt opgelost. In welke concrete gevallen heeft Nederland zich uitgesproken tegen online haatcampagnes gericht op christenen, en welke instrumenten zijn toen daadwerkelijk ingezet richting platforms of staten?
28. Antwoord van het kabinet
Het kabinet deelt de zorgen dat het tegengaan van ongewenste inhoud online, zoals desinformatie en haatspraak, regelmatig wordt aangewend als reden om te verregaande inperking van de vrijheid van meningsuiting online te legitimeren. Nederland kiest er daarom voor in de aanpak van deze inhoud focus te leggen op het promoten van informatie integriteit, zowel in multilateraal als bilateraal verband. Hiermee ligt nadruk op het promoten van online structuren die bijdragen aan een gezond informatie ecosysteem, in plaats van het definiëren van ongewenste inhoud.
Uitingen, ook online, die oproepen tot geweld of aanzetten tot haat tegen personen op grond van hun religie zijn in strijd met internationale mensenrechtennormen; daartegen treedt het kabinet principieel op. Kritiek op religie, religieuze opvattingen of religieuze instellingen vallen in beginsel echter onder de vrijheid van meningsuiting.
Wanneer online haatcampagnes tegen christenen of andere religieuze minderheden aanzetten tot geweld of discriminatie; of wanneer de reacties van overheden op online haat leiden tot disproportionele inperking van de vrijheid van meningsuiting, kan Nederland dit aankaarten in bilaterale gesprekken met de betrokken staat, in EU-kader of in multilaterale fora. Daarnaast financiert Nederland projecten die lokale organisaties ondersteunen bij het monitoren en rapporteren van online haat en het vergroten van digitale weerbaarheid van de getroffen gemeenschappen. Omdat deze inzet onderdeel is van bredere (mensenrechten)programma’s en vaak in vertrouwelijke context plaatsvindt, kan geen lijst van afzonderlijke casussen worden gegeven. Steeds staat voorop dat maatregelen tegen online haat niet worden gebruikt als voorwendsel om legitieme religieuze of andere vreedzame uitingen te beperken.
De leden van de BBB-fractie zien dat aanzienlijke middelen zijn ingezet voor interreligieuze dialoog, onder andere via JISRA. Kan het kabinet concreet maken welke meetbare resultaten deze programma’s hebben opgeleverd specifiek ten aanzien van het terugdringen van geweld of discriminatie tegen christenen? In hoeverre wordt bij nieuwe programma’s gestuurd op aantoonbare impact in plaats van proces- of dialoogresultaten?
29. Antwoord van het kabinet
Programma’s als JISRA zijn er niet alleen op gericht om geweld of discriminatie tegen christenen terug te dringen, maar om breder vrijheid van religie en levensovertuiging te bevorderen en spanningen tussen groepen, waaronder christelijke en niet-christelijke gemeenschappen, te verminderen. Binnen die brede doelstelling is in meerdere landen expliciet aandacht geweest voor de positie van christelijke minderheden.
De resultaten worden gemeten aan de hand van land- en programma-specifieke indicatoren, zoals vermindering van het aantal gerapporteerde geweldsincidenten tussen bepaalde gemeenschappen in een district; toegenomen meldingsbereidheid en betere doorverwijzing van slachtoffers; afspraken tussen religieuze leiders om haatprediking tegen andere groepen tegen te gaan; of concrete interventies van lokale autoriteiten na signalen uit interreligieuze platforms. Evaluaties laten zien dat JISRA op lokaal niveau heeft bijgedragen aan verbeterde samenwerking tussen religieuze leiders, het voorkomen of de-escaleren van spanningen én een grotere zichtbaarheid van de problemen waarmee religieuze minderheden, waaronder christenen, te maken hebben.
Bij nieuwe programma’s, waaronder FOCUS (2026–2031), wordt ook nadrukkelijk gestuurd op aantoonbare impact. Dat betekent dat naast proces- en dialoogresultaten (zoals aantal bijeenkomsten of gevormde platforms) ook outcome-indicatoren worden gehanteerd, bijvoorbeeld veranderingen in ervaren veiligheid van minderheden, lokale beleidsaanpassingen, of aantoonbare opvolging van incidenten door autoriteiten. Subsidieontvangers moeten die resultaten onderbouwen met context specifieke data, waarbij we ons er ook van bewust zijn dat causale relaties in complexe conflictsituaties niet altijd eenduidig zijn.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet spreekt over structurele aandacht voor geloofsvervolging, maar dat concrete consequenties bij verslechterende situaties beperkt worden uitgewerkt. Deze leden vragen welke concrete diplomatieke of politieke maatregelen Nederland bereid is te nemen wanneer landen structureel tekortschieten in de bescherming van christelijke minderheden. Wordt daarbij ook gedacht aan het conditioneren van samenwerking, handelsrelaties of ontwikkelingsprogramma’s, en zo ja, onder welke voorwaarden?
30. Antwoord van het kabinet
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 14 is de inzet op geloofsvervolging, waaronder christenvervolging, niet vrijblijvend en hanteert het kabinet in de praktijk een escalatieladder: van bilaterale diplomatie en gezamenlijke EU-stappen tot multilaterale agendering en, in ernstige gevallen, gerichte maatregelen zoals sancties of het conditioneren van samenwerking. In het antwoord op vraag 22 is verder uiteengezet dat deze escalatieladder ook daadwerkelijk kan leiden tot stevige consequenties, bijvoorbeeld door in EU-verband te pleiten voor opname van verantwoordelijke personen of entiteiten op sanctielijsten, of voor het kritisch heroverwegen van preferentiële handelsregimes wanneer landen hun mensenrechtenverplichtingen, inclusief FoRB, systematisch schenden.
Daarbij sluit het kabinet nooit uit dat, wanneer landen structureel tekortschieten in de bescherming van christelijke minderheden en andere religieuze groepen, in samenwerking met andere (Europese) partners, ook bredere vormen van samenwerking, handelsrelaties of ontwikkelingsprogramma’s kunnen worden geconditioneerd. Zulke stappen vergen altijd een zorgvuldige afweging: enerzijds het belang van een duidelijk politiek signaal en druk op de verantwoordelijke autoriteiten, anderzijds het risico dat kwetsbare gemeenschappen door het wegvallen van samenwerking of programma’s juist extra geraakt worden, en de weging van andere voor Nederland strategische belangen. In alle gevallen staat voorop welke combinatie van druk, dialoog en eventuele sancties het meeste perspectief biedt op daadwerkelijke verbetering van de positie van religieuze minderheden, zonder dat zij door zichtbare Nederlandse of Europese stappen onbedoeld verder in de gevarenzone komen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet geen meerwaarde ziet in een apart monitoringsinstrument vanwege bestaande rapportagestructuren. Deze leden vragen hoe binnen de huidige rapportages specifiek zicht wordt gehouden op de ontwikkeling van christenvervolging, in plaats van bredere, meer algemene mensenrechtenindicatoren. Hoe wordt voorkomen dat specifieke trends of escalaties onvoldoende scherp in beeld komen binnen deze bredere kaders? Daarnaast vragen deze leden hoe de Kamer tijdig wordt geïnformeerd bij acute verslechteringen in specifieke landen, gezien de jaarlijkse rapportagecyclus mogelijk te traag is voor snel veranderende situaties.
31. Antwoord van het kabinet
Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, is het, gelet op de vele bestaande VN-, EU- en NGO-rapportages, niet doelmatig om daarenboven een parallel nationaal monitoringsinstrument op te tuigen.
Binnen die bestaande structuren is er specifieke aandacht voor christenvervolging. In landenanalyses en mensenrechtenrapportages wordt niet alleen gekeken naar algemene indicatoren, maar expliciet naar de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen. Rapportages van organisaties als Open Doors en Kerk in Nood, signalen van kerken en christelijke NGO’s, en bevindingen van onze ambassades worden daarbij nadrukkelijk betrokken. De uitkomsten hiervan werken door in de prioritering van landen en thema’s in bilaterale gesprekken, in EU- en VN-inzet en in de keuze van projecten binnen het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma.
Wat betreft tijdige informatievoorziening richting de Kamer: wanneer zich acute en ernstige verslechteringen voordoen, bijvoorbeeld grootschalig geweld tegen christelijke gemeenschappen of andere religieuze minderheden, is het kabinet niet beperkt tot de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage. In zulke gevallen kan de Kamer zo nodig tussentijds worden geïnformeerd via aparte landenbrieven, thematische Kamerbrieven of geannoteerde agenda’s voorafgaand aan relevante Europese Raden en VN-zittingen. Op die manier kunnen zowel de ontwikkelingen als de Nederlandse inzet bij snel veranderende situaties tijdig met de Kamer worden gedeeld.
NOS, 16 april 2026, «Human Rights Watch: China's onderdrukking van katholieken escaleert» ( https://nos.nl/artikel/2610626-human-rights-watch-china-s-onderdrukking-van-katholieken-escaleert)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36888-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.