Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 21501-30 nr. 709 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 21501-30 nr. 709 |
Vastgesteld 16 juli 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de Geannoteerde Agenda van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 21 juli 2026 te Dublin (21 501–30, nr. 708).
De vragen zijn op 14 juli 2026 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 16 juli 2026 zij de vragen, voorzien van een inleiding, beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie, Teske
Inhoudsopgave
|
I |
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
2 |
|
II |
Antwoord / Reactie van de Minister |
3 |
Vragen van de leden van de DD6-fractie
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat Europa alleen technologisch onafhankelijk kan blijven als we ook in de ruimte tot de wereldtop blijven behoren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat ruimtevaart en ruimtevaartinnovatie binnen Horizon Europe en de bredere «One Europe, One Market»-agenda een prominente plaats krijgen? Welke kansen ziet de Minister om de Europese ruimtevaartsector sneller te laten opschalen?
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister steun uitspreekt voor de zogenoemde vijfde vrijheid: het vrij verkeer van onderzoek, innovatie en kennis. Maar de invulling daarvan is nog onduidelijk. Welke concrete Nederlandse prioriteiten gaat de Minister in Brussel naar voren brengen om van deze vijfde vrijheid meer te maken dan een mooi principe? Ziet de Minister bijvoorbeeld kansen om belemmeringen voor onderzoekers, innovatieve bedrijven en startups om grensoverschrijdend samen te werken daadwerkelijk weg te nemen?
De leden van de D66-fractie merken op dat Europa sterk is in onderzoek, maar te vaak worden innovaties elders opgeschaald. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat Horizon Europe en de European Innovation Council niet alleen goede wetenschap opleveren, maar ook meer Europese scale-ups en bedrijven die hier in Europa kunnen doorgroeien? Welke rol ziet de Minister daarbij voor een echte Europese kapitaalmarkt?
De leden van de D66-fractie willen dat ook het midden- en kleinbedrijf (mkb) profiteert van één Europese markt voor innovatie. Veel innovatieve mkb-bedrijven lopen echter vast in versnipperde regels en complexe toegang tot Europese programma’s. Welke concrete stappen wil de Minister zetten om ervoor te zorgen dat Nederlandse mkb’ers eenvoudiger toegang krijgen tot Europese onderzoeks-, innovatie- en financieringsinstrumenten, zodat ook zij kunnen groeien op de Europese interne markt?
Vragen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen van 21 juli en hebben daarbij een aantal vragen.
De leden van de CDA-fractie zijn positief over het feit dat de Raad een deelakkoord heeft bereikt over Horizon Europe. Kan de Minister een beeld schetsen van het krachtenveld binnen de Raad dat heeft geleid tot dit deelakkoord? Welke lidstaten hebben zich voor of tegen de belangrijkste onderdelen van het akkoord uitgesproken?
De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat de Raad de samenhang en afstemming tussen Horizon Europe en het European Competitiveness Fund verder heeft verduidelijkt. Wel vragen zij of het voorgestelde overlegmechanisme voldoende is om deze afstemming te waarborgen. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe verhoudt deze aanpak zich tot de inzet van de rapporteur in het Europees Parlement, Christian Ehler?
De leden van de CDA-fractie lezen daarnaast dat de Europese Commissie plafonds heeft voorgesteld voor de financiering van partnerschappen, defensie-innovatie en de bouw of modernisering van onderzoeks- en technologie-infrastructuur. Kan de Minister nader specificeren hoe deze plafonds zijn vormgegeven? Gaat het hierbij om percentages, absolute bedragen of een combinatie van beide? Indien hierover nog geen duidelijkheid bestaat, wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van de hoogte en vormgeving van deze plafonds?
Inleiding
Tevens maak ik van deze gelegenheid gebruik om uw Kamercommissie namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat te informeren over het triloogakkoord e-declaration. Dit akkoord valt onder het industrie- en interne marktdeel van de Raad voor Concurrentievermogen.
Vraag 1 (D66-fractie)
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat Europa alleen technologisch onafhankelijk kan blijven als we ook in de ruimte tot de wereldtop blijven behoren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat ruimtevaart en ruimtevaartinnovatie binnen Horizon Europe en de bredere «One Europe, One Market»-agenda een prominente plaats krijgen? Welke kansen ziet de Minister om de Europese ruimtevaartsector sneller te laten opschalen?
Nederland zet in op drie lijnen om de ruimtevaartinnovaties sneller van de grond te laten komen en de Europese ruimtevaartsector sneller op te schalen.
Ten eerste: versterking van Europese ruimtevaartcapaciteiten via EU- en ESA-programma’s, met goede toegang voor innovatieve bedrijven en kennisinstellingen. Het EU-ruimtevaartprogramma voor de periode 2028–2034 is onderdeel van het toekomstige Europese Concurrentievermogenfonds (ECF), specifiek in de vierde «policy window», waaraan Horizon Europe een bijdrage levert voor onderzoek en innovatie. Het kabinet zet zich ervoor in dat ruimtevaartinnovatie in de verdere ontwikkeling van het ECF adequaat blijft ingebed, zodat ruimtevaart via onderzoek en innovatie een volwaardige bijdrage kan blijven leveren aan het Europese concurrentievermogen.
In het kader van het volgende EU-ruimtevaartprogramma onder het ECF heeft Nederland er daarnaast voor gepleit dat bij grote contracten een substantieel deel wordt uitbesteed aan onderaannemers en mkb-bedrijven, zodat innovatieve Europese spelers beter kunnen doorgroeien in waardeketens. Ook is er onder het ECF in den brede veel aandacht voor activiteiten gericht op ondersteuning van de doorgroei en commercialisatie van innovaties.
Als tweede lijn wordt hierbij ingezet op gerichte doorontwikkeling van Nederlandse sleutelposities, onder meer aardobservatie, optische satellietcommunicatie, navigatie, en dual-use toepassingen.
Ten derde: betere benutting van ruimtevaart in maatschappelijke en economische opgaven, zodat bedrijven kunnen doorgroeien van technologie- en subsystemenleverancier naar sterkere posities in waardeketens en diensten.
Deze inzet krijgt vorm via de uitvoering van de Lange-termijn Ruimtevaartagenda, de Nederlandse inzet in ESA, Europese programma’s zoals Galileo, Copernicus en IRIS². Het kabinet zal er ook voor waken dat de ruimtevaartbelangen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de «One Europe, One Market»-agenda.
Vraag 2 (D66-fractie)
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister steun uitspreekt voor de zogenoemde vijfde vrijheid: het vrij verkeer van onderzoek, innovatie en kennis. Maar de invulling daarvan is nog onduidelijk. Welke concrete Nederlandse prioriteiten gaat de Minister in Brussel naar voren brengen om van deze vijfde vrijheid meer te maken dan een mooi principe? Ziet de Minister bijvoorbeeld kansen om belemmeringen voor onderzoekers, innovatieve bedrijven en startups om grensoverschrijdend samen te werken daadwerkelijk weg te nemen?
Sinds de rapporten van Draghi en Letta heeft de Commissie verschillende initiatieven aangekondigd die barrières wegnemen en bijdragen aan het realiseren van de vijfde vrijheid. De nog te publiceren Europese Onderzoeksruimtewet («ERA Act») kan een belangrijke bijdrage leveren aan het vrije verkeer van onderzoek, innovatie, kennis en onderzoekers binnen de Europese Unie.
Tijdens de informele Raad voor Concurrentievermogen zal Nederland dan ook een aantal Nederlandse prioriteiten ten aanzien van de aankomende ERA Act onder de aandacht brengen. Voor Nederland is het bijvoorbeeld van belang dat er een gelijk speelveld komt op het gebied van kennisveiligheid en dat Europese waarden, zoals academische vrijheid, gendergelijkheid en wetenschappelijke integriteit, worden gewaarborgd. Daarnaast is het belangrijk onderzoekscarrières aantrekkelijker te maken, de mobiliteit van onderzoekers te bevorderen en de valorisatie van kennis en innovaties te versnellen. Ook is verdere inzet op kennisdeling via open science en digitale, onderzoeks- en technologie-infrastructuur van groot belang. Tegelijkertijd moeten onnodige regeldruk, inconsistenties tussen EU- en nationale wetgeving en fragmentatie van regelgeving worden voorkomen. De Commissie werkt hier bijvoorbeeld aan bij de implementatie van de startup- en scale-up-strategie1.
Vraag 3 (D66-fractie)
De leden van de D66-fractie merken op dat Europa sterk is in onderzoek, maar te vaak worden innovaties elders opgeschaald. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat Horizon Europe en de European Innovation Council niet alleen goede wetenschap opleveren, maar ook meer Europese scale-ups en bedrijven die hier in Europa kunnen doorgroeien? Welke rol ziet de Minister daarbij voor een echte Europese kapitaalmarkt?
Het kabinet zet zich in voor de totstandkoming en ondersteuning van Europese scale-ups en bedrijven die in Europa kunnen doorgroeien, onder meer via Horizon Europe. Dit programma stimuleert de ontwikkeling van de commerciële toepassingen van onderzoeksresultaten via diverse instrumenten waarvan de European Innovation Council (EIC) voor deze ambitie de belangrijkste is. De EIC biedt ondersteuning aan startups en scale-ups voor het identificeren, vermarkten en opschalen van baanbrekende innovaties. De afgelopen jaren heeft de EIC zich mede op aandringen van Nederland in toenemende mate gericht op de opschalingsfase, gezien het substantiële financieringsgat dat zich in deze fase voordoet.
Naast Horizon Europe zal tevens het nieuwe ECF zich richten op het ondersteunen van bedrijven in de opschalingsfase, met instemming van Nederland. Zoals toegelicht in de Kamerbrief over de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie2, zet het kabinet zich ook in voor het bewerkstellingen van een diepe en geïntegreerde Europese kapitaalmarkt, om zo de beschikbaarheid van privaat (risico)kapitaal voor bedrijven in de EU te vergroten, zodat zij in Europa kunnen doorgroeien.
Vraag 4 (D66-fractie)
De leden van de D66-fractie willen dat ook het midden- en kleinbedrijf (mkb) profiteert van één Europese markt voor innovatie. Veel innovatieve mkb-bedrijven lopen echter vast in versnipperde regels en complexe toegang tot Europese programma’s. Welke concrete stappen wil de Minister zetten om ervoor te zorgen dat Nederlandse mkb’ers eenvoudiger toegang krijgen tot Europese onderzoeks-, innovatie- en financieringsinstrumenten, zodat ook zij kunnen groeien op de Europese interne markt?
Bijna een vierde van de aan Nederland toegekende middelen van de huidige Europese onderzoeks-, innovatie- en financieringsinstrumenten onder Horizon Europe belandt bij mkb’ers3. Uiteraard blijft het kabinet zich inzetten voor zo eenvoudig mogelijke toegang voor aanvragers, waaronder mkb-bedrijven. Zoals reeds met Uw Kamer gedeeld, verwelkomt het kabinet de sterke inzet van de Europese Commissie op vereenvoudiging om administratieve lasten en complexiteit te verminderen en zo snelheid en flexibiliteit voor begunstigden te vergroten4. Hierbij houdt het kabinet in het oog dat vereenvoudiging daadwerkelijk de begunstigde toekomt en niet de Europese Commissie. Verder blijft het kabinet zich inzetten voor adequate ondersteuning voor potentiële deelnemers van Europese onderzoeks-, innovatie- en financieringsinstrumenten vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, in diens hoedanigheid als National Contact Point van de Europese Commissie.
Vraag 5 (CDA-fractie)
De leden van de CDA-fractie zijn positief over het feit dat de Raad een deelakkoord heeft bereikt over Horizon Europe. Kan de Minister een beeld schetsen van het krachtenveld binnen de Raad dat heeft geleid tot dit deelakkoord? Welke lidstaten hebben zich voor of tegen de belangrijkste onderdelen van het akkoord uitgesproken?
Het Cypriotische voorzitterschap heeft het deelakkoord als geheel voorgelegd ter stemming. Er was zodoende geen mogelijkheid voor lidstaten om zich uit te spreken voor of tegen bepaalde onderdelen van het deelakkoord. Alle lidstaten hebben ingestemd met het deelakkoord en hiermee is dit de positie van de Raad geworden. Dit is het uitgangspunt voor de onderhandelingen met het Europees Parlement en de Europese Commissie.
U bent eerder via de Geannoteerde Agenda en de Raadsverslagen geïnformeerd over de belangrijkste openstaande punten in de aanloop naar het deelakkoord en het bijbehorende krachtenveld. Een belangrijk openstaand punt was in welke mate Horizon Europe dient in te zetten op het verkleinen van verschillen tussen lidstaten. Hierop is voor alle lidstaten een acceptabel compromis bereikt.
Vraag 6 (CDA-fractie)
De leden van de CDA-fractie vinden het positief dat de Raad de samenhang en afstemming tussen Horizon Europe en het European Competitiveness Fund verder heeft verduidelijkt. Wel vragen zij of het voorgestelde overlegmechanisme voldoende is om deze afstemming te waarborgen. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe verhoudt deze aanpak zich tot de inzet van de rapporteur in het Europees Parlement, Christian Ehler?
In het bereikte deelakkoord voor zowel het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) als Horizon Europe is de zelfstandigheid van de beide programma’s geborgd, waarbij ook aandacht is voor een goede aansluiting tussen de programma’s, in bijzonder voor de tweede pijler van Horizon Europe. Er is daarbij bovendien een duidelijkere rol voor lidstaten voorzien in het bepalen van de strategische prioriteiten voor onderzoek en innovatie binnen de beide programma’s, zowel ex-ante als bij het vaststellen van werkprogramma’s.
Dit is in lijn met de inzet van Nederland en deze vormgeving wordt breed gedragen onder de lidstaten. Voor Nederland was het vertrekpunt in de onderhandelingen dat Horizon Europe een eigenstandig programma is. Door de voorgestelde verbinding kunnen de O&I-activiteiten onder Horizon Europe aansluiting vinden bij het ECF-beleid gericht op opschaling en commercialisatie. Zo wordt het gehele ontwikkeltraject zo goed mogelijk ondersteund en zullen resultaten niet onbenut blijven.
De inzet van de rapporteur van het Europees Parlement wijkt hiervan af. De rapporteur stelt een fundamentele herinrichting van de relatie van Horizon Europe Pijler II met het ECF voor. Zo moet Horizon Europe een eigen – door experts gedreven – programmeringsproces krijgen, los van de ECF-comitologie en -programmering. In elk ECF-beleidsvenster moeten volgens de rapporteur acties komen voor uitrol, opschaling, commercialisatie en toepassing van Horizon Europe-resultaten. Dit betreft een conceptrapport van de rapporteur in het Europees Parlement. Het is op dit moment nog onduidelijk of dit ook de definitieve inzet van het Europees Parlement zal zijn.
Vraag 7 (CDA-fractie)
De leden van de CDA-fractie lezen daarnaast dat de Europese Commissie plafonds heeft voorgesteld voor de financiering van partnerschappen, defensie-innovatie en de bouw of modernisering van onderzoeks- en technologie-infrastructuur. Kan de Minister nader specificeren hoe deze plafonds zijn vormgegeven? Gaat het hierbij om percentages, absolute bedragen of een combinatie van beide? Indien hierover nog geen duidelijkheid bestaat, wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van de hoogte en vormgeving van deze plafonds?
De voorgestelde plafonds betreffen een maximumpercentage van het budget van de corresponderende pijlers binnen Horizon Europe. Er is door de Raad nog geen voorstel gedaan voor de hoogte van deze maximumpercentages, omdat de budgettaire aspecten van Horizon Europe 2028–2034 onderdeel zijn van de onderhandelingen over het bredere Meerjarige Financiële Kader. Alleen de toepassing van de plafonds als zodanig maakt onderdeel uit van het deelakkoord op Horizon Europe.
Wat betreft de wenselijke hoogte van de plafonds is voor Nederland de rationale achter het instellen van de plafonds leidend. Dit betekent bijvoorbeeld dat het budgettaire zwaartepunt binnen de European Innovation Council bij niet-defensiegerelateerde activiteiten moet liggen, gezien de uitdagingen rondom concurrentievermogen die verder reiken dan defensie alleen en de onder het ECF voorziene inzet op defensie-gerelateerde startups en scale-ups. Het maximumplafond voor de bouw of modernisering van onderzoeks- en technologie-infrastructuur moet borgen dat deze bijdrage niet naar één of slechts enkele infrastructuren kan gaan. Het kabinet zet verder in op voldoende budgettaire ruimte voor partnerschappen binnen een maximumplafond.
Triloogakkoord e-declaration
Daarnaast maak ik graag van de gelegenheid gebruik om uw Kamercommissie namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat te informeren over het volgende: op 23 juni jl. bereikten het Cypriotische EU-voorzitterschap namens de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Europese Commissie een politiek akkoord over de e-declaration. Nederland heeft dit akkoord op 30 juni jl. in Coreper gesteund.
Op grond van de Europese Handhavingsrichtlijn kunnen lidstaten bedrijven in de EU verplichten om werknemers vooraf te melden indien zij tijdelijk in deze lidstaat komen werken. Elk lidstaat heeft nu zijn eigen meldloket. De huidige 27 verschillende meldsystemen leiden tot behoorlijke administratieve lasten voor bedrijven die werknemers naar andere lidstaten detacheren. Om die reden wordt de meldplicht voor detacheringen door die specifieke groep bedrijven vaak genoemd als één van de meest prangende interne markt belemmeringen.5 Zowel het rapport van Letta over de toekomst van de interne markt, als de door de Europese Commissie aangekondigde interne- marktstrategie benoemen de kansen van de e-declaration om administratieve lasten te verlichten.
Nederland heeft sinds 2020 een meldplicht voor buitenlandse werkgevers en uitzendbureaus. Ook zelfstandigen werkzaam in risicosectoren zijn verplicht zich te melden. De meldplicht is ingesteld om meer zicht te krijgen op welke bedrijven met welke werknemers actief zijn in ons land. Dit geeft inspectiediensten de handvatten om effectiever toe te zien op de naleving van arbeidswetten en het opsporen van misstanden ten aanzien van deze groep arbeidsmigranten. Het Nederlandse meldloket is de afgelopen jaren aangepast om de gebruikservaring te vergroten en de administratieve last te verkleinen, wat ook blijkt uit de meest recente evaluatie.6
Met de e-declaration beoogt de Europese Commissie de meldingsprocedures in lidstaten te harmoniseren door één vrijwillig uniform Europees meldformulier met gestandaardiseerde informatievelden in te voeren. Meldingen worden via het Internal Market Information System (IMI) beschikbaar gesteld aan de bevoegde nationale autoriteiten. Ook de informatie-uitwisseling tussen autoriteiten verloopt via dit systeem.
Het kabinet heeft in het BNC-fiche7 een positieve grondhouding ten aanzien van het voorstel ingenomen. Voor het kabinet was het een randvoorwaarde dat het initiatief voldoende waarborgen zou bevatten voor de bescherming van gedetacheerde werknemers. Het kabinet heeft zich in de onderhandelingen met succes ingezet om een aantal voor Nederland belangrijke informatievelden in het uniforme formulier te krijgen die nodig zijn voor effectieve handhaving en toezicht. Voor een uitbreiding van de reikwijdte van het voorstel naar zelfstandigen bleek binnen de Europese Commissie en onder de lidstaten echter onvoldoende steun te bestaan.
Daarnaast heeft het kabinet aandacht gevraagd voor het behoud van voldoende ruimte voor de nationale controleplicht. Op grond hiervan controleert de Nederlandse dienstontvanger de juistheid van de melding van de buitenlandse dienstverrichter. Het is nog niet duidelijk in hoeverre het akkoord ruimte laat om deze controleplicht te behouden bij eventuele deelname. Door inzet van Nederland wordt dit in ieder geval niet expliciet verboden.
Uit recente evaluaties8 blijkt dat de huidige meldingsplicht in Nederland gepaard gaat met aanzienlijke administratieve lasten. Zo ervaart circa 28 procent van de opdrachtnemers veel of zeer veel administratieve lasten als gevolg van de meldingsplicht. Daarnaast geven buitenlandse dienstverrichters aan dat zij niet (altijd) melden, omdat zij de administratieve lasten als hoog ervaren en verwachten dat binnenlandse dienstontvangers toch niet controleren. De verwachting is dat de e-declaration kan bijdragen aan het aanpakken van dit probleem.
Deelname aan de e-declaration is vrijwillig voor lidstaten. Het staat nog niet vast wanneer de Europese Commissie lidstaten vraagt om een keuze tot deelname te maken. Nederland heeft, net als een ruime meerderheid van de lidstaten, ingestemd met het triloogakkoord, maar het kabinet zal na het verzoek van de Commissie besluiten over deelname. Om een gewogen besluit te nemen zullen diverse aspecten, zoals de voordelen voor ondernemers, administratieve lasten en beter toezicht op werknemersrechten en nadelen worden gewogen. Daarbij is het onder meer nodig om de gevolgen voor de bescherming van werknemers in kaart te brengen. Dit gaat het kabinet doen door onder andere de gevolgen voor de uitvoering en handhaving door bijvoorbeeld de Nederlandse Arbeidsinspectie formeel te toetsen.
Zie hiervoor onder meer de Europese interne-marktstrategie [COM (2025) waarover u bent geïnformeerd bij BNC-fiche (Kamerstukken II 2024–2025, 22 112, nr. 4096).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-30-709.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.