36 800 C Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2026

Nr. 5 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2026

Mede namens de Staatssecretaris van Financiën als medefondsbeheerder, informeer ik u dat het de twaalf provincies gezamenlijk is gelukt onderling tot overeenstemming te komen over een voorstel voor de nieuwe verdeling van het provinciefonds. Het kabinet spreekt er grote dank en waardering voor uit dat de provincies vanuit verantwoordelijkheid en eigen regie dit traject tot een mooi resultaat hebben weten te brengen. In deze brief informeer ik u over het verdere traject.1

Op 3 juli 2025 zijn uw beide Kamers door mijn voorganger, mede namens de toenmalige medefondsbeheerder de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst, geïnformeerd over de stand van zaken van de nieuwe verdeling van het provinciefonds2. Onze voorgangers hebben u toen laten weten dat het bestuur van het Interprovinciaal overleg (IPO) gehoord hebbende het advies van de bestuurlijke adviescommissie (BAC) Financiën en Openbaar bestuur op 3 juli 2025 in haar vergadering unaniem had besloten aan de fondsbeheerders een voorstel te doen voor de verdere stappen. Dit voorstel bevatte een tussenstap per 1 januari 2026 en randvoorwaarden om te komen tot een structureel model voor 2027 en verder. Verder hebben onze voorgangers u toen laten weten het voorstel voor de tussenstap en de randvoorwaarden om te komen tot een structureel model graag over te nemen.

Sinds de zomer 2025 is er ambtelijk door de twaalf provincies samen met het Rijk gewerkt aan deze randvoorwaarden. We waarderen het ten zeerste dat de provincies vervolgens gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben genomen om te komen tot een voorstel voor de verdeling van de middelen van de algemene uitkering van het provinciefonds.

Op 23 juni jl. hebben de twaalf provincies ons hun voorstel voor de verdeling van het provinciefonds doen toekomen, zie bijlage 1. Een voorstel dat, zoals de provincies schrijven, in hun ogen onderbouwd, transparant, navolgbaar, stabiel, uitlegbaar, redelijk en billijk is. De provincies hebben daarbij aangegeven dat wat de provincies betreft de uitkomst voldoet aan de door onze voorgangers opgenomen toetsingscriteria in de brief van 3 juli 2025.

Als fondsbeheerders hebben we het model getoetst aan de randvoorwaarden zoals genoemd in de brief van 3 juli 2025. Verder is door ons getoetst op of het model aansluit bij de leefwereld van de provincies en voldoet aan de uitgangspunten van de Financiële-verhoudingswet 1997 (Fvw), op of het budgettair neutraal is en voor de individuele provincies financieel inpasbaar is en op of het ook daadwerkelijk uitvoerbaar is (bijvoorbeeld geen complexe monitoring). Ten aanzien van de Fvw is artikel 7 leidend: «De verdeling over de provincies en gemeenten van het voor de algemene uitkeringen beschikbare bedrag houdt rekening met de verschillen tussen de provincies onderling en de gemeenten onderling in het vermogen tot het voorzien in eigen inkomsten en met de verschillen in noodzakelijke uitgaven.»

Zoals in de brief van onze voorgangers van 6 maart 2024 aan beide Kamers3 aangegeven gaat het ten aanzien van de Fvw erom dat de verdeling de noodzakelijke kosten van provincies moet volgen (kostenoriëntatie), rekening moet houden met de mogelijkheden die provincies zelf hebben om een deel van die kosten uit eigen inkomsten te dekken (inkomstenverevening), niet te gedetailleerd moet verdelen om te voorkomen dat de verdeling als bestedingsnorm gaat werken (globaliteit) en beloning van goed of slecht gedrag (ongewenste prikkelwerking) moet worden vermeden. Daarnaast moet de verdeling in de tijd voldoende stabiel zijn, zodat budgetten niet te veel schommelen. Maar de verdeling moet wel zo flexibel zijn dat deze meebeweegt met de veranderende kosten die provincies maken.

Als fondsbeheerders hebben we geconcludeerd dat het door de gezamenlijke twaalf provincies voorgestelde model aansluit bij de leefwereld van provincies, voldoet aan de Fvw, budgettair neutraal is en voldoet aan de randvoorwaarden zoals verwoord in de brief van 3 juli 2025.We omarmen dan ook het ontvangen voorstel voor de verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds inclusief de randvoorwaarden van het ingroeipad en van het periodieke onderhoud. Het voorstel zal door ons in de begroting van het provinciefonds 2027 worden verwerkt en de provincies zullen in de septembercirculaire 2026 worden geïnformeerd.

Tot slot, zoals onze voorgangers ook in hun brief van 6 maart 2024 aan uw beide Kamers heeft laten weten, zijn we ons als fondsbeheerders ervan bewust dat het verdeelmodel van het provinciefonds onderdeel is van de financiële toekomst van provincies.

Het is wat de fondsbeheerders betreft van belang dat provincies nu en in de toekomst goed in staat zijn en blijven om de opgaven waar zij voor staan in zijn algemeenheid en in het bijzonder de brede maatschappelijke opgaven uit te voeren en dat er een balans is en blijft tussen taken, ambities, middelen en uitvoeringskracht. De gesprekken die hierover gaan zullen dan ook onverminderd doorgang blijven vinden.

Eenzelfde brief is ook aan de Eerste Kamer gezonden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma


X Noot
1

In het commissiedebat Financiën decentrale overheden van 10 juni jl. is aan de Tweede Kamer de toezegging gedaan om de Tweede Kamer voor de zomer 2026 te informeren over het verdere traject ten aanzien van de herziening van het provinciefonds (TZ202606-131).

X Noot
2

De Eerste Kamer met Kamerstuk 34 568, I en de Twee Kamer met Kamerstuk 36 600 C, nr.6

X Noot
3

Eerste Kamer Kamerstuk 34 568, E en Tweede Kamer Kamerstuk 36 410 C, nr. 5

Naar boven