22 343 Handhaving milieuwetgeving

Nr. 455 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2026

Met deze brief wil ik de Tweede Kamer informeren over de Voortgang van het Impulsprogramma Chemische Stoffen1 en een aantal andere onderwerpen op het terrein van chemische stoffen, waaronder biociden2.

Zoals de titel al aangeeft, geeft dit programma een stevige impuls aan de uitvoering van het bestaande chemische stoffenbeleid. De inzet is om de bestaande uitvoering te versterken, te vereenvoudigen en te versnellen. In dit programma wordt daarom zeer nauw samengewerkt met de vertegenwoordigers de bevoegde gezagen – veelal omgevingsdiensten – en de betrokken brancheorganisaties. Immers deze beide partijen geven in de praktijk invulling aan het chemische stoffenbeleid. Daarbij gaat het minder om vergezichten, het formuleren van nieuw beleid of om nieuwe wetgeving, de focus ligt vooral op het stapsgewijs oplossen van bestaande knelpunten in de uitvoering. Om daarmee gezamenlijk een beter beeld te krijgen «wat er, wanneer van elkaar wordt verwacht». Dit geeft duidelijkheid naar alle partijen in het veld.

De knelpunten worden aangepakt met zogeheten uitvoeringstafels, waar bevoegde gezagen, bedrijven en Rijkoverheid gezamenlijk aan deelnemen. Het doel is handvatten te bieden voor de partijen in de uitvoeringspraktijk.

De belangrijkste tafels zijn:

  • – Uitvoeringtafel ZZS: Handreiking Vermijdings- en reductieplannen (VRP) en branche VRP’s;

  • – Uitvoeringstafels ZZS: wegwijzer omgang met PFAS als ZZS

  • – Uitvoeringstafel Voorzorg: routekaart uitvoering voorzorg chemische stoffen

  • – Uitvoeringstafel voorlichting: rijksbrede portal chemische stoffen en publieksvoorlichting ZZS

Het is een traditie om jaarlijks samen met de partners een stakeholders-bijeenkomst Impulsprogramma Chemische Stoffen te organiseren. Ook dit jaar was er in maart 2026 weer een zeer succesvolle bijeenkomst. Het bijzondere aan deze bijeenkomst is dat dit het laatste jaar is het Impulsprogramma. Zowel in de verschillende bijdragen als bij de paneldiscussie met vertegenwoordigers van IPO, N&M, VNCI en het Ministerie van IenW is de oproep gedaan om aan het programma een vervolg te geven. Met name de nauwe samenwerking in de uitvoeringstafels werd daarbij aangewezen voor vervolg. Ik heb deze oproep goed gehoord. We hebben een stevig aantal impulsen gegeven en ik wil graag doorpakken op de dingen die we in beweging hebben gezet. We houden de vinger aan de pols en zoeken gezamenlijk hoe we nieuwe uitdagingen kunnen oppakken. Ik kom hierop in overleg met de partners bij uw Kamer zeker op terug.

Leeswijzer:

  • I Impulsprogramma Chemische Stoffen. Hier wordt de voortgang van het Impulsprogramma Chemische Stoffen beschreven aan de hand van vier prioriteiten, inclusief de resultaten die zijn behaald en waar aan wordt gewerkt. In bijlage 1a wordt kort de wettelijke en beleidskaders geschetst waarop het chemische stoffenbeleid is gebaseerd.

  • II Biociden. Hier wordt achtereenvolgens de Nederlandse inbreng bij de raadpleging in verband met de evaluatie van de Biocidenverordening behandeld, de monitoring van biociden en een rapport en voorschriften voor het gebruik van rodenticiden.

  • III Andere onderwerpen: Asbestleenfonds en PFAS en maatschappelijk verantwoord inkopen.

I IMPULSPROGRAMMA CHEMISCHE STOFFEN

Het ZZS-emissiebeleid bestaat sinds 2016. In 2022 is de evaluatie van het ZZS-emissiebeleid 2016–2021 uitgebracht3. Een aantal knelpunten in dit beleid die bleken uit deze evaluatie en de uitvoeringspraktijk, waren aanleiding om het Impulsprogramma Chemische Stoffen4 op te zetten. Met het Impulsprogramma wordt gewerkt aan een oplossing van deze knelpunten, waarmee een impuls wordt gegeven aan het beleid voor chemische stoffen. Daarmee draagt het programma bij aan het bevorderen van een gezonde, veilige en schone leefomgeving.

Het programma is tussentijds geëvalueerd door het bureau Arcadis, het rapport hierover, de Tussentijdse evaluatie Impulsprogramma Chemische Stoffen5, is in januari 2026 opgeleverd. De hoofdconclusie luidt dat het Impulsprogramma Chemische Stoffen op schema ligt.

Inmiddels is het Impulsprogramma haar vierde en laatste jaar ingegaan. Dat betekent dat het tijd wordt om de balans op te maken: Welke resultaten zijn bereikt, welke resultaten verwachten we dit jaar nog te bereiken en welke tussenresultaten worden na dit jaar nog verder gebracht.

Zoals ook beschreven in de vorige Voortgangsbrief over dit Impulsprogramma6 is er een keuze gemaakt voor vier prioriteiten:

  • 1. het versnellen, vereenvoudigen en versterken van het ZZS-emissiebeleid,

  • 2. een beter beeld van de opgave en betere voorlichting,

  • 3. het vergroten van de veiligheid aan de voorkant, en

  • 4. het verkennen van de aanpak van cumulatie van stoffen in de leefomgeving.

De resultaten van het Impulsprogramma beschrijf ik aan de hand van deze vier prioriteiten.

1. Versnellen, vereenvoudigen en versterken van het ZZS-emissiebeleid.

De Uitvoeringstafels spelen een belangrijke rol in het verbeteren van de uitvoering aan het ZZS-emissiebeleid en de voorzorg bij overige chemische stoffen. Aan deze tafels wordt samengewerkt met bevoegde gezagen, omgevingsdiensten, brancheverenigingen aan het oplossen voor knelpunten uit de praktijk. Er zijn Uitvoeringstafels voor de onderwerpen: «PFAS als ZZS», de «Vermijdings- en Reductie Programma’s (VRP’s)» en «Voorzorg ten aanzien van chemische stoffen». Hieronder worden de specifieke tafels en de resultaten beschreven:

Wegwijzer – PFAS als Zeer Zorgwekkende Stof

Doel van deze wegwijzer is om handvatten te bieden aan de uitvoeringspraktijk over hoe om te gaan met PFAS, nu deze stoffen sinds november 2024 als groep op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen staan. De Wegwijzer over PFAS als ZZS 7 is gepubliceerd op de website van het Informatie Punt Leefomgeving (IPLO). De wegwijzer wordt indien nodig geactualiseerd.

Verbetering toepassing Vermijdings- en reductieprogramma’s (VRP)

Ieder bedrijf dat onder het ZZS-emissiebeleid valt moet in een VRP aangeven met welke maatregelen het de emissies van ZZS gaat minimaliseren. Er is ruimte voor een bedrijf om in overleg met het bevoegd gezag hier zelf een passende invulling aan te geven door bijvoorbeeld de grootste emissie als eerste aan te pakken. Deze ruimte roept echter ook vragen op over uniformiteit en te maken keuzes, daarom is er behoefte aan meer duidelijkheid. In de Uitvoeringstafel VRP wordt samen met het bedrijfsleven, bevoegde gezagen en andere betrokken partijen gewerkt aan verschillende instrumenten ter bevordering van de uniformiteit.

  • – Handreiking beoordeling VRP’s

    Om meer duidelijkheid te geven over de verwachte inhoud en kwaliteit van een VRP en hoe deze beoordeeld kan worden door het bevoegd gezag, wordt gewerkt aan een handreiking om hier meer uniformiteit en richting aan te geven. De verwachtte oplevering van de handreiking is najaar van 2026 en zal daarna naar behoefte actueel worden gehouden.

  • – Opzetten voorbeeld Vermijdings- en Reductie Programma’s per branche

    Verschillende branches zijn gestart met het opzetten van een voorbeeld VRP voor hun branche om ook hier te zorgen voor meer uniformering. Een branche-VRP dient als voorbeeld voor de bedrijven uit die branche en helpt bij het verlagen van de administratieve lasten bij het opstellen van een VRP. IenW faciliteert de organisatie van de uitvoeringstafel in goede samenwerking met brancheorganisaties VNO-NCW en de VNCI8. Bij onder andere de VVVF9, Cumela10 en de VNCI is de ontwikkeling van een branche-VRP in volle gang.

  • – Evaluatie kosteneffectiviteitstoets lucht

    Bij het opstellen van een VRP moet informatie worden verschaft over het rendement van mogelijke reductietechnieken en de kosten daarvan, om de kosteneffectiviteit te bepalen. Daarbij gelden richtwaarden met een bandbreedte. De uitvoeringspraktijk heeft behoefte aan verbeteringen en meer duidelijkheid rond deze richtwaarden en de bijbehorende bandbreedte. Vanuit het Impulsprogramma zoeken we aansluiting bij een Europese benadering van kosteneffectiviteit die in ontwikkeling is in het kader van de herziene Richtlijn Industriële Emissies. De Europese Commissie bereidt (EC) hiertoe een voorstel voor, dat zij waarschijnlijk eind 2026 zal presenteren.

2. Beter beeld van de opgave en betere voorlichting

Doel is om een beter idee te krijgen van de opgave die er ligt als het gaat om het ZZS-minimalisatiebeleid. Ook gaat het over betere voorlichting over chemische stoffen in het algemeen en ZZS in het bijzonder, aan zowel het algemeen publiek als aan bijvoorbeeld MKB-bedrijven.

Portal chemische stoffen

Uit onderzoek11, 12 blijkt dat een meerderheid van het publiek vindt dat het de taak is van de overheid om hen te informeren over voor- en nadelen van chemische stoffen. Daarom wordt voor het algemeen publiek een portal over chemische stoffen opgezet onder rijksoverheid.nl. Daarnaast wordt, zoals eerder gemeld, met deze Portal ook invulling gegeven aan de motie Grinwis13 over toegankelijke informatie over PFAS. Doel van deze portal is om duidelijke informatie te bieden over chemische stoffen, over het beleid en de eigenschappen van deze stoffen. Ook wordt op de portal uitgelegd wat de overheid doet om mensen en de leefomgeving te beschermen. De planning is dat de portal de komende tijd onder het publiek wordt getest en voor het einde van dit jaar beschikbaar wordt gemaakt.

Duiding bij gegevens uit het ZZS-register

Industriële vergunningplichtige bedrijven die ZZS uitstoten, moeten minimaal eens in de vijf jaar hun gegevens over emissies van ZZS rapporteren in de ZZS-emissiedatabase. De emissiegegevens van industriële bedrijven uit de ZZS-emissiedatabase moeten in overeenstemming met het verdrag van Aarhus actief openbaar worden gemaakt. Dat ga ik doen via het ZZS-register. Om te zorgen dat de gegevens uit het ZZS-register duidelijk en begrijpelijk zijn voor het algemeen publiek is gestart met het maken van een applicatie met extra duiding en uitleg over welke informatie mensen uit deze applicatie kunnen halen.

Beter beeld van de opgave

De ZZS-emissiegegevens uit de ZZS-emissiedatabase zijn een onderdeel van een set van indicatoren die op termijn inzicht moet gaan geven in de trendontwikkeling van ZZS-emissies. De ZZS-emissiegegevens worden in geaggregeerde vorm op termijn actief openbaar gemaakt in het ZZS-emissieregister, waarmee de gegevens die er zijn op een heldere manier worden ontsloten.

Communicatiemiddelen over ZZS

In eerdere rapporten14, 15 werd aanbevolen om zowel voor MKB-bedrijven als voor toezichthouders in te zetten op communicatiemiddelen om kennis over ZZS te vergroten. Dit was aanleiding om de volgende communicatiemiddelen te ontwikkelen:

  • – Flyer voor MKB-bedrijven over ZZS

    In samenspraak met brancheverenigingen is een flyer ontwikkeld voor MKB-bedrijven over wat ZZS zijn en hoe met deze stoffen om te gaan. De brancheverenigingen brengen deze onder de aandacht van hun leden.

  • – Posters voor Omgevingsdiensten over ZZS

    In samenwerking met Omgevingsdiensten zijn posters ontwikkeld om ZZS als thema onder de aandacht te brengen bij een brede doelgroep van inspecteurs van omgevingsdiensten.

3. Vergroten van de veiligheid aan de voorkant

Het vergroten van veiligheid aan de voorkant is gericht op vooruitkijken: voorkomen dat stoffen met schadelijke eigenschappen op de markt komen via het uitvoeren van REACH of voorkomen dat deze worden uitgestoten. Zo willen we herhaling van maatschappelijke problemen zoals bij asbest en PFAS zoveel als mogelijk voorkomen. In dat kader is de inzet van het kabinet op Safe and Sustainable by Design (SSbD) van belang16.

Safe and Sustainable by Design/ Substitutie Centrum

SSbD is een krachtig instrument om de Nederlandse chemische industrie te positioneren in het internationale speelveld. Samen met VNCI, TNO, en RIVM werk ik aan de inrichting van een Safe and Sustainable by Design/Substitutie Centrum. Dit nieuwe centrum richt zich op het stimuleren van veilige en duurzame innovatie in de chemie. Daarnaast zal het de bedrijven op weg helpen om hun eigen prioriteiten en strategie te ontwikkelen om hun portfolio te verduurzamen. Als laagdrempelig aanspreekpunt brengt het bedrijven en deskundigen samen, zodat kennis kan worden gedeeld, ervaringen worden uitgewisseld en inspirerende voorbeelden zichtbaar worden gemaakt. Twee maanden na de opening heeft al een groot aantal bedrijven contact gezocht.

Het SSbD-centrum legt zoveel als mogelijk verbindingen met het op te zetten Europese centrum voor substitutie en innovatie, waarin expliciet ook aandacht wordt geschonken aan SSbD17. Daarnaast zal het centrum betrokken worden bij het «PFAS programma; substitutie en verwijdering», dat als onderdeel van het Wennink-rapport over toekomstige welvaart samen met het bedrijfsleven en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt vormgegeven18 via de taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen.

Routekaart «Voorzorg Beter Toepassen bij vergunningverlening chemische stoffen met een wetenschappelijk onzeker risico»

De Routekaart «Voorzorg Beter Toepassen bij vergunningverlening chemische stoffen met een wetenschappelijk onzeker risico» wordt samen met de betrokken partners van de uitvoeringstafel voorzorg verder uitgewerkt via praktijkcasussen binnen vergunningverlening, toezicht en handhaving. De casustoepassing en evaluatie vinden plaats tot na de zomer. Vervolgens wordt richting het einde van het jaar afspraken gemaakt over borging in werkwijzen en uitvoeringskaders, en over de verdere implementatie. In deze Routekaart Voorzorg chemische stoffen wordt de Signaleringslijst van stoffen in Europees onderzoek geïntegreerd die hieronder staat beschreven.

Signaleringslijst van stoffen in Europees onderzoek

Om een duidelijker signaalinstrument te introduceren richting de «ZZS-status» dan de pZZS-lijst, de lijst van potentiële ZZS, is het RIVM is door mij gevraagd om de «pZZS-lijst» te herzien naar signaleringslijst van stoffen in Europees onderzoek. Verschil met de pZZS-lijst is onder andere dat op de Signaleringslijst van stoffen in Europees onderzoek, stoffen met mogelijke «ZZS-eigenschappen» worden onderverdeeld in stoffen met vroegsignalering en serieuze signalering. De herziening van deze lijst zal medio 2026 gereed zijn en worden ontsloten op de website «Risico's van stoffen» van het RIVM. Deze lijst komt in plaats van de «pZZS-lijst» en stelt bevoegd gezag in staat om gerichter te prioriteren en signalen over stoffen consistenter te duiden.

4. Het verkennen van de aanpak van cumulatie van stoffen in de leefomgeving.

Uw Kamer heeft per motie Grinwis19 gevraagd te onderzoeken of en hoe cumulatie bij de emissie van ZZS kan worden meegewogen in de risico-inventarisatie bij vergunningverlening.

De emissies van stoffen met schadelijke eigenschappen worden veelal beoordeeld per bron en per geëmitteerde stof. Dit wordt getoetst aan de toegestane grenswaarde voor de betreffende stof. Dit is echter een vereenvoudiging van de werkelijkheid, want in het leefmilieu komen verschillende stoffen vanuit verschillende bronnen bij elkaar en dan bestaat het risico dat ze cumulatief, dus sámen, kunnen leiden tot verhoogde risico’s voor de gezondheid van de mens of het milieu. Momenteel worden al wel instrumenten ingezet in het geval van lucht en water om rekening te houden met cumulatie. Voor lucht geldt dat via regelgeving rekening wordt gehouden met emissiegrenswaarden per «stofklasse»: hoe meer stoffen binnen een dergelijke groep worden uitgestoten uit een schoorsteen, hoe lager de maximale uitstoot per stof mag zijn. Voor water worden de significantiefactor voor lozingen op water toegepast (waarbij één bron slechts een deel van een grenswaarde mag opvullen, als onderdeel van de immissietoets) en de allocatiefactor waarmee een beperking wordt gesteld aan de bijdrage van de blootstelling aan een stof via verschillende blootstellingsroutes (o.a. vis en drinkwater).

Naar aanleiding van de Motie Grinwis heb ik het RIVM gevraagd onderzoek uit te voeren naar cumulatie van chemische stoffen in het kader van het Impulsprogramma Chemische stoffen. Dit heeft geleid tot verschillende deelrapportages die bij elkaar zijn gebracht in het eindrapport over risico’s van combinaties van stoffen (zie Bijlage 2)20. In dit rapport zijn de belangrijkste mogelijkheden op een rij gezet zijn om via beleid de ongewenste effecten van cumulatie van chemische stoffen te verkleinen. Met het verschijnen van dit eindrapport beschouw ik de Motie Grinwis als afgedaan.

Het RIVM onderscheidt in het rapport twee soorten van methoden die door het beleid kunnen worden gebruikt om rekening te houden met cumulatie. Er zijn methoden die aan de voorkant rekening houden met schadelijke effecten van mengsels van stoffen door de uitstoot van stoffen strenger te beoordelen. En er zijn methoden die berekenen hoe groot de kans is op schadelijke effecten na blootstelling aan een mengsel van stoffen via water of lucht.

Eén van de methoden die de kans op schadelijke effecten van een mengsel berekent, is de Hazard Index (HI) methode. RIVM concludeert onder andere dat deze HI methode bij voldoende gegevens technisch inzetbaar zou zijn bij vergunningverlening. In de praktijk blijkt echter dat deze benodigde informatie vaak niet beschikbaar is.

Ook in de EU staat dit onderwerp al langere tijd op de agenda. De Europese Commissie heeft eerder vastgesteld dat de normstelling per stof niet in alle gevallen voldoende beschermend is21. Hierop zijn vervolgacties geformuleerd ten aanzien van onder meer mengselbeoordelingsfactoren en rekening houden met gecombineerde effecten in relevante regelgeving22. Deze vervolgacties zijn tot op heden niet uitgevoerd, terwijl dat voor de hele EU relevant is. Om die reden is het mijn intentie om, mede aan de hand van het RIVM rapport, in te zetten op een programmatische aanpak in de EU en om daar tijdens het Nederlands voorzitterschap in 2029 afspraken over te maken. Ik zal na de zomer een nadere concretisering van mijn aanpak met uw Kamer delen.

Op nationaal niveau wil ik de mogelijkheden voor verankering van de cumulatieproblematiek in onder meer omgevingsplannen en -visies beter in beeld krijgen. Hierover ben ik met IPO en Omgevingsdienst NL in gesprek.

II BIOCIDEN

Het Strategisch kader biociden (SKB)23, 24 vormt de basis voor de uitvoering van het biocidenbeleid voor de komende jaren. Deze strategie richt zich op het voorkomen en beheersen van ongewenste organismen, met minimale milieulast door biocidengebruik. De uitvoering hiervan gebeurt stapsgewijs en de prioriteit lig nu eerst bij de Nederlandse inbreng in de evaluatie van de biocidenverordening, het verkennen van de mogelijkheid voor een biociden-afzetregister en de verduurzaming van biociden. De hieronder beschreven punten sluiten aan op de prioriteiten in het Strategisch Kader Biociden.

Nederlandse inbreng bij de openbare raadpleging over de evaluatie van de Biocidenverordening

De Europese Commissie startte op 11 december 2025 een openbare raadpleging over de werking van de Biocidenverordening (BPR). Nederland heeft een reactie ingediend, mede opgesteld door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), RIVM, Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De reactie bestaat uit een «open inbreng»25 en antwoorden op een vragenlijst26 van de Europese Commissie. Nederland heeft in haar inbreng onder andere de volgende knelpunten benadrukt: vertragingen in stofbeoordelingen, gebrek aan innovatie door hoge kosten, onvoldoende aandacht voor geïntegreerde bestrijding, beperkt inzicht in verkoop en gebruik, en frictie met andere EU-wetgeving. Als verbeterpunten hiervoor worden voorgesteld: betere afstemming met andere regelgeving, stimulering van innovatie via veilige en duurzame ontwerpen, meer focus op preventie en versterkte handhaving door digitale monitoring.

De openbare raadpleging markeert het begin van de evaluatie van de BPR. Na afronding volgt een onderzoek naar de effectiviteit van de wetgeving, met verwachte resultaten aan het eind van 2027. Het rapport zal door de Europese Commissie openbaargemaakt worden. Na dit onderzoek wordt door de Europese Commissie in overleg met de lidstaten besloten of aanpassing van de BPR nodig is. Nederland staat achter een grondige herziening om regeldruk te verminderen en innovatie te bevorderen. Daarbij zal Nederland pleiten voor maatregelen om beschermdoelen voor mens, dier en milieu te bevorderen.

Rapport «BPR improvement options»

Met deze brief bied ik u het rapport BPR improvement options (zie bijlage 4) aan dat in mijn opdracht is opgesteld als voorbereiding op de herziening van de Europese Biocidal Products Regulation (BPR). Het rapport bevat een weerslag van gesprekken met stakeholders, van wetenschappers tot producenten. Het beeld dat dit oplevert is dat de complexe en kostbare toelatingsprocedures innovatie belemmeren en leidt tot onzekerheid voor marktpartijen. Het rapport benadrukt het belang van stimulering van innovatie, onder andere via lagere toetredingsdrempels en prioritering van nieuwe, minder schadelijke stoffen. Ook worden maatregelen voorgesteld om handhaving te verbeteren, zoals betere dataverzameling en Europese samenwerking. Het rapport geeft vooral een overzicht van opinies die zijn bedoeld als denkrichting en vormen geen samenhangend beleidsvoorstel. De inhoud van het rapport is meegenomen in het opstellen van de Nederlandse inbreng bij de openbare raadpleging over de evaluatie van de Biocidenverordening.

Monitoring milieubelasting biociden

Om meer inzicht te krijgen in de belasting van mens, dier en milieu door het gebruik van biociden, is de eerste stap om inzicht te krijgen in de afzetgegevens van biociden. Deze gegevens kunnen, zoals eerder ook aan Uw Kamer gemeld27, bijdragen aan meer zicht op de effectiviteit van het beleid en hiermee kunnen beleidsinspanningen beter worden geprioriteerd en zo nodig worden bijgestuurd.

Op dit moment zijn weinig gegevens beschikbaar over de afzet en het gebruik van hoeveelheden biociden in Nederland. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft daarom op mijn verzoek een pilot-onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor het opzetten van een afzetregister biociden. Het rapport28 biedt inzicht in de vele aspecten die relevant zijn voor het opstarten en onderhouden van zo’n register. Bijvoorbeeld het statistisch proces, keuzes rond op te vragen informatie, belangrijke eigenschappen voor een registerhouder en aandachtspunten voor publicatie. Aan de hand van deze resultaten en in overleg met de verschillende stakeholders besluit ik de komende tijd of, en hoe ik een definitief register wil vormgeven. Ik zal u informeren over de voortgang van deze besluitvorming.

Rapport doorvergiftiging rodenticiden en Voorschriften gebruik rodenticiden (middelen tegen ratten en muizen)

Op mijn verzoek is studie verricht naar doorvergiftiging van niet-doelsoorten met rodenticiden29 (zie Bijlage 5). Rodenticiden worden ingezet tegen ratten en huismuizen, maar brengen ook risico’s met zich mee, waaronder vergiftiging van andere niet-doelsoorten. In het onderzoek blijkt dat blootstelling aan rodenticiden wijdverspreid is in wildlevende dieren als steenmarters, egels en roofvogels. Er is in 2024/2025 geen blijvende daling van de geanalyseerde (resten van) rodenticiden aantoonbaar ten opzichte van eerdere jaren.

Aangezien het giftige middelen zijn, mogen anticoagulante rodenticiden alleen worden gebruikt door professionele knaagdierbeheersers die werken volgens het principe van Integraal Plaag Management, IPM. Deze beheermethode richt zich primair op maatregelen ter voorkoming van overlast, door te zorgen dat er geen voedsel en geen schuilplaatsen zijn bijvoorbeeld, en door niet-chemische beheersing, bijvoorbeeld via klapvallen. Daarmee wordt een beroep gedaan op de deskundigheid en professionaliteit van de knaagdierbeheerser. Pas als deze stappen niet tot resultaat leiden dan kunnen chemische middelen worden ingezet door gecertificeerde plaagdierbeheerser. Redenen om IPM toe te passen zijn het voorkomen van het risico op doorvergiftiging, het voorkomen van resistentievorming en het vermijden van symptoombestrijding met alleen gif.

De conclusies van de studie tonen aan dat bij het beheersen van ratten en muizen nog onvoldoende wordt uitgegaan van het principe van IPM en dat het nodig blijft om hier verder op in te zetten. Daarom treden – volgens planning – dit najaar voorschriften in werking, gericht op het zorgvuldig gebruik van deze groep zeer risicovolle biociden. Deze voorschriften gaan uit van het principe van IPM.

III OVERIGE ODNERWERPEN

Asbestleenfonds

De uitvoering van de motie (Kamerstuk 28 325, nr. 286) over het stimuleren van actief asbestsaneringsbeleid door gemeenten en het vergroten van de bekendheid van instrumenten maakt onderdeel uit van het bestaande beleid. Dit vindt plaats via de lopende communicatiestrategie asbestdaken, onder meer via voorlichting aan gemeenten en via publieksinformatiekanalen zoals Milieu Centraal.

De financieringsstructuur van het asbestleningenfonds wordt verder vereenvoudigd door de 25% risicodekking voor maatwerkleningen te vervangen door de uniform vastgestelde 50/50 cofinancieringsstructuur30. De implementatie vindt zo spoedig mogelijk plaats. De evaluatie van het fonds wordt hierdoor verschoven naar 2027, waarna wordt bezien of voortzetting doelmatig is.

PFAS

PFAS en maatschappelijk verantwoord inkopen

Onder verantwoordelijkheid van mijn collega, de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, wordt het beleid om als rijksoverheid maatschappelijk verantwoord in te kopen, geactualiseerd. Onderdeel hiervan is het beperken van de inkoop van PFAS-houdende producten. Hierbij wordt onder meer gebruikgemaakt van een door het RIVM uitgevoerde inventarisatie naar de belangrijkste risico’s van PFAS-toepassingen binnen de rijksinkoop. Uw Kamer wordt in het derde kwartaal van 2026 nader geïnformeerd over het geactualiseerde MVOI-beleidsplan voor de rijksoverheid door de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid. Met deze inzet en de genoemde inventarisatie van het RIVM, is uitvoering gegeven aan de motie van het lid Bouchallikh31, waarin de regering wordt verzocht in kaart te brengen waar de inkoop van PFAS-houdende producten bij de rijksoverheid zo ver mogelijk kan worden ingeperkt.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram

BIJLAGE 1a BELEIDSKADER CHEMISCHE STOFFEN

Beleid Chemische Stoffen

Chemische stoffen zijn overal. Dit kunnen natuurlijke stoffen zijn, zoals water of zuurstof, en door mensen gemaakte stoffen, zoals plastics, brandvertragers of bestrijdingsmiddelen. Deze stoffen maken in veel gevallen het leven een stuk makkelijker. Voorbeelden van producten waarin deze stoffen worden toegepast, zijn kleding, medicijnen, telefoons en schoonmaakmiddelen. Een deel van deze stoffen heeft schadelijke eigenschappen. In Europa hebben we zorgvuldige procedures voor het op de markt brengen van stoffen. Stoffen worden vooraf onderzocht op schadelijke eigenschappen en er wordt uitgezocht wat passende maatregelen zijn om deze veilig te gebruiken. Soms komen risico’s van chemische stoffen pas later aan het licht. Bijvoorbeeld omdat steeds betere analysemethoden worden ontwikkeld, door kennisontwikkeling en nieuwe wetenschappelijke inzichten en/of dat chemische stoffen met schadelijke eigenschappen slecht afbreekbaar blijken te zijn en zich ophopen in het milieu.

Doel van het beleid is ervoor te zorgen dat chemische stoffen hooguit een verwaarloosbaar risico vormen voor mens en milieu. Uiterlijk in 2050 moet dit leiden tot een gifvrije omgeving, in lijn met het doel van de Europese Unie32. Mijn ambitie is het behalen van een verwaarloosbaar risiconiveau via enerzijds het reguleren via toelating van stoffen tot de markt en daarnaast ook via regels gericht op het minimaliseren van emissies van chemische stoffen.

Het op de markt brengen van stoffen is geregeld via de Europese Verordening REACH. Daarnaast is er regelgeving gericht op specifieke groepen van stoffen. Zo is de toelating van bestrijdingsmiddelen geregeld via Europese regelgeving als de Biocidenverordening (BPR)33 en de Gewasbeschermingsmiddelenverordening (PPPR)34.

Het aanpakken van emissies van stoffen is in Nederland onder andere gereguleerd via vergunningverlening, met de daarbij behorende immissietoets. Specifiek de «Zeer Zorgwekkende Stoffen» (ZZS), stoffen met zeer schadelijke eigenschappen, zijn gereguleerd via het minimalisatiebeleid van emissies (uitstoot en lozingen) naar lucht en water.

Doel van de minimalisatieplicht is om de emissies van ZZS zo ver mogelijk terug te brengen. Het is een voortdurende inspanningsplicht om uiteindelijk op verwaarloosbaar risico uit te komen. Als vermijden niet kan, bijvoorbeeld omdat de ZZS essentieel is in het productieproces of het product zelf, dan is er de verplichting tot reductie van de emissies. Vergunningplichtige industriële bedrijven stellen in verband met de minimalisatieplicht een Vermijdings- en Reductieprogramma (VRP) op.

ZZS zijn stoffen met de in artikel 57 van de REACH verordening35 genoemde schadelijke eigenschappen zoals dat stoffen kankerverwekkend zijn of het hormoonsysteem ontregelen. De indeling van stoffen in gevarenklassen gebeurt in de EU op basis van de Verordening over indeling, etikettering en verpakking van chemische stoffen (de CLP-verordening)36. De CLP-verordening is in 2023 verder verduidelijkt. Stoffen die zowel persistent, mobiel als toxisch zijn (PMT) en stoffen die zeer persistent en zeer mobiel zijn (zPzM) vallen ook onder het in artikel 57 sub f van de REACH verordening genoemde criterium «stoffen van gelijkwaardige zorg».


X Noot
1

De vorige Voortgangsbrief over het Impulsprogramma Chemische Stoffen is van 23 september 2025: Kamerstuk 22 343, nr. 432.

X Noot
2

Biociden zijn bestrijdingsmiddelen tegen ongewenste organismen als ongedierte, bacteriën en schimmels. Middelen tegen ratten en muizen (rodenticiden) vallen ook onder de biociden.

X Noot
4

Kamerstuk 22 343, nr. 350, d.d. 16 december 2025

X Noot
6

De vorige Voortgangsbrief over het Impulsprogramma Chemische Stoffen is van 23 september 2025: Kamerstuk 22 343, nr. 432.

X Noot
8

VNCI: Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie

X Noot
9

VVVF: Vereniging van Verf- en Drukinktfabrikanten

X Noot
10

Cumela: belangenbehartiger voor ondernemers in grondverzet, groenvoorziening en infra

X Noot
13

Kamerstuk 28 089, nr. 284

X Noot
14

VNCI: Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie

X Noot
15

Rapport «Naar meer zicht op gebruik en emissies van zeer zorgwekkende stoffen bij MKB-bedrijven», juni 2024.

X Noot
16

Zie ook de Commission Recommendation (EU) 2026/510 of 6 March 2026 on revising the European assessment framework for safe and sustainable by design chemicals and materials

X Noot
17

European Commission (2025). European Chemicals Industry Action Plan. COM(2025) 530 final

X Noot
18

Commissiedebat Leefomgeving 2 april 2026, Toezegging TZ202604-077

X Noot
20

RIVM-briefrapport «Risico’s van combinaties van stoffen: overzicht van beoordelingsmethoden», 2026-0046, april 2026

X Noot
21

COM(2012) 252 final, 31-5-2012

X Noot
22

COM(2020) 667 final 16-10-2020

X Noot
24

Kamerstuk 27 858/28 286 nr. 638

X Noot
26

Bijlage 3: 20260304 Dutch contribution survey Public consultation BPR evaluation

X Noot
27

Kamerstuk 22 343, nr. 408, 21 januari 2025

X Noot
29

Rapport «Vergiftiging van niet-doelsoorten met anticoagulante rodenticiden», CLM,

Wageningen UR en DWHC-UU, maart 2026

X Noot
30

Kamerstuk 25 834, nr. 198, mei 2025

X Noot
31

Kamerstuk 28 089, nr. 201, februari 2022

X Noot
33

Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden.

X Noot
34

(EG) 1107/2009

X Noot
35

(EG) 1907/2006

X Noot
36

(EG) 1272/2008

Naar boven