26 150 Algemene Vergadering der Verenigde Naties

Nr. 246 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID EN VAN WERK EN PARTICIPATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2026

Nederland is partij bij het Verdrag inzake sociale, economische en culturele rechten (IVESCR). Dit VN-verdrag beslaat belangrijke rechten en overheidstaken waar Nederlanders dagelijks op moeten kunnen rekenen: van arbeidszaken en sociale voorzieningen, tot onderwijs, volksgezondheid en volkshuisvesting. Op basis van het verdrag hebben landen die partij zijn de verplichting periodiek te rapporteren.

In 2022 heeft Nederland de 7e rapportage over de implementatie van de bepalingen van het IVESCR aan het betreffende verdragscomité gestuurd. Het kabinet hecht veel waarde aan het verdragsrapportageproces onder IVESCR als een moment voor reflectie, evaluatie en dialoog over haar beleid, vanuit een mensenrechtenperspectief. Het is een belangrijke aansporing om het beleid op deze vlakken te blijven ontwikkelen, en de realisatie van economische, sociale en culturele rechten voor alle Nederlanders te verbeteren.

Op 16 en 17 september 2025 heeft een delegatie van ambtenaren van betrokken departementen van Nederland en Aruba een dialoog gevoerd met het verdragscomité over deze rapportage. Curaçao en Sint Maarten waren niet vertegenwoordigd. Onderwerpen die onder andere zijn besproken zijn de vereenvoudiging van sociale zekerheid, problematiek rond arbeidsmigranten, bestaanszekerheid en armoedebeleid, de sociale rechtvaardigheid van het fiscale en klimaatbeleid, ontwikkelingssamenwerking, bestrijding van corruptie en discriminatie, jeugdzorg en -bescherming, huisvesting voor daklozen en ander kwetsbare groepen en toegang tot gezondheidszorg.

Het verdragscomité heeft, zoals gebruikelijk in dit proces, op basis van de rapportage en de dialoog zogenoemde «concluding observations» opgesteld, met aanbevelingen ter implementatie van verschillende verdragsbepalingen. Bijlage 1 bevat een overzicht van de concrete aanbevelingen aan het land Nederland, voorzien van een reactie en waar mogelijk de stand van zaken van de opvolging. Daarnaast is de oorspronkelijke lijst van «concluding observations» van het verdragscomité aan het Koninkrijk der Nederlanden bijgevoegd (bijlage 2).

De aanbevelingen van het verdragscomité beslaan vrijwel ieder beleidsterrein van de Rijksoverheid. Ze gaan onder andere over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen, fiscaal beleid, leenvoorwaarden van internationale financiële instellingen, klimaatbeleid, discriminatie, betaalbaarheid van volkshuisvesting, toereikendheid minimumloon en socialezekerheidsregelingen, armoedebeleid, verschillen tussen Europees en Caribisch Nederland, vakbondsrechten, flexibel- en platformwerk, arbeidsmigratieproblematiek, wachttijden en regionale ongelijkheden in de (geestelijke) gezondheidszorg, en inclusief onderwijs.

Het verdragscomité verwijst in positieve zin naar de stijging van het minimumloon in 2022, het Nationaal Programma Armoede en Schulden, de uitbreiding van ouderschapsverlof en verhoging van kinderopvangtoeslag. Als verbeterpunt geeft het comité o.a. aan graag meer informatie te hebben gehad over de implementatie van het verdrag in Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Daarom is het perspectief van Caribisch Nederland breed verwerkt in de reactie op deze aanbevelingen, ook wanneer niet specifiek genoemd in de aanbeveling van het comité.

Consultatie met maatschappelijke organisaties

Tijdens het verdragsrapportageproces is op verschillende momenten een consultatie gevoerd met maatschappelijke organisaties. Dit is in lijn met de kabinetsreactie op het rapport van het College voor de Rechten van de Mens in 2022 over verdragsrapportages waar dit als vast onderdeel van het proces is vastgelegd.1 Begin 2026 is vervolgens na ontvangst van de aanbevelingen ook nog een schriftelijke en fysieke consultatie gevoerd met maatschappelijke organisaties. Hierbij hebben deze organisaties de aanbevelingen verder geduid en context gegeven, en aanbevelingen gegeven voor opvolging.

Caribische landen van het Koninkrijk

Het comité doet ook een aantal aanbevelingen over de implementatie van economische, sociale en culturele (ESC) rechten in de Caribische landen van het Koninkrijk. Gezien de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk is het aan de verschillende zelfstandige landen binnen het Koninkrijk zelf een antwoord te formuleren op de aanbevelingen die hun grondgebied betreffen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

Naar boven