Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 34509 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 34509 nr. 3 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2026
Hierbij bied ik u, mede namens de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, de kabinetsreactie aan op het eindrapport «Wetsevaluatie Adviesrecht van gemeenten bij schuldenbewinden», uitgevoerd door Bureau Bartels. In deze brief zal het kabinet allereerst ingaan op de belangrijkste bevindingen uit het evaluatierapport. Vervolgens worden de beleidsmatige opties die het rapport aandraagt geschetst, om tot slot de reactie van het kabinet en de daaruit volgende beleidslijn uiteen te zetten. De kabinetsreactie en het onderzoek worden gelijktijdig aangeboden aan de Eerste Kamer.
Sinds 2014 is «het hebben van problematische schulden» een formele grondslag voor beschermingsbewind geworden. Het instellen van deze zogenaamde schuldenbewinden verloopt via de kantonrechter, waardoor dit in het verleden veelal buiten het zicht van gemeenten bleef. Dit werd door het kabinet en de betrokken partners als problematisch ervaren, aangezien gemeenten op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) verantwoordelijk zijn voor de integrale schuldhulpverlening en hierin een regierol dienen te vervullen. Bovendien dragen gemeenten vaak de kosten van deze bewinden, omdat mensen die de kosten voor het bewind niet zelf kunnen dragen hiervoor een beroep kunnen doen op de bijzondere bijstand.
Om de regierol van gemeenten te versterken, is op 1 januari 2021 het adviesrecht geïntroduceerd. Dit geeft gemeenten via een «opt-in» de mogelijkheid om, nadat de rechter een schuldenbewind heeft uitgesproken, een advies uit te brengen over de meest passende ondersteuning voor iemand. Gelijktijdig werd wettelijk geregeld dat schuldenbewind enkel nog voor bepaalde tijd uitgesproken kan worden.
Bij de invoering van het adviesrecht voor gemeenten is wettelijk vastgelegd dat de wetswijziging binnen vijf jaar geëvalueerd dient te worden. Daarbij is aan uw Kamer toegezegd bij de evaluatie te kijken naar het moment van advies.1
Het kabinet hecht grote waarde aan een goed functionerend systeem waarin mensen met problematische schulden de meest passende en minst ingrijpende hulp krijgen. Bij deze evaluatie is dan ook van belang om te toetsen of het adviesrecht hier effectief aan bijdraagt. Wij danken de onderzoekers van Bureau Bartels voor hun grondige werk, evenals alle betrokken partners die aan dit onderzoek hebben meegewerkt.
Onderzoeksresultaten
Het rapport structureert de bevindingen helder langs de effectiviteitsketen van output, outcome en impact. De centrale en kritische bevinding is dat de beoogde doelen van de wet grotendeels niet zijn behaald. Hoewel de bekendheid van het adviesrecht onder gemeenten met 93% zeer groot is, maakt de meerderheid er in de praktijk beperkt gebruik van. Circa een kwart van de gemeenten heeft een opt-in (gehad). Met een opt-in geven gemeenten aan dat zij in algemene zin gebruik willen maken van het adviesrecht; pas daarna worden zij in concrete zaken geïnformeerd en kunnen ze het adviesrecht toepassen. Op het moment van de evaluatie paste 11% van de gemeenten het instrument actief toe in concrete zaken.
De meest genoemde reden voor deze terughoudendheid is dat gemeenten het ongepast vinden om advies te geven nadat de rechter al uitspraak heeft gedaan. Er bestaat een nadrukkelijke wens om geen onrust te veroorzaken bij kwetsbare inwoners door te adviseren op een recent rechterlijk besluit dat dan al is genomen. Als gevolg hiervan is het daadwerkelijke effect van het formele adviesrecht op de inzet van lichtere maatregelen bescheiden gebleven. Vanaf de introductie van het adviesrecht tot het onderzoeksrapport zijn slechts negen negatieve adviezen uitgebracht, waarbij in drie zaken de betrokkene duurzaam kon uitstromen naar een lichtere ondersteuningsvorm. Hierdoor heeft het adviesrecht ook geen effect gehad op de kosten van bijzondere bijstand voor schuldenbewinden die vaak door de gemeenten worden gedragen.
Gemeenten geven aan dat zij positief adviseren of de advisering achterwege laten omdat zij het moment van advisering als mosterd na de maaltijd ervaren. In het onderzoek is specifiek gekeken naar het adviesmoment. Bij de totstandkoming van het adviesrecht zijn argumenten aangedragen om het moment van advisering ná de uitspraak van de rechter te plaatsen. Deze argumentatie staat volgens de onderzoekers nog steeds. Het verplaatsen van het adviesmoment naar voren (voor de uitspraak van de rechter) zal volgens de onderzoekers naar verwachting niet in het belang zijn van de inwoner. Er wordt een drempel opgeworpen door verplicht eerst langs de gemeente te gaan, waar niet iedere inwoner voor open staat. Daarnaast zal het naar voren halen van het adviesmoment vertraging opleveren in het proces om snel tot hulp te komen. Gemeenten zullen over het algemeen eerst nog informatie moeten verzamelen alvorens een gedegen advies uit te kunnen brengen. Een boedelbeschrijving en plan van aanpak, die wordt opgesteld door een bewindvoerder, is dan immers nog niet voorhanden. Niet alle gemeenten hebben de capaciteit om binnen een kort tijdsbestek tot een gedegen advies te komen.
Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat gemeenten met een opt-in niet altijd op de hoogte zijn van een uitgesproken schuldenbewind («ondermelding»). Bewindvoerders dienen de melding door te geven aan de gemeente, maar door onbekende redenen gebeurt dit niet goed in alle gevallen.
Er ligt geen wettelijke taak voor een partij om hier structurele controle op uit te oefenen.
Ten slotte is door de onderzoekers geconstateerd dat de maatregel, in tegenstelling tot de oorspronkelijke verwachtingen, heeft geleid tot verhoogde financiële en administratieve lasten voor zowel gemeenten als bewindvoerders.
Het rapport belicht echter ook verschillende positieve effecten die in de praktijk zijn ontstaan. Zo geven gemeenten aan dat de verplichte meldingen door de beschermingsbewindvoerders een waardevol inzicht bieden in inwoners die onder bewind zijn gesteld, wat de lokale regierol versterkt. Daarnaast blijkt dat veel gemeenten inmiddels succesvol inzetten op alternatieve vormen van samenwerking met bewindvoerders, met name via convenanten waarbij het contact tussen de gemeente en bewindvoerder al voorafgaand aan het bewind plaatsvindt. Een voorwaarde hierbij is dat dan wel lichtere alternatieven voor hulp door de gemeente kan worden geboden.
De onderzoekers hebben ook gekeken naar het effect van de wetswijziging waarbij het schuldenbewind enkel nog voor bepaalde tijd wordt uitgesproken. Hiermee werd beoogd te bevorderen dat onderbewindgestelden niet langer dan noodzakelijk onder schuldenbewind staan en tijdig kunnen doorstromen naar schuldhulpverlening. In de regel spreekt de rechter het schuldenbewind voor vijf jaar uit. Dit betekent dat de eerste schuldenbewinden voor bepaalde tijd momenteel aflopen. Algemene monitoringsgegevens over de looptijd van schuldenbewinden ontbreken echter. Daarom is er geen cijfermatig inzicht of de wetswijziging heeft geleid tot de beoogde eerdere doorstroom naar schuldhulpverlening en uitstroom uit schuldenbewind.
Kabinetsreactie
Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van het rapport. Hieruit maken wij op dat het adviesrecht in zijn huidige vorm in de praktijk niet het effect heeft dat bij aanvang werd verwacht.
De evaluatie laat echter ook een aantal positieve elementen van het adviesrecht zien. Het gaat daarbij om de mogelijkheid voor gegevensdeling en de meldingsplicht, waardoor de regierol van gemeenten wordt versterkt. Het kabinet wil deze mogelijkheden voor gemeenten en bewindvoerders behouden en is voornemens op dit moment de wet in zijn huidige vorm voort te zetten. Ook wordt geen aanleiding gezien om het moment van advisering te verplaatsen, omdat de onderzoekers concluderen dat dit naar verwachting niet in het belang van de inwoner is.
De evaluatie biedt aanknopingspunten om de positieve elementen van het adviesrecht beter te borgen en te onderzoeken hoe deze samen kunnen lopen met de alternatieve vormen die in de praktijk zijn ontstaan, zoals convenanten. De komende periode zal het kabinet hierover in gesprek gaan met de uitvoeringspraktijk, zoals de VNG, gemeenten, Aegis, NVVK en beschermingsbewindvoerders. De inzet richt zich hierbij op de volgende drie lijnen.
Ten eerste zal het gesprek worden gevoerd over betere borging van de alternatieven voor het adviesrecht, zoals convenanten.
Hierbij kijkt het kabinet op welke wijze gemeenten actief gestimuleerd en ondersteund kunnen worden bij het sluiten van lokale of regionale samenwerkingsafspraken met bewindvoerders. Gemeenten en bewindvoerders kunnen daarbij afspraken maken over advisering en betrokkenheid aan de «voorkant», wat een rol kan spelen in het terugdringen van ondermelding, en afspraken over de looptijd en uitstroom van het bewind. Daarbij zullen we gebruik maken van de goede voorbeelden en ervaringen die er bij gemeenten en beschermingsbewindvoerders in de uitvoering reeds zijn. Ten tweede onderzoekt het kabinet of de benodigde informatie-uitwisseling verder kan worden geautomatiseerd, om zo de administratieve lastendruk voor alle betrokken partijen te verlagen. Ten derde vindt het kabinet het van belang dat gemeenten voldoende op de hoogte zijn van de voordelen van een opt-in, zoals de mogelijkheid van gegevensdeling en de informatiefunctie dat een inwoner onder bewind is gesteld. Het rapport biedt daarvoor een waardevolle onderbouwing. Daarom zullen we gezamenlijk bekijken hoe hieraan praktisch invulling kan worden gegeven. De gesprekken laten ook, buiten de drie genoemde lijnen, ruimte aan de praktijk om oplossingen aan te dragen voor het versterken van de regierol van de gemeente naar aanleiding van de onderzoeksresultaten.
Ten aanzien van het ontbreken van algemene monitoringsgegevens over de uitstroom van schuldenbewinden ga ik samen met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in gesprek met de Rechtspraak om te bezien of deze monitoringsgegevens alsnog gerealiseerd kunnen worden. Een schuldenbewind kan alleen (voortijdig) door de rechter worden beëindigd, waardoor de Rechtspraak naar verwachting het beste zicht heeft op de uitstroom.
Tot slot: de wet heeft niet in de volle breedte gebracht wat ervan werd gehoopt, maar biedt naar het oordeel van het kabinet een fundament voor gemeentelijke regie bij integrale schuldhulpverlening. Door de wet te behouden, wordt voorzien in de noodzakelijke grondslag voor informatiedeling. Door vol in te zetten op verbetering van de samenwerking, hoopt het kabinet alsnog de samenwerking tussen gemeenten en bewindvoerders verder te versterken en de inwoner hiermee sneller van passende hulp bij schulden te voorzien.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34509-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.