Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36970 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36970 nr. 2 |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo, Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, regels te stellen over de gereedheid van het militaire vermogen van de krijgsmacht in het belang van een doeltreffend optreden ter uitvoering van de grondwettelijke en bondgenootschappelijke taken van de krijgsmacht;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119);
staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, de lidstaten van de Europese Unie en andere door Onze Minister aangewezen staten;
de krijgsmacht of onderdelen daarvan, alsmede de andere organisatieonderdelen van het Ministerie van Defensie, met uitzondering van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;
1°. de in werkelijke dienst zijnde militaire ambtenaren in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ambtenaren defensie;
2°. de burgerlijke ambtenaren aangesteld om werkzaam te zijn bij het Ministerie van Defensie in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet ambtenaren defensie;
3°. de in werkelijke dienst zijnde dienstplichtigen in de zin van de artikelen 18, 19 en 21 van de Kaderwet dienstplicht;
de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017;
door opleiding, training en oefening verworven bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken;
staat van de krijgsmacht of een onderdeel daarvan om geloofwaardig en doeltreffend ingezet te kunnen worden ter uitvoering van de in artikel 97 van de Grondwet omschreven taken;
geheel van activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, gericht op de ontwikkeling van een geloofwaardig en doeltreffend inzetbaar militair vermogen, met inbegrip van het voortzettingsvermogen daarvan, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid;
alle materiële middelen, voorraden, uitrusting, wapensystemen, technologieën en systemen die door de defensieonderdelen worden gebruikt voor het gereedstellen en uitvoeren van haar taken;
vermogen om militaire operaties doeltreffend te kunnen uitvoeren;
militaire objecten aangewezen krachtens artikel 2 van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten, alsmede de terreinen waarop zich deze bevinden;
1°. de transmissiesystemen, al dan niet gebaseerd op een permanente infrastructuur of gecentraliseerde beheercapaciteit, en in voorkomend geval de schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, waaronder netwerkelementen die niet actief zijn, die het mogelijk maken signalen over te brengen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen waaronder satellietnetwerken, vaste (circuit- en pakketgeschakelde, met inbegrip van internet) en mobiele netwerken, elektriciteitsnetten voor zover deze voor overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor radio- en televisieomroep en kabeltelevisienetwerken, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie;
2°. elk apparaat of elke groep van onderling verbonden of verwante apparaten, waarvan er een of meer, op grond van een programma, een automatische verwerking van digitale gegevens uitvoeren; of
3°. digitale gegevens die worden opgeslagen, verwerkt, opgehaald of verzonden met behulp van de in onderdelen 1 en 2 bedoelde elementen met het oog op de werking, het gebruik, de bescherming en het onderhoud ervan;
een verzameling gegevens die persoonsgegevens bevat van een groot aantal personen, waarvan het merendeel van de personen niet relevant is voor de uitvoering van de activiteiten van de defensieonderdelen op grond van deze wet;
Onze Minister van Defensie;
de voor het opleiden, trainen en oefenen voor militair optreden relevante omgeving, bezien vanuit het belang van een doeltreffende ontplooiing of beveiliging van militaire capaciteiten in deze omgeving en van de besluitvorming daarover door de commandant;
voor het militaire optreden relevante dynamische fysieke, virtuele en cognitieve dimensie, bezien vanuit het belang van een doeltreffende ontplooiing of beveiliging van militaire capaciteiten in deze omgeving en van de besluitvorming daarover door de commandant.
1. De toepassing van deze wet is gericht op het verzekeren van de gereedheid van het militaire vermogen van de krijgsmacht voor:
a. het doeltreffend afschrikken en weerstaan van een gewapende aanval tegen het Koninkrijk of een bondgenoot; en
b. het doeltreffend optreden in het kader van andere hoofdtaken als bedoeld in artikel 97, eerste lid, van de Grondwet,
in de daarvoor relevante operationele omgeving.
2. De toepassing van deze wet is mede gericht op de afstemming van het belang van defensiegereedheid met andere belangen in een weerbare maatschappij.
1. Onze Minister maakt gelijktijdig met de begroting voor het nieuwe jaar zichtbaar welk verband er ten dienste van een weerbare maatschappij bestaat tussen de mate waarin de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, naderbij kan worden gebracht en voor de gereedstelling bestaande ernstige belemmeringen.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan het eerste lid en over de daarbij te betrekken gegevens.
1. Onze Minister draagt zorg voor de gereedstelling van de krijgsmacht.
2. De in het eerste lid bedoelde zorg krijgt gestalte door:
a. het voorbereiden, onderhouden en verbeteren van de geoefendheid van de krijgsmacht;
b. het verwerven, onderhouden, vernieuwen en afstoten van infrastructuur en materieel;
c. het werven, selecteren, opleiden en trainen van defensiepersoneel;
d. het vergaren van kennis omtrent de voor de militaire taken relevante operationele omgeving;
e. het bewaken en beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen, militaire objecten en het defensiepersoneel;
f. andere activiteiten van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht of van andere defensieonderdelen die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk zijn met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2.
1. De voor uitoefening van defensietaken vereiste gereedstellingsactiviteiten, waarop afdeling 19.6 van de Omgevingswet van toepassing is, de militaire objecten waar deze in hoofdzaak worden verricht en in voorkomend geval de begrenzing van de omvang van die activiteiten, zijn aangegeven in bijlage I.
2. De voor uitoefening van defensietaken vereiste categorieën van gereedstellingsactiviteiten, waarop afdeling 19.6 van de Omgevingswet van toepassing is, zijn aangegeven in bijlage II.
3. In de bijlagen kunnen gereedstellingsactiviteiten respectievelijk categorieën van gereedstellingsactiviteiten worden toegevoegd of onttrokken en de omschrijving van de activiteiten worden gewijzigd, bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat.
4. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
1. Artikel 16.44, eerste lid, van de Omgevingswet komt te luiden als volgt:
1. Op verzoek of ambtshalve kan ontheffing worden verleend van de verplichtingen op grond van deze paragraaf:
a. door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: voor een project of deel daarvan dat alleen is bestemd voor defensie, als toepassing van de verplichtingen nadelige gevolgen heeft voor defensie,
b. door het bevoegd gezag: voor een project of deel daarvan dat alleen noodzakelijk is vanwege een noodtoestand als bedoeld in de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, als toepassing van de verplichtingen nadelige gevolgen heeft voor het bestrijden van de noodtoestand.
2. Na artikel 19.19 van de Omgevingswet wordt een afdeling toegevoegd, luidende:
Deze afdeling is gericht op het verzekeren van de gereedheid van het militair vermogen van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet op de defensiegereedheid.
Deze afdeling is van toepassing op de voor uitoefening van defensietaken vereiste gereedstellingsactiviteiten, bedoeld in bijlage I bij de Wet op de defensiegereedheid, of categorieën van gereedstellingsactiviteiten als bedoeld in bijlage II bij de Wet op de defensiegereedheid.
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel 19.20, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, voor de gereedstellingsactiviteiten die zijn aangewezen in bijlage I van de Wet op de defensiegereedheid, worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteiten of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteiten zijn vereist bij of krachtens:
a. deze wet, voor zover het gaat over:
1°. afdeling 2.3,
2°. afdeling 2.5,
3°. de artikelen 2.40 en 2.45,
4°. paragraaf 4.1.1,
5°. afdeling 4.2,
6°. paragraaf 4.3.2,
7°. de paragrafen 5.1.1, 5.1.3 tot en met 5.1.5,
8°. paragraaf 5.2.2, en de artikelen 5.51 en 5.53,
9°. afdeling 16.2,
10°. afdeling 16.3,
11°. de afdelingen 16.5 en 16.6 en paragraaf 16.7.1, en
b. artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:
a. welke afwijkingen van de in het eerste lid bedoelde wettelijke voorschriften voor de betreffende gereedstellingsactiviteit zijn toegestaan,
b. hoe lang die afwijkingen ten hoogste met een maximum van vijf jaar zijn toegestaan, voor zover de aard van de gereedstellingsactiviteit of de afwijking zich daar niet tegen verzet.
3. Bij koninklijk besluit kan, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van de afwijking is bepaald, worden bepaald dat die tijdsduur eenmalig kan worden verlengd.
4. De toepassing van het eerste lid laat met betrekking tot de gereedstellingsactiviteiten de toedeling van de handhavingstaak, bedoeld in artikel 18.2 van deze wet en artikel 8.1 van de Erfgoedwet, onverlet.
5. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het derde lid, geschiedt door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat.
6. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat een afwijking die met toepassing van het eerste lid is vastgesteld vervalt, zodra de tijdige en volledige uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten die het betreft, anderszins is verzekerd. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
1. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19.22, geschiedt door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Ministers wie het aangaat.
2. Als artikel 19.22, eerste lid, wordt toegepast op Natura 2000-activiteiten, gaat in afwijking van artikel 16.53c, eerste lid, de voordracht van de maatregel gepaard met een passende beoordeling door Onze Minister van Defensie van de gevolgen van de gereedstellingsactiviteiten voor Natura 2000-gebieden waarop de maatregel betrekking heeft, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn. Artikel 16.53c, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De regels over milieueffectrapportage, bedoeld in paragraaf 16.4.2, zijn niet van toepassing op de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel 19.22, eerste lid, voor zover daarbij is vastgesteld dat toepassing van deze regels op de betreffende projecten nadelige gevolgen heeft voor defensie.
1. Ondanks de conclusies van de in artikel 19.23, tweede lid, bedoelde beoordeling dat geen zekerheid kan worden verkregen dat de uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel 19.22, eerste lid, de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zal aantasten, kan de algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld vanwege het groot openbaar belang voor de nationale veiligheid van de gereedstellingsactiviteiten en het ontbreken van alternatieve oplossingen.
2. Als bij de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel 19.22, eerste lid, sprake is van handelingen als bedoeld in artikel 5 of 6 van de vogelrichtlijn, of artikel 12, 13 of 14 van de habitatrichtlijn, kan de algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld vanwege het groot openbaar belang van de gereedstellingsactiviteiten voor de openbare veiligheid en voor de veiligheid voor het luchtverkeer als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de vogelrichtlijn respectievelijk voor de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder c, van de habitatrichtlijn, en vanwege het ontbreken van andere bevredigende oplossingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef, van de vogelrichtlijn en artikel 16, eerste lid, aanhef, van de habitatrichtlijn.
1. Onze Minister van Defensie stelt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19.22, eerste lid, een compensatieprogramma vast, waaruit blijkt welke compenserende maatregelen worden getroffen voor de in artikel 19.23, tweede lid, bedoelde gevolgen, om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Het betreft andere maatregelen dan die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, of die nodig zijn om verslechtering of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied te voorkomen.
2. Onze Minister van Defensie stelt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19.22, eerste lid, een soortenprogramma vast waaruit blijkt op welke locaties de gereedstellingsactiviteiten schadelijke gevolgen kunnen hebben voor vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of dieren of planten van soorten genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn, welke soorten dit zijn en welke maatregelen worden getroffen om te zorgen dat de staat van instandhouding van de vogelsoorten niet verslechtert en het streven om de andere diersoorten en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, niet in het geding komt.
3. Bij de beoordeling of door de toepassing van het eerste lid is voldaan aan artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn mag dat artikel, gelet op artikel 4, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet zo worden uitgelegd dat de goede en tijdige uitvoering van de betreffende gereedstellingsactiviteiten die naar het oordeel van de regering noodzakelijk zijn voor essentiële defensietaken, wordt belemmerd of onaanvaardbaar wordt vertraagd.
4. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt de Europese Commissie op de hoogte van de getroffen compenserende maatregelen.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het compensatieprogramma en het soortenprogramma, bedoeld in het eerste en tweede lid.
1. Bij regeling van Onze Minister van Defensie worden regels gesteld over een goede uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 19.22, eerste lid. Deze regels houden in ieder geval in:
a. eisen over de deskundigheid van degenen die de gereedstellingsactiviteiten verrichten,
b. procedures die gevolgd worden bij de uitvoering van de gereedstellingsactiviteiten,
c. regels over de toepassing van specifieke stoffen, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, onder a, van de Wet op de defensiegereedheid, met een beschrijving van de specifieke toepassing in of aan wapensystemen,
d. regels over maatregelen de wijze waarop activiteiten worden verricht met het oog op het waar mogelijk beperken van nadelige gevolgen, en
e. de termijn waarbinnen Onze Minister van Defensie onderzoek doet naar de gevolgen voor de fysieke leefomgeving, voor zover deze rechtstreeks verband houden met de afwijking en een opgave van de daarbij voor de betreffende gereedstellingsactiviteiten te onderzoeken onderdelen van de fysieke leefomgeving.
2. Iedere twee jaar worden de gevolgen van gereedstellingsactiviteiten en maatregelen op de aanwezige vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn of dieren of planten van soorten genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn en op hun staat van instandhouding gemonitord. Als uit de monitor blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding door de gereedstellingsactiviteiten, wordt het soortenprogramma, bedoeld in artikel 19.25, tweede lid, gewijzigd.
1. Onze Minister van Defensie geeft op geschikte wijze kennis van de voorgenomen uitvoering van een gereedstellingsactiviteit waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 19.22, eerste lid, aan:
a. bestuursorganen die bevoegd gezag zijn voor het doen van meldingen of het nemen van besluiten krachtens de regels, waarvan krachtens artikel 19.22, eerste lid, voor de gereedstellingsactiviteit wordt afgeweken,
b. bij de afwijking betrokken belanghebbenden.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk vier weken voor het begin van de gereedstellingsactiviteiten, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.
3. De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, onder a, verlenen medewerking aan een goede uitvoering van de gereedstellingsactiviteit en kunnen Onze Minister van Defensie daarover vanwege de door hen behartigde algemene belangen advies geven. Tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van de gereedstellingsactiviteit.
1. Bij gereedstellingsbesluit kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel 19.20, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen voor een gereedstellingsactiviteit die behoort tot een in bijlage II bij de Wet op de defensiegereedheid aangewezen categorie, worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van de gereedstellingsactiviteit of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn vereist bij of krachtens de in artikel 19.22, eerste lid, genoemde bepalingen.
2. Een gereedstellingsbesluit bevat:
a. een beschrijving van de uit te voeren gereedstellingsactiviteit en de begrenzing van de omvang van die activiteit,
b. een beschrijving van de locatie waar de gereedstellingsactiviteit wordt verricht,
c. een beschrijving van de afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid bedoelde bepalingen die voor de betreffende gereedstellingsactiviteit is of zijn toegestaan,
d. hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van vijf jaar, zijn toegestaan, voor zover de aard van de gereedstellingsactiviteit of de aard van de afwijking zich daar niet tegen verzet, en
e. de voorzieningen die worden getroffen om nadelige gevolgen ongedaan te maken of te beperken.
3. Een gereedstellingsbesluit kan ook bevatten:
a. de termijn waarbinnen Onze Minister van Defensie de gevolgen onderzoekt van de uitvoering van de gereedstellingsactiviteit, voor zover deze rechtstreeks verband houden met het gereedstellingsbesluit, en een opgave van de daarbij te onderzoeken onderdelen van de fysieke leefomgeving,
b. een beschrijving van de specifieke stof of stoffen, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, onder a, van de Wet op de defensiegereedheid, met een beschrijving van de specifieke toepassing in of aan wapensystemen,
c. een ontheffing als bedoeld in artikel 16.44, eerste lid.
4. Op de toedeling van de handhavingstaak is artikel 19.22, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Bij koninklijk besluit kan, in afwijking van het gereedstellingsbesluit waarbij de tijdsduur van de afwijking is bepaald, worden bepaald dat die tijdsduur eenmalig kan worden verlengd. Op dat koninklijk besluit is artikel 19.22, vijfde en zesde lid, van toepassing.
Een gereedstellingsbesluit wordt vastgesteld door Onze Minister van Defensie in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, voor zover het diens verantwoordelijkheid voor deze wet betreft, en in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.
1. In afwijking van artikel 16.53c, eerste lid, gaat het gereedstellingsbesluit gepaard met een passende beoordeling door Onze Minister van Defensie van de gevolgen van de relevante gereedstellingsactiviteit voor Natura 2000-gebieden, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden, als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn. Artikel 16.53c, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de voorbereiding van een gereedstellingsbesluit als bedoeld in het eerste lid.
1. Ondanks de conclusies van de in artikel 19.31, eerste lid, bedoelde beoordeling dat geen zekerheid kan worden verkregen dat de uitvoering van de gereedstellingsactiviteit waarvoor toepassing wordt gegeven aan artikel 19.29, eerste lid, de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zal aantasten, kan het gereedstellingsbesluit worden vastgesteld vanwege het groot en openbaar belang voor de nationale veiligheid van de gereedstellingsactiviteit en het ontbreken van alternatieve oplossingen.
2. Een gereedstellingsbesluit waarin vanwege het groot en openbaar belang van de gereedstellingsactiviteiten, bedoeld in artikel 19.31, tweede lid, voor de openbare veiligheid en voor de veiligheid voor het luchtverkeer als bedoeld in artikel 9 van de vogelrichtlijn respectievelijk voor de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 16 van de habitatrichtlijn, wordt afgeweken van de krachtens deze wet voor een flora- en fauna-activiteit gestelde regels ter uitvoering van verbodsbepalingen als bedoeld in artikel 5, onder a tot en met d, van de vogelrichtlijn, dan wel artikel 12, eerste lid, onder a tot en met d, van de habitatrichtlijn of van het gebod, bedoeld in artikel 14 van de habitatrichtlijn, en dat betrekking heeft op een gereedstellingsactiviteit die mogelijk leidt tot een overtreding van deze bepalingen, wordt gemotiveerd waarom geen sprake is van een andere bevredigende oplossing als bedoeld in artikel 16 van de habitatrichtlijn.
1. Onze Minister van Defensie stelt uiterlijk op het tijdstip van de inwerkingtreding van het gereedstellingsbesluit een compensatieprogramma vast waaruit blijkt welke compenserende maatregelen worden getroffen voor de in artikel 19.31, eerste lid, bedoelde gevolgen, om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Het betreft andere maatregelen dan die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, of die nodig zijn om verslechtering of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied te voorkomen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als krachtens artikel 19.25, eerste lid, reeds in de compenserende maatregelen is voorzien.
3. Onze Minister van Defensie wijzigt nodig het soortenprogramma, bedoeld in artikel 19.25, tweede lid.
4. Bij de beoordeling of door de toepassing van het eerste lid is voldaan aan artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn mag dat artikel, gelet op artikel 4, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, niet zo worden uitgelegd dat de goede en tijdige uitvoering van de betreffende gereedstellingsactiviteiten die naar het oordeel van de regering noodzakelijk zijn voor essentiële defensietaken, wordt belemmerd of onaanvaardbaar wordt vertraagd. De artikelen 19.25, vierde en vijfde lid, en 19.26, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19.27 is ook van toepassing op de uitvoering van een gereedstellingsbesluit.
Bij het beroep tegen een gereedstellingsbesluit is de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij de bekendmaking van een gereedstellingsbesluit wordt dit vermeld.
1. Onze Minister van Defensie kan, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, aan een beheerder van infrastructuur die open staat voor het verkeer te land, onderscheidenlijk aan het bevoegd gezag op binnenwater, aanwijzingen geven betreffende het beheer, alsmede andere met betrekking tot het verkeer over die infrastructuur toegekende taken en bevoegdheden, voor zover dat noodzakelijk is ter uitvoering van een gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I of die behoort tot een categorie van gereedstellingsactiviteiten die is aangegeven in bijlage II.
2. Artikel 18, eerste lid, en artikel 3, derde lid, van de Vervoersnoodwet zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Artikel 27, vijfde lid, en artikel 29, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is van overeenkomstige toepassing op het laden en lossen buiten militaire locaties, als dat noodzakelijk is ter uitvoering van een gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I of die behoort tot een categorie van gereedstellingsactiviteiten die is aangegeven in bijlage II.
2. Onze Minister van Defensie kan tijdens de uitvoering van een gereedstellingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid, ter beperking van de risico’s die zijn verbonden aan de bij de gereedstellingsactiviteit betrokken overslag van gevaarlijke stoffen of ontplofbare stoffen, de toegang tot een openbare plaats of een plaats in een haven of spoorwegstation, beperken of verbieden door dat ter plaatse, of op een andere geschikte wijze bekend te maken.
1. Voor gereedstellingsactiviteiten die die zijn aangegeven in bijlage I of die behoort tot een categorie van gereedstellingsactiviteiten die is aangegeven in bijlage II en die krachtens afdeling 19.6 van de Omgevingswet worden uitgevoerd, waarbij chemische stoffen worden gebruikt voor defensiedoeleinden, wordt toepassing gegeven aan:
a. artikel 2, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie voor het uitzonderen van de in deze verordening opgenomen stoffen voor defensiedoeleinden; en
b. artikel 1, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor het uitzonderen van de in deze verordening opgenomen etiketterings- en verpakkingseisen voor defensiedoeleinden.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, onder a, worden de volgende waarborgen in acht genomen:
a. Onze Minister van Defensie maakt een lijst van uitgesloten of beperkte stoffen (List of Banned and Restricted Substances);
b. Onze Minister van Defensie gebruikt een gevaarlijke stof niet tenzij er geen technisch gelijkwaardige alternatieven beschikbaar zijn;
c. Onze Minister van Defensie registreert het gebruik van de gevaarlijke stof in gebruikers- en onderhoudsdocumentatie;
d. als de leverancier van de stof aangeeft dat aanwezigheid van de stof een risico vormt voor de mens of het milieu, wordt in de gebruikersinstructies, onderhoudsdocumentatie of afvalverwerkingsinstructies aangegeven, op welke wijze blootstelling aan de stof wordt beheerst.
In afwijking van artikel 5.1, zevende lid, van de Wet open overheid blijft de openbaarmaking van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu en die ziet op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, achterwege voor zover:
a. het belang van de veiligheid van de Staat, genoemd in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet open overheid, aan de orde is; of
b. het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties, genoemd in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet open overheid.
Onze Minister is de verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze wet.
1. Persoonsgegevens kunnen door Onze Minister met inachtneming van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de gereedstelling, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid.
2. Onze Minister kan ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid, gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerken voor zover:
a. afkomstig uit eigen waarneming, al dan niet met gebruik van technische hulpmiddelen;
b. afkomstig uit publiek toegankelijke bronnen;
c. afkomstig uit informatiebronnen van derden;
d. ontvangen van een dienst;
e. ontvangen van bondgenoten;
f. ontvangen van andere nationale- en internationale privaatrechtelijke of publiekrechtelijke instanties, indien de betreffende wet- en regelgeving in de verstrekking voorziet met inachtneming van die wet- en regelgeving.
3. De bronnen, bedoeld in het tweede lid, worden niet gebruikt met het oogmerk om personen stelselmatig te monitoren. Die beperking houdt in ieder geval in dat geen gebruik wordt gemaakt van:
a. het op geautomatiseerde wijze en gericht op personen stelselmatig overnemen van persoonsgegevens;
b. ander gebruik van een technisch hulpmiddel waarvan redelijkerwijs voorzienbaar is dat daarmee verwerkingen van persoonsgegevens gericht worden toegepast op personen.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, waaronder regels over:
a. de voorwaarden die aan de verwerking van persoonsgegevens worden gesteld, met inbegrip van:
1°. de deskundigheidseisen die aan het voor de verwerking gemachtigde defensiepersoneel gesteld kunnen worden;
2°. de wijze van en de eisen die aan de vastlegging van bepaalde verwerkingen van persoonsgegevens kunnen worden gesteld, in het bijzonder met het oog op de beoordeling van de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens op grond van deze wet;
b. de verwerving en het gebruik van gegevens uit publiek toegankelijke bronnen en uit informatiebronnen van derden, waarbij de regels over publieke toegankelijke bronnen betrekking kunnen hebben op:
1°. het gebruik van te onderscheiden categorieën van publiek toegankelijke bronnen;
2°. de voorwaarden voor het gebruik van publiek toegankelijke online communicatieplatforms.
1. Persoonsgegevens worden, rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, de aard, de omvang, de context van de verwerking, de risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen en de risico’s voor de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, geanonimiseerd dan wel gepseudonimiseerd, tenzij het doel van de verwerking zich daartegen verzet.
2. Het verzamelen van persoonsgegevens waarvan het niet terstond mogelijk is geweest om vast te stellen om welke persoonsgegevens het gaat, is toegestaan voor de doeleinden genoemd in deze wet. De verzamelde gegevens worden onverwijld beoordeeld op de aanwezigheid van persoonsgegevens en, voor zover relevant, op de noodzaak van verdere verwerking daarvan. Deze persoonsgegevens worden na vaststelling verwerkt overeenkomstig deze wet.
3. Onverminderd artikel 6, vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming is de verwerking van persoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor die zijn verzameld op grond van deze wet toegestaan, indien Onze Minister hiervoor toestemming verleent met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, en de verwerking voor dat andere doel noodzakelijk is en in verhouding staat tot dat doel.
4. Onze Minister zorgt voor passende technische en organisatorische maatregelen in verband met de verwerking van gegevens bij of krachtens deze wet bepaald. Hiertoe behoren in ieder geval:
a. het bevorderen van de juistheid en de volledigheid van de gegevens die worden verwerkt alsmede van de kwaliteit van de gegevensverwerking;
b. een beveiligingsbeleid met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, waaronder:
1°. waarborgen dat slechts daartoe gemachtigd personeel toegang heeft tot de persoonsgegevens; en
2°. maatregelen met betrekking tot een deugdelijke werking en beveiliging van de apparatuur en programmatuur die bij het verwerken van de gegevens worden ingezet.
1. Op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de hoofdstukken 1, 2 en 4 van deze wet en de daarop berustende bepalingen is van overeenkomstige toepassing:
a. de Algemene verordening gegevensbescherming, met uitzondering van de artikelen 9 en 10, hoofdstuk III en de artikelen 33, 34 en 36 van die verordening; en
b. de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, met uitzondering van de artikelen 22 tot en met 33 van die wet.
2. Bij besluit van Onze Minister kan worden afgeweken van het eerste lid indien dit noodzakelijk is om een belemmering of onaanvaardbare vertraging van de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, te voorkomen. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de Autoriteit persoonsgegevens.
3. Krachtens het tweede lid kan niet worden afgeweken van afdeling 4 van hoofdstuk IV of de hoofdstukken VI tot en met VIII van de Algemene verordening gegevensbescherming of van hoofdstuk 2 of paragraaf 3.4 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.
Bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zijnde persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging, of het lidmaatschap van een vakbond blijkt, en de verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, of gegevens over gezondheid, seksuele leven en seksuele gerichtheid, alsmede persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, zijnde persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen, worden niet verwerkt, tenzij:
a. dat voor het doel van de gegevensverwerking onvermijdelijk is;
b. deze persoonsgegevens in aanvulling zijn op de verwerking van andere persoonsgegevens betreffende de persoon; en
c. de gegevens afdoende zijn beveiligd, waaronder in voorkomend geval de versleuteling van deze gegevens en het beperken van toegang tot deze gegevens.
1. Voor het doel, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, kunnen uitsluitend omvangrijke gegevensverzamelingen worden verwerkt die niet meer dan een beperkte inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer en nadat Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.
2. Bij het beoordelen van de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt in ieder geval betrokken de mate waarin de omvangrijke gegevensverzameling inzicht geeft in bepaalde aspecten van iemands privéleven, daarbij rekening houdend met de aard van de persoonsgegevens in de omvangrijke gegevensverzameling en de mate waarin:
a. de persoonsgegevens te koppelen zijn aan één persoon;
b. de persoonsgegevens inzicht geven in het netwerk van een persoon;
c. het vertrouwelijke inhoud betreft;
d. het locatiegegevens betreft.
3. De toegang tot en het verwerken van persoonsgegevens uit een omvangrijke gegevensverzameling geschiedt slechts door de daartoe gemachtigde personen, voor zover dat noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de opgedragen taak.
4. Onze Minister voorziet in een functiescheiding tussen de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, en de toegang tot en het verwerken van persoonsgegevens uit een omvangrijke gegevensverzameling.
1. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor het doel waarvoor deze zijn verwerkt en worden in ieder geval uiterlijk twee jaar na de datum van eerste verwerking verwijderd en vernietigd, tenzij wettelijke voorschriften over bewaring aan vernietiging in de weg staan.
2. Onze Minister kan, wanneer dit met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, noodzakelijk wordt geacht, de bewaartermijn ten hoogste tweemaal met een termijn van telkens maximaal twee jaar verlengen.
3. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. kunnen beperkingen worden gesteld aan de bewaartermijn, genoemd in het eerste lid, voor specifieke verwerkingen;
b. worden nadere regels gesteld over de procedure voor de verlenging van de bewaartermijn.
1. Onder noodzakelijk voor de gereedstellingsactiviteiten, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en f, wordt begrepen gegevensverwerking in het kader van:
a. het opleiden, trainen en oefenen in de operationele oefenomgeving met en het onderhouden van materieel, waaronder het gebruik van bemande en onbemande voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen en het gebruik van technische hulpmiddelen om de omgeving waar te nemen;
b. het opleiden, trainen en oefenen in het gebruik van het elektromagnetisch spectrum, inclusief het gebruik van technische hulpmiddelen om veilig en effectief gebruik te maken van het elektromagnetisch spectrum en het manipuleren en verstoren van de elektromagnetische straling in dat spectrum;
c. het opleiden, trainen en oefenen met gegevens verkregen in de fysieke leefomgeving en de virtuele omgeving;
d. het opleiden, trainen en oefenen in het verkrijgen van een informatiepositie, bedoeld in artikel 4.9;
e. het opleiden, trainen en oefenen in het bewaken en beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen, militaire objecten en het defensiepersoneel, bedoeld in artikel 4.10;
f. het ontwerpen en ontwikkelen van en het experimenteren met materieel, technologieën en technieken met het oog op het verzekeren van de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2;
g. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gereedstellingsactiviteiten.
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdelen a tot en met e, kunnen persoonsgegevens en, in afwijking van artikel 4.5, bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt van ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambtenaren defensie, voor zover dit noodzakelijk is voor het simuleren van de operationele omgeving ten behoeve van het opleiden, trainen en oefenen of voor het ontwikkelen van een opleiding, training of oefening.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de gereedstellingsactiviteiten, waaronder de categorieën van verwerkingen van persoonsgegevens op grond van het eerste lid alsmede de voorwaarden voor de verwerking van persoonsgegevens bij het opleiden, trainen en oefenen of het ontwerpen, ontwikkelen en experimenteren.
1. Onze Minister vergaart kennis omtrent de voor een veilig en doeltreffend optreden van eenheden of onderdelen van de krijgsmacht relevante operationele omgeving. Dit houdt in het vormen van een initieel beeld van de relevante operationele omgeving, het analyseren en duiden daarvan en het waarnemen van relevante wijzigingen daarin.
2. De kennis, bedoeld in het eerste lid, heeft betrekking op informatie over:
a. de fysisch geografische, oceanografische en meteorologische omstandigheden in de operationele omgeving;
b. de geografische gegevens in de operationele omgeving, alsmede de gegevens over de daar aanwezige fysieke infrastructuur;
c. de digitale infrastructuur in de operationele omgeving;
d. het spectrum van elektromagnetische straling, met uitzondering van de inhoud van communicatie, in de operationele omgeving;
e. militaire activiteiten in de operationele omgeving;
f. relevante trends en ontwikkelingen in het maatschappelijk verkeer in de operationele omgeving;
g. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen informatie met betrekking tot de doeleinden, bedoeld in het eerste lid.
3. De vergaring van kennis, bedoeld in het eerste lid, is niet gericht op specifieke personen.
4. De commandant op het tactische of operationele niveau van een eenheid van de krijgsmacht is, onverminderd het initiatief bedoeld in het vijfde lid, bevoegd om op aanwijzing van Onze Minister voor maximaal de duur van de voorbereiding op het betreffende militaire optreden, voor daarbij te bepalen focusgebieden, af te wijken van het derde lid, voor zover:
a. een ernstig vermoeden bestaat dat deze personen een gevaar vormen voor de veiligheid van de krijgsmacht – of de militaire taakuitoefening van de betrokken eenheden;
b. dit noodzakelijk is voor het in kaart brengen van relevante publieke organen en civiele actoren die de krijgsmacht in de operationele omgeving kunnen ondersteunen; of
c. dit noodzakelijk is voor de bescherming van personen in de operationele omgeving, in het bijzonder voor de evacuatie van deze personen uit de operationele omgeving.
5. De commandant kan de bevoegdheid, bedoeld in het vierde lid, op eigen initiatief gebruiken, indien het gebruik hiervan onverwijld aan de goedkeuring van Onze Minister wordt onderworpen. De uitoefening van de bevoegdheid wordt onmiddellijk gestaakt als goedkeuring hiervoor wordt onthouden. De goedkeuring is in ieder geval onthouden wanneer Onze Minister zeven dagen na het gebruik van de bevoegdheid geen goedkeuring heeft gegeven.
6. Artikel 4.2, derde lid, is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in het vierde en vijfde lid.
7. Met de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vindt er periodiek afstemming plaats over de kennisvergaring over personen, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a.
8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het vierde, vijfde en zevende lid.
1. Onze Minister zorgt voor het bewaken en beveiligen van de defensieonderdelen ter voorkoming of afwering van activiteiten die ten doel hebben de veiligheid en gereedheid van deze defensieonderdelen te schaden. Hieronder wordt begrepen:
a. het beveiligen van netwerk- en informatiesystemen van defensieonderdelen;
b. het bewaken en beveiligen van vaste en mobiele militaire objecten, met inbegrip van het materieel, van de krachtens artikel 2 van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten aangewezen objecten;
c. het beschermen van het defensiepersoneel.
2. De in het eerste lid bedoelde taak wordt niet krachtens deze wet uitgeoefend, voor zover de bewaking en beveiliging reeds bij of krachtens een andere wet wordt uitgeoefend.
3. In aanvulling op de regels gesteld krachtens artikel 3, derde lid, van de Rijkswet geweldgebruik bewakers militaire objecten kunnen ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, in de nabijheid van een militair object of het defensiepersoneel interventiemiddelen worden ingezet om, waar nodig met het gebruik van het elektromagnetisch spectrum, een object tot stoppen te brengen of zodanig te beïnvloeden dat hiermee de dreiging of het gevaar voor de veiligheid wordt afgewend.
1. Onder noodzakelijk voor het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, wordt begrepen gegevensverwerking in het kader van:
a. het monitoren en analyseren van cyberdreigingen, kwetsbaarheden en incidenten die het functioneren van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen bedreigen;
b. het verstrekken van waarschuwingen en het verspreiden van informatie over cyberdreigingen, kwetsbaarheden en incidenten aan relevante belanghebbenden, voor zover dit noodzakelijk is voor het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van die belanghebbende;
c. het proactief scannen en testen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen om kwetsbaarheden met mogelijk significante gevolgen op te sporen, waaronder het analyseren van cyberdreigingen binnen de defensieonderdelen;
d. het reageren op incidenten in de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen;
e. het verzamelen en analyseren van forensische gegevens en het zorgen voor dynamische risico- en incidentenanalyse en situationeel bewustzijn met betrekking tot cyberbeveiliging;
f. op verzoek, wederzijdse bijstand verlenen aan een nationale of bondgenootschappelijke entiteit die is belast met het beveiligen van een netwerk- en informatiesysteem;
g. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen activiteiten voor het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen.
2. In aanvulling op artikel 4.2, tweede lid, kan Onze Minister gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerken afkomstig uit een analyse op de cyberbeveiligingsrisico’s van de elektromagnetische straling, met uitzondering van de inhoud van communicatie, van de netwerk- en informatiesystemen van de defensieonderdelen.
1. Voor de uitvoering van de in artikel 4.10, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde taken kan Onze Minister in aanvulling op de bronnen, genoemd in artikel 4.2, tweede lid, gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerken die hij heeft ontvangen van de Koninklijke marechaussee op grond van de Wet politiegegevens.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over het gebruik van technische hulpmiddelen bij het bewaken en beveiligen van militaire objecten en het beschermen van defensiepersoneel.
1. Onze Minister kan gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerkt in het kader van de goede uitvoering van deze wet en voor zover de vertrouwelijkheid zich daar niet tegen verzet, verstrekken aan:
a. Onze Minister die het aangaat met het oog op de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2;
b. een dienst, voor zover zij deze behoeft in verband met de goede uitvoering van de bij de wet aan haar opgedragen taken;
c. de politie, de Koninklijke marechaussee en het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven voor de goede uitvoering van hun wettelijke taken in verband met het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten;
d. de burgemeesters, voor zover zij deze behoeven voor de goede uitvoering van hun taken op grond van de Gemeentewet in verband met de handhaving van de openbare orde;
e. aan relevante belanghebbenden, in het kader van artikel 4.11, eerste lid, onderdeel b;
f. bondgenoten, voor zover dit noodzakelijk is voor de krijgsmacht ter uitvoering van haar bondgenootschappelijke taken en verplichtingen op het gebied van internationale militaire samenwerking, daaronder begrepen het opleiden, trainen en oefenen en het doeltreffend optreden in de operationele omgeving in bondgenootschappelijk verband.
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel f, kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan bondgenoten indien dit op grond van indicaties noodzakelijk is voor de bescherming van de veiligheid en zwaarwegende algemene belangen van die bondgenoot en van de vrijheid en het leven van een persoon. Onder de te beschermen belangen wordt in ieder geval verstaan:
a. het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen van deze bondgenoot;
b. het bewaken van militaire objecten en het defensiepersoneel van deze bondgenoot.
3. Onverminderd de vereisten voor doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties, genoemd in hoofdstuk V van de Algemene verordening gegevensbescherming, worden persoonsgegevens op grond van het tweede lid niet verstrekt aan derde landen of internationale organisaties indien de verstrekking in het specifieke geval in strijd is met de belangen van het Koninkrijk of een gevaar oplevert voor het recht op leven, menselijke integriteit en vrijheid of andere fundamentele mensenrechten van de betrokkene.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen en instanties worden aangewezen aan wie of waaraan, met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, persoonsgegevens kunnen worden verstrekt, waar nodig in afwijking van het derde lid, ter uitvoering van de bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven taak.
5. In bijzondere gevallen kan Onze Minister, voor zover dit met het oog op de landsverdediging, nationale veiligheid of ter bescherming van het leven van een persoon dringend noodzakelijk is, beslissen tot het verstrekken van persoonsgegevens aan andere instanties dan genoemd in het eerste lid. Van dit besluit wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan de Autoriteit persoonsgegevens.
6. De verstrekking van gegevens vindt plaats onder de voorwaarde dat deze gegevens slechts kunnen worden verwerkt door de ontvanger voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt. De ontvanger wordt hierover geïnstrueerd.
7. Persoonsgegevens worden gepseudonimiseerd verstrekt, tenzij dit vanwege de doeleinden van de verstrekking niet mogelijk is. Artikel 4.3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de pseudonimisering.
8. Van de verstrekking van persoonsgegevens wordt aantekening gehouden.
1. Onze Minister geeft tijdig door een publieke mededeling brede kenbaarheid van voorgenomen verwerkingen van persoonsgegevens ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en onderdeel f, voor zover de vertrouwelijkheid van de activiteit zich daar niet tegen verzet.
2. Deze mededeling bevat in ieder geval de volgende informatie:
a. de activiteit waarvoor persoonsgegevens worden verwerkt;
b. een aanduiding van de locatie waar de activiteit zal worden verricht;
c. de categorieën persoonsgegevens die worden verwerkt;
d. de periode waarin persoonsgegevens worden verwerkt;
e. de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
f. de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd;
g. dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
h. informatie over de bron van de persoonsgegevens;
i. de bewaartermijn van de persoonsgegevens.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
1. Onze Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c, zijn verwerkt.
2. Onze Minister kan dit besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.
3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan langs elektronische weg worden gedaan.
4. Voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, stelt Onze Minister de aanvrager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in de gelegenheid van zijn verwerkte persoonsgegevens kennis te nemen.
5. Onze Minister draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de aanvrager.
1. Degene die kennis heeft genomen van de omtrent hem verwerkte persoonsgegevens, kan een schriftelijke verklaring overleggen met betrekking tot de onjuistheid of onvolledigheid van de persoonsgegevens. Deze persoon wordt hier bij de kennisneming op gewezen.
2. De schriftelijke verklaring wordt bij de desbetreffende persoonsgegevens gevoegd.
3. De verklaring wordt gelijktijdig met de persoonsgegevens waarop deze betrekking heeft verwijderd of vernietigd.
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.15 wordt in ieder geval afgewezen:
a. voor zover verstrekking van de persoonsgegevens waarop de aanvraag betrekking heeft:
1°. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
2°. de landsverdediging, waaronder de gereedheid, bedoeld in artikel 1.2, in gevaar zou kunnen brengen;
3°. de nationale veiligheid zou kunnen schaden;
b. indien betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.
2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.15 wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. bedrijfs- en fabricagegegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld, alsmede andere concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;
j. indien geen sprake is van milieu-informatie, de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in het eerste of tweede lid.
De functionaris voor gegevensbescherming, bedoeld in artikel 37 van de Algemene verordening gegevensbescherming, toetst de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in dit hoofdstuk, in het bijzonder de naleving daarvan. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar, zendt Onze Minister aan de Staten-Generaal een door de functionaris voor gegevensbescherming opgestelde rapportage van de resultaten van deze toetsing.
Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens de artikelen 4.8, eerste lid, onderdeel g, 4.9, tweede lid, onderdeel g, of 4.11, eerste lid, onderdeel g, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
1. Onze Minister kan ten behoeve van de gereedstelling, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdeel c, met het oog op de werving van militaire ambtenaren een enquête versturen aan ingezeten Nederlanders in de leeftijd van zeventien tot en met zevenentwintig jaar.
2. Onze Minister maakt ten behoeve van de verzending van de enquête gebruik van gegevens uit de basisregistratie personen.
3. Onze Minister kan persoonsgegevens, met inbegrip van gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming, uitsluitend verwerken, voor zover dit noodzakelijk is voor de verzending en het verwerken van de antwoorden op de enquête ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid.
4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de persoonsgegevens die op grond van dit artikel verwerkt worden, waaronder de categorieën van persoonsgegevens die daartoe worden verwerkt en de bewaartermijnen van de op grond van dit artikel verkregen persoonsgegevens.
1. De omstandigheid waarin de tijdigheid van de gereedstelling is of wordt bedreigd, wordt aangemerkt als een crisissituatie in de zin van artikel 2.23, eerste lid, onderdeel d, van de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied.
2. De tijdigheid van de gereedstelling, bedoeld in artikel 2.1, geldt als een wezenlijk belang van Nederland als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, onderdeel e, van de Aanbestedingswet 2012.
Artikel 3, derde tot en met zesde lid, van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming komt te luiden:
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op:
a. de verwerking van persoonsgegevens door Onze Minister van Defensie met het oog op de gereedheid van de krijgsmacht ter uitvoering van de in artikel 97 van de Grondwet omschreven taken voor zover daarop de Wet op de defensiegereedheid van toepassing is;
b. de verwerking van persoonsgegevens door Onze Minister van Defensie met het oog op de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter uitvoering van de in artikel 97 van de Grondwet omschreven taken, voor zover het de artikelen 9 en 10, hoofdstuk III en de artikelen 33, 34 en 36 van de verordening en de artikelen 22 tot en met 33 van deze wet betreft;
c. de verwerking van persoonsgegevens voor zover daarop de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 van toepassing is.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het derde lid, onderdeel b, bedoelde verwerking van persoonsgegevens door de krijgsmacht.
5. Onverminderd het vierde lid, kan Onze Minister van Defensie ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens, als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, bij besluit afwijken van de verordening en deze wet. Van dit besluit wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan de Autoriteit persoonsgegevens.
6. Krachtens het vijfde lid kan niet worden afgeweken van afdeling 4 van hoofdstuk IV of de hoofdstukken VI tot en met VIII van de verordening of van hoofdstuk 2 of paragraaf 3.4 van deze wet.
Na artikel 4 van de Wet op de medische keuringen wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Ten behoeve van de gereedstelling van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de defensiegereedheid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over keuringen in verband met het aangaan van een aanstelling als militair ambtenaar.
2. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gesteld over:
a. het beoordelen van de totale operationele inzetbaarheid van de keurling als militair ambtenaar;
b. het beoordelen en beslissen tot functietoewijzing krachtens artikel 12 van de Wet ambtenaren defensie;
c. de plaats van de keuring in het selectieproces van de krijgsmacht; en
d. de bewaartermijn van de keuringsgegevens.
De Wet ambtenaren defensie wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 1, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een komma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
gereedstelling als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
B
Artikel 1b komt te luiden:
Voor zover dit met het oog op de goede uitvoering van de operationele taken van de krijgsmacht noodzakelijk is, kan Onze Minister afwijken van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald:
a. in buitengewone omstandigheden;
b. indien en voor zover naar het oordeel van Onze Minister een goede voortgang van de gereedstelling van de krijgsmacht in het geding komt en de afwijking tijdelijk noodzakelijk geacht wordt. Een dergelijke afwijking heeft maximaal een duur van twee jaar en kan eenmalig voor een jaar worden verlengd. Van een afwijking van hetgeen bij deze wet is bepaald wordt schriftelijke mededeling gedaan aan beide Kamers der Staten-Generaal.
C
Na artikel 12h worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
1. De gezondheid van de militair ambtenaar in werkelijke dienst kan gedurende de opleiding, trainingen en oefeningen individueel gemonitord worden om:
a. diens inzetbaarheid te beoordelen;
b. diens gezondheid te waarborgen met het oog op het verhogen van de duurzame fysieke inzetbaarheid van de krijgsmacht; en
c. om trainingsprogramma’s te ontwikkelen en te optimaliseren.
2. De monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats na schriftelijke instemming van de militair ambtenaar in werkelijke dienst.
3. Onze Minister kan voor zover noodzakelijk voor het doel, genoemd in het eerste lid, biometrische gegevens en gegevens over gezondheid verwerken. Gepseudonimiseerde persoonsgegevens mogen verder verwerkt worden voor het ontwikkelen en optimaliseren van trainingsprogramma’s.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder de monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, kan plaatsvinden, de technologische middelen die kunnen worden toegepast, almede ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het derde lid.
1. De gezondheid van de militair ambtenaar in werkelijke dienst kan structureel gemonitord worden ten behoeve van onderzoek voor het vormen van het gezondheidsbeleid voor de krijgsmacht.
2. De monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats indien de militair ambtenaar in werkelijke dienst hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt.
3. Voor de monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister biometrische gegevens en medische gegevens verwerken in combinatie met inzet- en plaatsingsgegevens of andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gegevens. Deze gegevens kunnen verder worden verwerkt ten behoeve van de ontwikkeling van het gezondheidsbeleid, mits geanonimiseerd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden en de procedure waaronder de monitoring van de gezondheid, bedoeld in het eerste lid, kan plaatsvinden, alsmede ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, bedoeld in het derde lid.
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Bijlage 1 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
a. in de zinsnede met betrekking tot de Omgevingswet wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. artikel 19.29, eerste lid
b. in de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet op de defensiegereedheid: artikel 8.1
B
In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de zinsnede met betrekking tot de Omgevingswet, onder verlettering van onderdeel r tot s, een onderdeel ingevoegd, luidende:
r. artikel 19.26, eerste lid
C
Artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
a. in de zinsnede met betrekking tot de Omgevingswet wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
n. artikel 19.29, eerste lid
b. in de alfabetische volgorde wordt ingevoegd:
Wet op de defensiegereedheid: artikel 8.1
De Telecommunicatiewet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt toegevoegd «Bij het vaststellen of wijzigen van het frequentieplan weegt Onze Minister in ieder geval het belang van de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid, mee.».
2. Aan het vijfde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
B
In artikel 3.3, tweede lid, vervalt «, dat niet langer dan een jaar tevoren bij hem is ingediend».
C
Aan artikel 3.5b, tweede lid, wordt toegevoegd «In uitzonderlijke omstandigheden kan Onze Minister de termijn telkens met zes weken verlengen.».
D
Artikel 3.14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
2. Aan het vierde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
E
Artikel 3.22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het derde lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. de gereedstelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de defensiegereedheid.
2. In het vijfde lid wordt na «onder a tot en met d» ingevoegd «en g».
Na artikel 76 van de Luchtvaartwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Bij algemene maatregel van bestuur of bij gereedstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19.29 van de Omgevingswet kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel 19.20 van de Omgevingswet, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, ten behoeve van de gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I van de Wet op de defensiegereedheid, respectievelijk in bijlage II van de Wet op de defensiegereedheid worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteit of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn vereist bij of krachtens artikel 76 van deze wet.
2. Afdeling 19.6 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op een afwijking als bedoeld in het eerste lid.
Aan hoofdstuk 9 van de Wet luchtvaart wordt een artikel toegevoegd, luidende:
1. Bij algemene maatregel van bestuur of bij gereedstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19.29 van de Omgevingswet kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel 19.20 van de Omgevingswet, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, ten behoeve van de gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I van de Wet op de defensiegereedheid, respectievelijk in bijlage II van de Wet op de defensiegereedheid worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteit of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn vereist bij of krachtens hoofdstuk 1, hoofdstuk 5, titel 5.1, titel 5.2, en hoofdstuk 10 van deze wet.
2. Afdeling 19.6 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op een afwijking als bedoeld in het eerste lid.
Na artikel 36 van de Scheepvaartverkeerswet wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Bij algemene maatregel van bestuur of bij gereedstellingsbesluit als bedoeld in artikel 19.29 van de Omgevingswet kan voor zover noodzakelijk voor het doel, bedoeld in artikel 19.20 van de Omgevingswet, en met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, ten behoeve van de gereedstellingsactiviteit die is aangegeven in bijlage I van de Wet op de defensiegereedheid, respectievelijk in bijlage II van de Wet op de defensiegereedheid worden afgeweken van de regels die van toepassing zijn op het verrichten van die gereedstellingsactiviteit of op de besluiten die voor het verrichten van die gereedstellingsactiviteit zijn vereist bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 9 van deze wet.
2. Afdeling 19.6 van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing op een afwijking als bedoeld in het eerste lid.
1. Bij koninklijk besluit kan, op voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, en gehoord de afdeling Advisering van de Raad van State, ontheffing worden verleend van daarbij aan te wijzen wettelijke voorschriften indien dit noodzakelijk is om de belemmering of onaanvaardbare vertraging van spoedeisende training, opleiding of oefening van de krijgsmacht of van de beschikbaarheid van het daarvoor benodigde materieel te voorkomen of op te heffen. De ontheffing kan niet worden verleend voor wettelijke voorschriften die zijn gesteld bij deze wet, die zijn aangewezen in artikel 19.22, eerste lid, van de Omgevingswet, in artikel 76a van de Luchtvaartwet, artikel 9.9 van de Wet luchtvaart of artikel 36a van de Scheepvaartverkeerswet.
2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. De geldigheidsduur van een ontheffing wordt beperkt tot maximaal twee jaar. Dit tijdvak kan eenmaal worden verlengd met maximaal een jaar door toepassing van het eerste lid.
3. De voordracht tot vaststelling van een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp ervan aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een van de kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan.
4. Artikel 8.4, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid.
5. Bij het beroep tegen een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid kunnen geen gronden worden aangevoerd na afloop van de termijn voor het instellen van beroep. Bij de bekendmaking van het koninklijk besluit wordt dit vermeld. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onder d, van die wet, tenzij bij de bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan de vorige volzin.
6. Onze Minister bevordert dat de uitvoering van een activiteit waarvoor toepassing is gegeven aan het eerste lid kan worden verzekerd anders dan door toepassing van het eerste lid.
Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk.
Indien het bij koninklijke boodschap van 1 december 2022 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en enkele andere wetten in verband met het stroomlijnen en actualiseren van het gegevensbeschermingsrecht (Verzamelwet gegevensbescherming) (Kamerstukken II 2022/23, 36 264, nrs. 1–2) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel C, van die wet later inwerking treedt dan artikel 7.1 van deze wet, vervalt artikel I, onderdeel C, van die wet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Defensie,
|
A |
Luchtvaartuigen |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1 |
Helikopters |
Opstijgen, vliegen en landen |
Militaire terreinen: • Arnhemse Heide • Artillerie Schietkamp • Assen • Beekhuizerzand • Eder- en Ginkelse Heide • Ermelose heide • Garderense Veld • Leusderheide • • Marnewaard • Oirschot • Rijen • Stroese Zand • Vlasakkers • Vliehors • Waalsdorpervlakte |
Maximaal 24.000 vliegtuigbewegingen gespreid over het kalenderjaar te verdelen over de militaire terreinen |
|
|
2 |
Helikopters |
Vliegen op lage hoogte |
De bestaande laagvlieggebieden: • Ginkelse Heide • Maas en Waal • Midden-Drenthe • Noord-Drenthe • Oirschot • De Peel • Veluwe en Randmeren • Voorne-Putten en Hoeksche Waard • West-Drenthe • Wieringermeerpolder |
Maximaal 2.500 uren gespreid over het kalenderjaar te verdelen over de laagvlieggebieden |
|
|
3 |
Luchtvaartuigen |
Vliegen zonder straffactor binnen en buiten gestelde openstellingstijden |
De militaire luchthavens • De Kooy • Deelen • Eindhoven • Gilze-Rijen • Leeuwarden • Volkel • Woensdrecht De laagvlieggebieden • Ginkelse Heide • Oirschot De militaire terreinen in of bij • Arnhemse Heide • Artillerie Schietkamp • Eder- en Ginkelse Heide • Infanterie Schietkamp • Oirschot • Rijen • Vliehors |
Maximaal 42 dagen in de maanden mei, juni en juli per kalenderjaar, te verdelen over de locaties, op werkdagen, telkens tot 01:00 uur of vanaf 04:30 uur. Wanneer er tot 01:00 gevlogen wordt zal er niet op dezelfde dag om 04:30 gestart worden. Het aantal vlieguren bij duisternis bedraagt maximaal 50% van het totaal aantal vliegtuigbewegingen per kalenderjaar. |
|
|
4 |
Motoren van luchtvaartuigen |
Onderhouden en proefdraaien in luchtvaartuigen |
De militaire luchthavens • De Kooy • Deelen • Eindhoven • Gilze-Rijen • Leeuwarden • Volkel • Woensdrecht |
Maximaal 120 minuten per luchtvaartuig per etmaal. |
|
|
5 |
F135 vliegtuigmotoren van F-35 jachtvliegtuigen |
Onderhouden en proefdraaien in testcell |
Vliegbasis Woensdrecht |
Maximaal 90 runs per kalenderjaar |
|
|
6 |
Jetpacks |
Opstijgen, vliegen en landen |
Complex Nieuwe Haven (Den Helder) |
||
|
B |
Schieten |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1 |
Scherpe munitie of ontplofbare voorwerpen |
Schieten of werpen vanuit bemande of onbemande militaire luchtvaartuigen |
De bestaande schietrange Vliehors |
Binnen de totale vergunde geluidsruimte op basis van een flexibel schietmodel. |
|
|
2 |
Verschillende wapens en kalibers |
Oefenen met schieten |
• Artillerie Schietkamp • Infanterie Schietkamp • Johannes Postkazerne • Marnewaard • Ruijter van Steveninckkazerne • schietbaan op OT Arnhemse Heide • schietbaan Weert • schietbaan Harderwijk • schietbaan Heumensoord • schietbaan op OT Waalsdorpervlakte • vliegbasis Gilze-Rijen • vliegbasis Volkel • vliegbasis Woensdrecht |
Binnen totale vergunde geluidsruimte op basis van een flexibel schietmodel. |
|
|
3 |
Schietoefeningen |
Schieten tijdens duisternis |
• Artillerie Schietkamp • Infanterie Schietkamp • Schietrange Vliehors • de schietbanen van Defensie |
Maximaal 42 dagen in de maanden mei, juni en juli van een kalenderjaar, te spreiden over de locaties, telkens tot 01:00 uur of vanaf 04:30 uur. |
|
|
4 |
Oefenen met onbemande luchtvaartuigen |
Testen en oefenen met schieten op vliegende oefendoelen alsmede het werpen van explosieve voorwerpen |
• Artillerie Schietkamp • Infanterie Schietkamp • Springterrein Reek |
Binnen de totale vergunde geluidsruimte op basis van een flexibel schietmodel. |
|
|
C |
Werken |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1 |
Graven en bouwen van werken |
Uitvoeren |
De militaire oefenterreinen • Arnhemse Heide • Beekhuizerzand • Havelte West • Oirschotse Heide • Rucphense Heide • Stroese Zand • Wezeperberg • Vlasakkers • Vrachelse Heide |
Noodzakelijke werkzaamheden, waaronder graven, bouwen en stutten, op de locatie |
|
|
2 |
Verzamelgebieden |
Aanleggen |
De militaire oefenterreinen: • Arnhemse Heide • Havelte West • Havelte-Oost • Marnewaard • Oirschotse Heide • Stroese Zand • Wezeperberg |
Op de locatie |
|
|
E |
Middelen |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1 |
Kleine en grote militaire vaartuigen |
Varen op hoge snelheid |
Waddenzee tussen het Marsdiep en de Marnewaard |
Maximaal 100 dagen gespreid over het kalenderjaar |
|
|
2 |
Kleine en grote militaire vaartuigen |
Oefenen met schieten met klein kaliber wapens |
• Vliehors • EHR-08 Noord op de Noordzee nabij Texel |
Maximaal 50 dagen gespreid over het kalenderjaar en verdeeld over de locaties |
|
|
3 |
Onbemande elektrisch aangedreven voer- en luchtvaartuigen |
Testen, opleiden, trainen en oefenen in gebruik en bestrijding |
Militaire terreinen |
Op de locaties |
|
|
F |
Gevaarlijke stoffen en munitie |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1a |
Munitie |
Opslaan |
De munitiemagazijncomplexen: • MMC Alphen • MMC Beetgumermolen • MMC Coevorden • MMC Hoenderloo II (JHL ISK) • MMC Ritthem • MMC Ruinen • MMC Staphorst • MMC Veenhuizen |
Binnen bestaande opslaglocaties |
|
|
1b |
Munitie |
Opslaan |
De Joint Hoofdlocaties • JHL Den Helder • JHL ASK De vliegbases • Gilze-Rijen • Volkel |
Binnen bestaande opslaglocaties |
|
|
1c |
Brandstoffen, waaronder diesel, benzine en kerosine, en bedrijfsstoffen of artikelen met gevarenklassen 2.1, 2.2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 8 en 9 |
Opslaan |
• LC Bathmen • Locaties Smeerenburg en Spitsbergen op Complex Nieuwe Haven (Den Helder) |
Binnen bestaande opslaglocaties |
|
|
2a |
Munitie |
Vervoeren in niet planbare situaties |
• Spoor • Binnenwater • Weg |
Noodzakelijk ter ondersteuning van: • opleiden, trainen en oefenen, of • host nation support |
|
|
2b |
Munitie |
Transport |
• Tussen militaire objecten • Leveringen aan militaire objecten |
In Nederland |
|
|
3a |
Gevaarlijke stoffen |
Vervoeren in niet planbare situaties |
• Spoor • Binnenwater • Weg |
Noodzakelijk ter ondersteuning van: • opleiden, trainen en oefenen, of • host nation support |
|
|
3b |
Gevaarlijke stoffen |
Transport |
• Tussen militaire objecten • Leveringen aan militaire objecten |
In Nederland |
|
|
4 |
Gevaarlijke stoffen of materialen |
Overslaan |
• LC Bathmen • Locaties Smeerenburg en Spitsbergen op Complex Nieuwe Haven (Den Helder) |
Op de locatie |
|
|
5 |
Munitie |
Overslaan |
Vliegbases • Eindhoven Havens • Den Helder • Eemshaven • Rotterdam • Vlissingen |
Op de locatie |
|
|
6 |
Munitie |
Tijdelijk opstellen, stallen voor transport of klaarzetten |
Vliegbases • Eindhoven Havens • Den Helder • Eemshaven • Rotterdam • Vlissingen Munitiemagazijncomplexen: • MMC Veenhuizen |
Op de locatie |
|
|
7 |
Kruit |
Verbranden |
• Artillerie Schietkamp • Infanterie Schietkamp • Locatie Coevorden • Complex Nieuwe Haven (Den Helder) |
Op de locatie |
|
|
G |
Transport en mobiliteit |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
Militaire schepen met munitie |
Dubbel afmeren |
Complex Nieuwe Haven (Den Helder) |
Op de locatie |
||
|
H |
Legering toename |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1 |
Bestaande gebouwen en bouwwerken |
Uitbreiden en gebruiken legeringscapaciteit |
Militaire terreinen |
Op de locatie |
|
|
2 |
Niet-permanente kampementen |
Inrichten voor legerings- en opleidingsdoelen |
Militaire terreinen |
Op de locatie |
|
|
I |
Bouw, sloop en instandhouding |
Activiteit |
Locatie |
Begrenzing |
|
|
1 |
Nieuwe of gewijzigde bouwwerken en infrastructuur |
Aanleggen, bouwen, verbouwen, slopen, wijzigen en gebruiken |
• Complex Groot Heidekamp • Complex Klein Heidekamp • Kamp Nieuw Milligen • MC Duivelsberg • Oranjekazerne • Vliegbasis Woensdrecht |
Op de locatie |
|
|
2 |
Schietfaciliteiten |
Aanleggen, bouwen, verbouwen, slopen, wijzigen |
• Artillerie Schietkamp • Infanterie Schietkamp • Johannes Postkazerne • Marnewaard • Ruijter van Steveninckkazerne • Schietbaan Arnhemse Heide • Schietbaan Budel • Schietbaan Harderwijk • Schietbaan Heumensoord • Schietbaan Waalsdorp • Schietbaan Witten • Vliegbasis Gilze-Rijen • Vliegbasis Volkel • Vliegbasis Woensdrecht |
Op de locatie |
|
|
3 |
Start- en rolbanen |
Aanleggen, bouwen, verbouwen, slopen, wijzigen |
Vliegbases: • De Kooy • Eindhoven • Gilze-Rijen • Leeuwarden • Volkel • Woensdrecht |
Op de locatie |
|
|
4 |
Opslaglocaties voor munitie en brandstoffen |
Verbouwen, slopen, wijzigen en gebruiken |
• Alphen • Bathmen • Beetgumermolen • Coevorden • Den Helder • Gilze-Rijen • Hoenderloo • Oldebroek • Ritthem • Ruinen • Staphorst • Veenhuizen • Volkel |
Op de locatie |
|
|
5 |
Instandhouding militaire infrastructuur |
Drainage |
• LG Bestkazerne |
Bij de defensielocatie |
|
1. Opstijgen en landen met helikopters en onbemande luchtvaartuigen.
2. Vliegen op lage hoogte met luchtvaartuigen, in laagvlieggebieden of -routes of in andere gebieden.
3. Het opstijgen, vliegen en landen met luchtvaartuigen.
4. Proefdraaien van motoren van luchtvaartuigen op militaire luchthavens.
5. Het onderhouden en proefdraaien van F135 vliegtuigmotoren van F-35 jachtvliegtuigen in de testcell op Vliegbasis Woensdrecht, tot een maximum van 260 runs per jaar.
6. Het opstijgen, vliegen en landen met experimentele luchtvaartuigen.
1. Het buiten de vergunde ruimte, waarmee wordt bedoeld de ruimte die is geborgd in een onherroepelijke omgevingsvergunning die ziet op het gebruik van de locatie voor militaire activiteiten, oefenen met schieten op militaire schietkampen, schietterreinen, schietrange en schietbanen met verschillende wapens en kalibers.
2. Het op militair terreinen beproeven van wapens waarvan de munitie een lange afstand aflegt.
1. Het aanleggen van graven en uitvoeren van graafactiviteiten op en buiten militaire oefenterreinen, al dan niet bij grootschalige oefeningen.
2. Het aanleggen van verzamelgebieden op en buiten militaire oefenterreinen.
1. Het hebben of in gebruik hebben op militaire terreinen van alternatieve energievoorzieningen, (stroom)aggregaten en alternatieve motorpompsystemen ten behoeve van de continuïteit van militaire installaties.
2. Het vergroten van de capaciteit van bestaande en nieuwe kabels en leidingen, het uitvoeren, het werken, het gebruiken en intensiveren van het gebruik van kabels en leidingen.
1. Oefenen met op hoge snelheid varen met kleine en grote militaire vaartuigen op Nederlandse binnenwateren.
2. Amfibisch oefenen, landen en doorstoten op de Nederlandse kust en binnenwateren, voor nader door Onze Minister te bepalen duur en een aangewezen locatie anders dan in bijlage I, onder E, onderdeel 1.
3. Het buiten militaire terreinen testen, opleiden, trainen, oefenen met, alsmede het gebruiken dan wel bestrijden van onbemande luchtvaartuigen.
1. Het (ver)bouwen van magazijnen ten behoeve van opslag van munitie (gevarenklasse 1) op militaire terreinen.
2. Het (ver)bouwen van magazijnen ten behoeve van opslag van gevaarlijke stoffen of artikelen (gevarenklasse 2 t/m 9) op militaire terreinen.
3. Het overslaan van munitie of gevaarlijke stoffen en/of materialen ten behoeve van defensiedoeleinden.
4. Het (tijdelijk) opstellen van munitietransport of het klaarzetten daartoe en het transport van gevaarlijke stoffen of artikelen en het klaarzetten daartoe.
5. Het binnen en buiten daartoe ingerichte constructies opslaan van munitie (gevarenklasse 1).
6. Het binnen en buiten daartoe ingerichte constructies opslaan van gevaarlijke stoffen of artikelen (gevarenklasse 2 t/m 9).
7. Kruit verbranden op aan te wijzen locaties.
1. Het afmeren van militaire vaartuigen of door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht gebruikte of dienende vaartuigen in zeehavens.
2. Oefenen met transport over de weg en de lucht voor logistieke doeleinden.
3. Rijden met militaire voertuigen of voor de militaire taak dienende voertuigen binnen en buiten defensieterreinen.
4. Het beschikbaar stellen van locaties en objecten voor laden en lossen ten behoeve van doorvoer van materieel en voorraden, waaronder munitie, van militaire eenheden.
5. Gebruik en transport ten behoeve van doorvoer van materieel en voorraden, waaronder munitie, van militaire eenheden.
6. Aanpassingen van infrastructuur ten behoeve van militaire mobiliteit over de weg of het spoor.
1. Uitbreiden en gebruiken van legeringscapaciteit in bestaande gebouwen en bouwwerken buiten militaire terreinen.
2. Het inrichten en gebruiken van bouwwerken, militaire terreinen en kampementen voor legerings- en opleidingsdoeleinden buiten militaire terreinen.
1. Het aanleggen en gebruiken van infrastructurele voorzieningen op militaire terreinen en militaire objecten of daarbuiten.
2. Het bouwen, slopen, wijzigen en gebruiken van bouwwerken, infrastructuur en het herindelen van militaire terreinen, militaire objecten en locaties daarbuiten.
3. Drainage bij militaire terreinen en militaire objecten en het lozen van aan grondwater onttrokken water op oppervlaktewater.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36970-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.