26 448 Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)

Nr. 896 BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 juni 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 10 mei 2026 een brief ontvangen van L. te W. over het beleid ten aanzien van de Wajong. In de procedurevergadering van 19 mei 2026 heeft de commissie aan mij gevraagd een reactie op deze brief te geven.

Ik heb de brief over haar persoonlijke situatie en haar visie op de Wajong aandachtig gelezen. Zij beschrijft de gezondheidsklachten waarmee zij kampt en de moeilijkheden die zij ervaart bij het afronden van haar studie en het vinden van werk. Ik begrijp uit de brief dat deze situatie haar veel onzekerheid en stress oplevert. Het is bewonderenswaardig hoe brievenschrijfster blijft zoeken naar wegen om haar leven vorm te geven, haar vwo-diploma heeft gehaald en inmiddels – met de steun van een hulphond – stap voor stap verder komt in de bachelorstudie die zij nu met studiefinanciering volgt. In deze brief ga ik in op de punten die zij naar voren brengt.

De kaders van de Wajong

Brievenschrijfster geeft aan dat zij momenteel in afwachting is van de beslissing op haar Wajong-aanvraag, maar dat de betrokken verzekeringsarts waarschijnlijk zal concluderen dat zij in staat is om vier uur per dag te werken. Dit voelt voor brievenschrijfster als onrechtvaardig, omdat zij de praktijk van de arbeidsmarkt heel anders ervaart.

Zoals brievenschrijfster in haar brief reeds opmerkt, is de Wet Wajong in 2015 gewijzigd. Sindsdien is de Wajong uitsluitend bedoeld voor mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. Dit betekent dat de uitkering alleen toegankelijk is wanneer vaststaat dat iemand, nu en in de toekomst, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Zodra er sprake is van arbeidsvermogen is toegang tot de Wajong op grond van de huidige wet- en regelgeving niet mogelijk. Als iemand, al dan niet aaneengesloten, ten minste vier uur per dag belastbaar is én aan de andere voorwaarden voor arbeidsvermogen1 is voldaan, bestaat er geen recht op Wajong. Als Minister treed ik niet in individuele beoordelingen van UWV. Indien brievenschrijfster zich niet kan vinden in de formele beslissing op haar aanvraag, wijs ik op de wettelijke mogelijkheid om daartegen bezwaar aan te tekenen bij UWV en daarna beroep bij de rechter.

Participatiewet en Banenafspraak

Brievenschrijfster geeft aan dat zij als zij haar studie heeft afgerond bij een afwijzing van een Wajong-uitkering is aangewezen op de bijstand (Participatiewet). Zij maakt zich zorgen over haar kansen op de arbeidsmarkt, onder meer vanwege haar hulphond. Zij benoemt tevens dat zij een indicatie banenafspraak heeft.

Ik realiseer me terdege dat de stap van studiefinanciering naar de bijstand zwaar weegt, zeker gezien de extra kosten die haar situatie met zich meebrengt. De banenafspraak is daarentegen juist in het leven geroepen voor de groep mensen die arbeidsvermogen hebben, maar door een beperking niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Dit biedt een aantal belangrijke steunpunten. Via de gemeente heeft brievenschrijfster recht op begeleiding, zoals een jobcoach die haar kan ondersteunen bij het werk en helpen bij het bespreekbaar maken en faciliteren van de aanwezigheid van haar hulphond op de werkvloer. Werkgevers die iemand uit de banenafspraak aannemen, kunnen rekenen op financiële voordelen als de no-riskpolis en het loonkostenvoordeel banenafspraak. Ook kunnen er via UWV vergoedingen worden aangevraagd voor werkplekaanpassingen als zij die nodig heeft.

Zorgkosten

Daarnaast uit brievenschrijfster haar zorgen over twee specifieke maatregelen die buiten de Wajong vallen, maar wel haar financiële positie raken. Het betreft het wegvallen van de overgangsregeling voor ongecontracteerde GGZ en het voornemen om de fiscale aftrekbaarheid van specifieke zorgkosten af te schaffen.

Ik begrijp de zorgen van brievenschrijfster en realiseer mij dat deze keuzes financiële impact voor haar kunnen hebben. Naar aanleiding van de motie Stoffer c.s.2 heeft het kabinet in zijn procesbrief van 8 april 2026 aangegeven alle voorgenomen maatregelen in het coalitieakkoord – waaronder het voornemen om de fiscale aftrekbaarheid van specifieke zorgkosten af te schaffen – en uit eerder voorgenomen beleid die ingrijpen op de portemonnee van mensen in de sociale zekerheid en zorg zorgvuldig te willen vormgeven, waarbij oog is voor het totale effect van de maatregelen op het besteedbaar inkomen. De effecten op het besteedbaar inkomen worden onderzocht via CBS-microdata op persoonsniveau en via specifieke voorbeeldsituaties (zoals mensen in de WIA en gepensioneerden).

Hoewel de specifieke regeling voor ongecontracteerde zorg niet apart wordt benoemd in de procesbrief, brengt het kabinet voorts kwalitatief in kaart hoe de zorgmaatregelen effect hebben op de toegang tot zorg en zorgmijding. Het kabinet heeft daarnaast toegezegd in gesprek te gaan met sociale partners, mensen in een kwetsbare positie, zowel vanwege gezondheid als financiële situatie, en het zorg- en welzijnsveld om hen goed te horen, zodat het beeld van wat er nodig is zich verder kan vormen.

De inhoudelijke resultaten van de analyses worden voor het zomerreces aan de Tweede Kamer aangeboden. Het kabinet gebruikt deze inzichten bij de verdere vormgeving van de maatregelen.

Ook is er vanaf 2027 een envelop van 350 miljoen euro beschikbaar voor een tegemoetkoming in zorgkosten van chronisch zieken; de invulling hiervan wordt momenteel uitgewerkt.

Oproep om Wajong aan te passen

Brievenschrijfster doet ten slotte een oproep om de Wajong aan te passen, zodat deze uitkering ook fungeert als vangnet voor mensen die tijdelijk of gedeeltelijk niet inzetbaar zijn.

Ik hecht eraan dat iedereen naar vermogen meedoet op de arbeidsmarkt. De strikte scheiding tussen de Wajong (voor wie nu en in de toekomst niet kan werken) en de Participatiewet (voor wie dat met ondersteuning (deels) wel kan) is een bewuste politieke beleidskeuze. Hoewel we de werking van het stelsel monitoren en signalen zoals die van brievenschrijfster meewegen, is er geen voornemen om de Wajong op korte termijn aan te passen in de door haar voorgestelde richting. In de tweede helft van dit jaar stuur ik u de periodieke rapportage jonggehandicapten, waarin het gevoerde Wajong-beleid in de afgelopen jaren is doorgelicht op doeltreffendheid en doelmatigheid. De rapportage wordt voorzien van een kabinetsreactie. Door prioriteitsstelling is toezending vertraagd.3

Ik ben me bewust van de knelpunten in de Participatiewet voor mensen die niet of niet volledig kunnen werken door een chronische ziekte of een beperking4. Tegelijkertijd wil ik mensen zo veel mogelijk ondersteunen om mee te doen op de arbeidsmarkt of via andere vormen van participatie. Daarom kijk ik hoe ik de Participatiewet kan verbeteren voor mensen die helemaal niet of een beperkt aantal uren kunnen werken. Ik verwacht de Kamer hier in het najaar over te informeren. In de periodieke rapportage Bijstand en Participatie, die in 2027 wordt verwacht, zal het gevoerde beleid over de Participatiewet worden doorgelicht op doeltreffendheid en doelmatigheid. Daar zal ook aandacht zijn voor deze groep.

Ik wens brievenschrijfster succes met de afronding van haar bacheloropleiding en hoop dat zij in de toekomst met de juiste begeleiding een passende plek op de arbeidsmarkt weet te vinden.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen


X Noot
1

Minimaal 1 uur aaneengesloten kunnen werken, over basale werknemersvaardigheden beschikken en één taak in een organisatie kunnen uitvoeren.

X Noot
2

Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 79.

X Noot
3

In de brief van 11 december 2025 (Kamerstukken II 2025/26, 26 448, nr. 861, p. 6) is de eerdere verwachting gemeld dat de periodieke rapportage in het eerste kwartaal van 2026 zou worden gestuurd.

X Noot
4

Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 344.

Naar boven