36 125 Voorstel van wet van het lid Sneller tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het laten vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister met betrekking tot de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie en enkele daarmee verband houdende wijzigingen (Wet verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid Openbaar Ministerie)

F BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2026

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het tweede verslag van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 26 mei 2026 inzake wetsvoorstel 36125 (voorstel van wet van het lid Sneller tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het laten vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister met betrekking tot de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en enkele daarmee verband houdende wijzigingen).1 In dit tweede verslag stellen de leden van de fractie van de PVV enkele vragen aan de regering. De leden van de fractie van de BBB en het lid van de Fractie-Beukering sluiten zich aan bij de gestelde vragen. Met deze brief beantwoord ik deze vragen. De vragen zijn cursief weergegeven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De fractieleden van de PVV vragen de regering welk concreet escalatiepad openstaat voor de Minister wanneer hij signalen ontvangt dat het OM in een gevoelige zaak onrechtmatig of politiek riskant handelt, maar een individuele zaak nog niet onherroepelijk is afgedaan.

Uit het oogpunt van zorgvuldigheid ligt het in een dergelijk geval voor de hand dat de Minister zich eerst door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) laat informeren over de lopende individuele zaak. Wanneer de Minister vervolgens concludeert dat hij het handelen van het OM in die zaak niet voor zijn politieke verantwoordelijkheid kan of wil nemen, dan is de escalatiemogelijkheid de bijzondere aanwijzing krachtens artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Als de Minister een aanwijzing overweegt, stelt hij het College van procureurs-generaal eerst in de gelegenheid een schriftelijk gemotiveerde zienswijze kenbaar te maken (artikel 128, eerste lid van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Indien de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid vervalt, verdwijnt deze escalatiemogelijkheid. Het is voor de Minister dan niet langer mogelijk om ten aanzien van een individuele zaak in een uiterst geval in te grijpen bij het OM. Evengoed vervalt dan voor het parlement de mogelijkheid om het OM ten aanzien van individuele zaken via de Minister ter verantwoording te roepen. Dit geldt zowel voor lopende zaken als voor zaken die onherroepelijk zijn afgedaan. Dat in het wetsvoorstel de inlichtingenplicht van het College van procureurs-generaal richting de Minister in het laatste geval blijft bestaan, doet daaraan niet af. De Minister is immers niet langer bevoegd, en dus ook niet meer verantwoordelijk.

Met het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid verdwijnt een vorm van machtenspreiding bij de strafrechtelijke handhaving. Het kabinet meent dat een goede spreiding van macht (in plaats van concentratie van macht bij het OM) bij uitstek een rechtsstatelijke waarborg is en wijst op het belang van voldoende checks and balances bij de strafrechtelijke handhaving, in het bijzonder met het oog op de toepassing van het opportuniteitsbeginsel. Conform het opportuniteitsbeginsel komt het OM een ruime mate van vrijheid toe om op gronden van algemeen belang van strafvervolging af te zien. Die vrijheid wordt in het huidige systeem van tegenwicht voorzien door de mogelijkheid van democratische controle, maar die zou met dit wetsvoorstel wegvallen.

Is onderzocht in hoeverre de dreiging van een formele aanwijzing invloed heeft gehad op de informele gespreksstructuren tussen het ministerie en het OM, en hoe die structuren veranderen nu die stok achter de deur wegvalt, zo vragen de leden van de PVV aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Dit is niet onderzocht. Niettemin is voorstelbaar dat de enkele aanwezigheid van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid het handelen van het OM beïnvloedt. De bijzondere aanwijzingsbevoegdheid brengt immers met zich dat het OM al zijn handelen in individuele zaken gevraagd en ongevraagd moet kunnen uitleggen aan de Minister, en de Minister – zover het belang van een lopende zaak zich daar niet tegen verzet – op zijn beurt aan het parlement. Op deze wijze draagt de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid bij aan het stelsel van checks and balances waarin democratische controle op het handelen van het OM gestalte krijgt. Het OM dient zich via de ministeriële verantwoordelijkheid rekenschap te geven of zijn beslissingen uitlegbaar zijn aan de samenleving.

Kan de regering aangeven of er na de inwerkingtreding wordt voorzien in overgangsdocumenten, nieuwe protocollen of een evaluatiemoment?

Het wetsvoorstel voorziet niet in een evaluatiemoment of een bepaling voor overgangsrecht. Wel vermeldt de initiatiefnemer in de memorie van toelichting dat het wetsvoorstel noopt tot aanpassing van het Reglement van Orde van het College van procureurs-generaal en dat beleidsregels die eisen dat voornemens tot vervolging worden voorgelegd aan de Minister moeten worden aangepast. Wat de regering betreft gaat het om een ingrijpende wijziging en is diepgaander onderzoek nodig of en hoe een grotere onafhankelijkheid van het OM kan worden gerealiseerd zonder afbreuk te doen aan de democratische controle op het OM en wat de gevolgen zijn van de eventuele afschaffing van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.

Hoe verhoudt de combinatie van deze mechanismen zich tot situaties waar het maatschappelijk belang van een strafzaak zodanig groot is dat het parlement toch ministerieel ingrijpen zou verlangen, zo vragen de leden van de PVV aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Indien de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid vervalt, verdwijnt de mogelijkheid van ministerieel ingrijpen. Ook wanneer er brede parlementaire steun zou zijn voor ministerieel ingrijpen. De regering merkt daarbij op dat de door de initiatiefnemer genoemde toezichtsmechanismen een sterk juridisch karakter hebben. Conform het opportuniteitsbeginsel komt het OM een ruime mate van vrijheid toe om op gronden van algemeen belang van strafvervolging af te zien. Toepassing van het opportuniteitsbeginsel vraagt dan ook om een bredere afweging, waarbij ook andere dan juridische factoren betrokken worden, zoals het maatschappelijk belang. Zo is in het verleden een bijzondere aanwijzing gegeven door toenmalig Minister van Justitie Sorgdrager teneinde jurisprudentie te verkrijgen over euthanasie, wat voor de ontwikkeling van de euthanasiepraktijk van groot belang is geweest. Het is de vraag of de door de initiatiefnemer genoemde vormen van toezicht zo zijn ingericht dat deze legitieme, bredere belangen voldoende kunnen worden meegewogen.

Over uitvoeringskosten stellen de leden van de PVV-fractie de volgende vragen aan zowel de regering als de initiatiefnemer. Is een formele uitvoeringstoets of bedrijfseffectentoets uitgevoerd? Zo nee, waarom niet, gezien de vereisten van artikel 3.1 sub c van de Comptabiliteitswet?

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze toetsen. Het is het kabinet niet bekend of deze toetsen zijn uitgevoerd.

Heeft het OM expliciet bevestigd dat geen bijscholing, procedurele aanpassingen of aanpassingen van ICT-systemen nodig zijn na inwerkingtreding?

Na afstemming met het OM kan ik hierover het volgende opmerken. Met het initiatiefwetsvoorstel beoogt de initiatiefnemer het OM een meer zelfstandige positie te geven ten opzichte van de Minister. Dit leidt onder meer tot een beperking van de wettelijke informatieplicht van het OM ten opzichte van de Minister. Zoals reeds aangegeven is wat de regering betreft nader onderzoek nodig naar de precieze gevolgen van de afschaffing van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid. Dat betreft ook de gevolgen waarop deze leden doelen.

Op welke wijze kan een burger of bedrijf, dat meent slachtoffer te zijn van een ongegronde of disproportionele vervolging, sneller een correctie afdwingen dan via de huidige reactieve wegen2, zo vragen de leden van de PVV-fractie aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Indien een burger of bedrijf meent zelf onterecht te worden vervolgd dan is het aan de rechter om hierover een oordeel te vellen. Bij dagvaarding kan de desbetreffende burger of het desbetreffende bedrijf vóór de openbare terechtzitting een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank en zo – na gegrondverklaring – voorkomen dat de strafzaak in het openbaar wordt behandeld. In de andere situatie dat het OM een strafbeschikking uitvaardigt kan hiertegen verzet worden aangetekend. Een officier van justitie kan vervolgens de strafbeschikking intrekken of wijzigen of voorleggen aan de rechter. Indien de officier de strafbeschikking wijzigt kan de verdachte ervoor kiezen de zaak alsnog voor te leggen aan de rechter. Artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt een rechtstreeks belanghebbende – waaronder burgers en bedrijven die slachtoffer zijn van een delict – de mogelijkheid om beklag in te dienen bij het gerechtshof tegen het niet (verder) vervolgen van een strafbaar feit of – in plaats van dagvaarding – de vervolging te laten plaatsvinden door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

Daarnaast kan een burger of bedrijf een klacht indienen bij het OM. Klachten richten zich op een niet behoorlijke behandeling door het OM en gelden in beginsel niet voor door het OM genomen juridische beslissingen. Vervolgens kan een klacht worden ingediend bij de Nationale ombudsman indien de klager niet tevreden is over de klachtafhandeling door het OM.

Tot slot stellen de leden van de PVV-fractie nog enkele overkoepelende vragen aan zowel de regering als de initiatiefnemer. Wie is de eindverantwoordelijke instantie wanneer het OM aantoonbaar faalt in een individuele zaak met grote publieke impact, maar geen van de bestaande mechanismen snel genoeg of met voldoende gezag kan ingrijpen? Hoe is dit democratisch verankerd zonder de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid?

In de huidige situatie is de Minister verantwoordelijk voor het handelen van het OM in individuele zaken. Met het verval van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid zou deze belangrijke «check» op het handelen van het OM in individuele zaken verdwijnen. Het OM kan dan niet langer democratisch ter verantwoording worden geroepen ten aanzien van zijn handelen in individuele zaken.

Daarmee ontstaat naar het oordeel van de regering een lacune in het toezicht op het OM, die slechts beperkt kan worden ondervangen door rechterlijke controle of ander toezicht. Dit knelt temeer nu aan het OM conform het opportuniteitsbeginsel een ruime mate van vrijheid toekomt om op gronden van algemeen belang van strafvervolging af te zien. Die vrijheid wordt in het huidige systeem van tegenwicht voorzien door de mogelijkheid van democratische controle, maar die zou met dit wetsvoorstel wegvallen.

De andere vorm van tegenwicht, de rechterlijke controle die op grond van artikel 12 Sv door het gerechtshof kan worden uitgeoefend, biedt niet altijd uitkomst, alleen al omdat er een rechtstreeks belanghebbende moet zijn die beklag instelt.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel


X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, 36 125, B.

X Noot
2

Artikel 12 Wetboek van Strafvordering

Naar boven