Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 april 2026
Mede namens de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening informeer ik
u over het volgende.
Het geluid van hoofdspoorwegen wordt beheerst met een systeem van geluidproductieplafonds.
Daarmee worden omwonenden blijvend beschermd tegen een te grote toename van het geluid,
omdat de spoorbeheerder ervoor moet zorgen dat het geluid onder het plafond blijft.
Tegelijkertijd is met de geluidproductieplafonds ook de geluidruimte vastgelegd die
de beheerder heeft voor toekomstige vervoersontwikkelingen. Daarom moet bij woningbouwplannen
rekening worden gehouden met het geluid dat binnen de geluidproductieplafonds mogelijk
is.
Op veel spoortrajecten is in de afgelopen jaren juist sprake geweest van een afname
van het geluid, als resultaat van investeringen die de spoorsector heeft gedaan in
stillere treinen en stiller spoor. De geluidregelgeving voorziet erin dat de bestaande
geluidruimte kan worden verkleind als er, zoals nu, sprake is van succesvol bronbeleid.
Daarom verlaag ik op een groot aantal plekken geluidproductieplafonds langs het spoor.
Er ontstaat zo meer ruimte voor woningbouw: die kan dichter bij het spoor plaatsvinden
en in sommige gevallen zijn minder geluidmaatregelen nodig. De verlaging van de geluidproductieplafonds
draagt bij aan het voornemen van het kabinet om projectontwikkelaars, aannemers en
opdrachtgevers zoals corporaties ruim baan te geven om het woningtekort te verkleinen.
In 2024 bleek uit een evaluatie van de bestaande geluidruimte1 dat langs een aanzienlijk deel van het hoofdspoornet verlaging van de geluidproductieplafonds
mogelijk is. Daaropvolgend is in oktober 2025 een ontwerpbesluit gepubliceerd waarin
de verlaging van de geluidproductieplafonds verder is uitgewerkt. Naar aanleiding
daarvan is een aantal zienswijzen ingediend, die voor een deel hebben geleid tot aanpassing
van het besluit. Het huidige besluit leidt tot verlaging van 46% van alle geluidproductieplafonds,
waarbij de verlaging gemiddeld 2,9 dB bedraagt.
De grootschalige verlaging van geluidproductieplafonds is mogelijk dankzij investeringen
die in de afgelopen jaren vanuit het Rijk en de spoorsector zijn gedaan in stiller
spoor en stiller treinmaterieel, waar nu voor de woningbouwopgave de vruchten van
kunnen worden geplukt. Bij de invoering van de plafondsystematiek, destijds onder
de Wet milieubeheer, is benadrukt dat als geluidruimte ontstaat doordat spoorvervoerders
geïnvesteerd hebben in stillere treinen, ten minste een deel van deze ruimte bedoeld
is voor vervoersontwikkelingen.2 Zo wordt met dit besluit ook bijgedragen aan de groei en toekomstbestendigheid van
ons treinvervoer. Daarom vormen hoge toekomstscenario’s voor het spoorvervoer het
uitgangspunt voor de berekeningen die ten grondslag liggen aan de verlaging.
Met het besluit voor de verlaging van geluidproductieplafonds is een evenwicht gevonden
tussen zowel de belangen van spoorvervoerders als die van gemeenten en ontwikkelaars.
Dit besluit is ook vermeld in de actieagenda STOER, gericht op het vereenvoudigen
van de woningbouwopgave. Met de plafondverlaging wordt ruimte gemaakt voor meer woningbouw,
blijven noodzakelijke ontwikkelingen op het spoor mogelijk en blijft de gezondheid
van omwonenden beschermd.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram