36 917 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau

Nr. 7 VERSLAG

Vastgesteld 28 april 2026

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

I.

Algemeen

2

1.

Inleiding

3

2.

Hoofdlijnen van het voorstel

4

2.1

Aanleiding

4

2.2

Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en investering

4

2.3

Schaalvergroting

8

2.4

Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan op lokaal niveau

11

2.5

Aanscherping van de aanwijzingsprocedure

11

2.6

Overige vereisten lokale publieke omroepen

13

2.7

Commissariaat voor de Media

13

3.

Verhouding tot hoger recht

13

4.

Verhouding tot nationaal recht

13

4.2

Wet normering topinkomens

13

5.

Gevolgen

14

5.1

Gevolgen voor de regeldruk

14

5.2

Gevolgen voor gemeenten

14

6.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

14

6.1

NLPO

14

6.2

Commissariaat voor de Media

15

6.3

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

15

7.

Financiële gevolgen

16

8.

Evaluatie

16

9.

Advies en consultatie

17

9.2

Autoriteit Persoonsgegevens

17

9.3

Internetconsultatie

17

10.

Overgangsrecht en inwerkingtreding

18

II.

Artikelsgewijs

18

 

Artikel I, onderdeel O

18

 

Artikel 2.87l

18

 

Artikel 2.87n

18

I. Algemeen

De leden van de D66-fractie onderschrijven het doel van het wetsvoorstel om te komen tot het fundamenteel verstevigen van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. De lokale omroepen hebben een ontzettend belangrijke functie in het zorgen voor lokale verbinding, het voorzien in lokaal nieuws en het doen van journalistiek onderzoek. Doordat lokale omroepen hun functies niet altijd goed kunnen uitoefenen en hun werk onder druk staat, is het belangrijk om de positie van lokale omroepen te verstevigen. Deze leden zullen hierover verdere vragen stellen aan de regering.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Deze leden onderschrijven het belang van een goed functionerend lokaal mediastelsel. Zij hechten grote waarde aan de belangrijke maatschappelijke functie die lokale publieke omroepen vervullen in het informeren van inwoners, het versterken van de lokale democratie en het controleren van het lokaal bestuur. Maar, zo constateren deze leden, de lokale publieke omroepen staan onder druk waardoor de continuïteit en professionele kwaliteit in het geding komen. Dit heeft onder andere te maken met financiële kwetsbaarheid. Deze leden verwachten dat het wetsvoorstel kan bijdragen aan versterking van de lokale publieke media. Zij hebben wel nog enkele opmerkingen en vragen bij het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met enige zorg kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hechten aan een sterke lokale journalistiek die fungeert als waakhond voor de lokale overheid en belangrijk is in gemeenschappen. Zij zien graag een nauwere samenwerking tussen lokale, regionale en landelijke publieke omroepen, maar huns inziens moeten lokale en regionale media meer (financiële) mogelijkheden krijgen om te innoveren, onder andere om apps en online platforms te ontwikkelen. In hoeverre deelt de regering deze mening?

De leden van de PVV-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen en hebben nog enkele vragen aan de regering. De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom er gekozen wordt voor het drastisch verminderen van het aantal lokale omroepen en of de regering niet vreest dat hiermee tekort wordt gedaan aan de identiteit en eigenheid van de lokale omroep. Deze leden vragen de regering waarom gekozen is om de financiële middelen voor de lokale omroepen te centraliseren en of de regering niet vreest dat deze centralisatie de binding tussen lokale omroep en haar regio verslechterd. Zij vragen de regering hoe groot een lokale omroep mag worden qua omvang en of, zonder duidelijke afbakening, lokale omroepen niet sterk kunnen gaan lijken op de regionale omroepen. Deze leden vragen aan de regering of de scherpere eisen aan de professionaliteit van de lokale omroepen er niet toe zullen leiden dat authentiek, afwijkend of lokaal geluid zal wijken voor de mainstream media die beter hun weg weten te vinden naar de bureaucratie die belast is met de aanwijzing en het toezicht.

De leden van de PVV-fractie vragen aan de regering welk deel van het budget voor lokale omroepen zal worden gebruikt om alle extra bestuursfuncties die deze wetswijziging zal creëren, zoals bij de Stichting NLPO1 of het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat), te financieren.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Deze leden zijn groot voorstander van een sterke lokale media. Zij voorzien burgers immers van lokaal nieuws en zorgen voor lokale verbinding. Zij vinden het essentieel dat de nieuwe streekomroepen verbonden blijven met hun lokale omgeving en stevig verankerd zijn in stad en streek. Kan de regering hier haar visie op geven? Denken zij dat dit met dit wetsvoorstel voldoende borgt? Deze leden vragen om een duidelijke uitleg over welke aspecten via delegatiebepalingen worden geregeld en waar deze precies zijn vastgelegd, zodat dit tijdens de plenaire behandeling helder is.

De leden van de BBB-fractie hebben de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau gelezen en zij hebben daarover nog vragen en opmerkingen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het belangrijk dat een duidelijker en stabieler kader ontstaat voor het functioneren van de lokale omroepen, maar zij hebben vragen of de beoogde doelstellingen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. Bovendien vinden zij het belangrijk dat het wetsvoorstel voldoende ruimte biedt om het verzorgingsgebied van de lokale omroepen te kunnen laten aansluiten bij de lokale cultuur en omstandigheden zonder gehinderd te worden door een gefixeerde norm van tachtig regio’s.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat lokale omroepen van cruciaal belang zijn voor de lokale nieuwsvoorziening en de lokale democratie. Zij hechten dan ook aan een sterke positie van deze lokale omroepen en onderschrijven het doel van de regering met dit wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een aantal vragen.

1. Inleiding

Een belangrijk element in het wetsvoorstel behelst dat de gebieden waarvoor lokale publieke omroepen media-aanbod verzorgen, groter worden en in samenhang daarmee wordt het aantal lokale publieke omroepen teruggebracht van ruim tweehonderdtwintig nu naar maximaal tachtig. In sommige gebieden zal men zo’n bundeling vooral ervaren als een versterking van het media-aanbod. Dat is echter niet per se overal het geval, mede doordat men verzorgingsgebieden van de lokale omroepen die straks samen worden gebundeld, beleeft als te zeer verschillend. De Raad van State had geadviseerd om voor de omroepgebieden sowieso geen aantal in de wet op te nemen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben hierbij enkele vragen. Waarom heeft de regering niet de voorkeur gegeven aan een zekere bandbreedte, bijvoorbeeld van tachtig tot negentig lokale publieke omroepen? Gaan alle huidige lokale omroepen akkoord met de manier waarop zij aan een verzorgingsgebied worden gebonden? Zo neen, in welke gebieden maken huidige lokale publieke omroepen dan bezwaar? En welke gronden voert bij deze regionale omroepen men hiervoor aan? Wat heeft de regering overwogen om tegemoet te komen aan bezwaren?

2. Hoofdlijnen van het voorstel

2.1 Aanleiding

In 2024 sprak een overgrote meerderheid van de Kamer uit dat de media een belangrijk fundament vormen voor een goed functionerende democratie en dat de overheid hen moet faciliteren om hun werk goed te doen.2 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat dit onverkort moet gelden voor lokale publieke media en een goed functionerende lokale democratie. Als de regering deze mening deelt, hoe wil de regering dan met het onderhavige wetsvoorstel de versterking van de lokale journalistiek wettelijk waarborgen? Moeten de journalistieke taken van de lokale publieke omroepen dan niet expliciet in de wet worden vastgelegd? Hoe denkt de regering over de mogelijkheid om ergens vast te leggen dat per gemeente in het verzorgingsgebied één betaalde kracht zou moeten zijn die ermee belast wordt om de gemeenteraad te controleren en erover verslag te leggen?

Nu bepaalt artikel 2.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 dat de kern van de mediaopdracht is dat publieke omroepen een breed en divers publiek voorzien van informatie – waaronder journalistieke inhoud –, cultuur en educatie, via alle beschikbare aanbodkanalen. Wat wordt de mediaopdracht aan de lokale publieke media en welke wetsartikelen in het onderhavige wetsvoorstel gaan deze mediaopdracht waarborgen? Welk aanvullend structureel bedrag zou ervoor nodig zijn als de Kamer wil borgen – zoals ook de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen – dat de stelselherziening niet leidt tot achteruitgang van de huidige totaal beschikbare middelen voor de lokale journalistiek per streek?

2.2 Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en investering

De leden van de VVD-fractie lezen dat de financiering door gemeenten wordt overgeheveld naar het Rijk. Deze leden delen met de regering dat dit voordelen heeft. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt ingekaderd dan wel geborgd dat de extra beschikbare middelen leiden tot een verbetering van de journalistieke kwaliteit in plaats van op te gaan aan organisatie- en overheadkosten. Heeft de regering daar voorzien in enige vorm van controle op doelmatige uitgave, zo vragen deze leden.

Het uitzenden van reclame wordt, naast publieke bekostiging, genoemd als een mogelijke aanvullende vorm van financiering, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Deze leden staan hier kritisch tegenover en juichen toe dat de regering ervoor kiest dit niet verder aan te moedigen, mede gelet op de mogelijke effecten op de positie van lokale commerciële media-aanbieders. Tegelijkertijd vragen genoemde leden waarom dan niet voor een expliciet verbod op het uitzenden van reclame door lokale publieke omroepen wordt gekozen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering heeft getracht zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij de verschillende, op onderdelen uiteenlopende, adviezen over de bekostiging van lokale publieke omroepen en vragen hoe de regering tot de gekozen hoogte van de bekostiging is gekomen en waarop de conclusie is gebaseerd dat deze toereikend is. Kan de regering nader toelichten op welke wijze aan de adviezen invulling is gegeven?

Verder lezen de leden van de VVD-fractie dat het aansluiten bij de adviezen is gebeurd «met inachtneming van de uitkomsten van politieke besluitvorming over de beschikbaarstelling van middelen» en vragen de regering nader toe te lichten hoe die uitkomsten in acht zijn genomen.

De leden van de VVD-fractie lezen dat voor de reservevorming van lokale publieke omroepen een limiet is gesteld van tien procent van de uitgaven per jaar. Deze leden wijzen erop dat in artikel 6 van het DAEB3-vrijstellingsbesluit wordt uitgegaan van een maximum van tien procent van de jaarcompensatie. Zij vragen waarom in het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een ander uitgangspunt en hoe deze keuze zich verhoudt tot het DAEB-vrijstellingsbesluit.

De leden van de VVD-fractie lezen dat op basis van de grondslag om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de inhoud en inrichting van de jaarrekening voor de NLPO en de lokale publieke omroepen een gedetailleerd handboek financiële verantwoording zal worden opgesteld. Het voornemen is eveneens om in dit handboek mogelijkheden te creëren voor lokale omroepen om voorzieningen te treffen, zo lezen deze leden. Zij vragen aan de regering welke voorzieningen hierbij moet worden gedacht. Tevens vragen deze leden of voor de vorming van die voorzieningen wordt aangesloten bij de gebruikelijke accountancy-regels betreffende het vormen van voorzieningen.

De leden van de VVD-fractie vinden het positief dat bij de verdeling van de overige zestig procent van het totaalbudget is gekozen voor objectieve maatstaven die het lokale verzorgingsgebied weerspiegelen. Zij vragen echter wel hoe de gekozen kenmerken de taakzwaarte reflecteren. Waarom is het voor lokale publieke omroepen in landelijk gebied relatief kostbaar om alle inwoners te bereiken en waar blijkt dit uit? Daarnaast vragen deze leden waarom een groter aantal kernen zou leiden tot een relatief hogere nieuwsdichtheid en waarop deze aanname is gebaseerd. Tot slot vragen zij of, mede vanuit het oogpunt van eenvoud en transparantie, is overwogen om de verdeling primair te baseren op één kenmerk, namelijk het aantal inwoners, en waarom daar niet voor is gekozen.

Het totaalbudget en de procentuele verdeling worden vijfjaarlijks vastgesteld en de leden van de VVD-fractie vragen waarom is gekozen voor een termijn van vijf jaar. In hoeverre is het mogelijk om binnen die vijf jaar aanpassingen te maken, bijvoorbeeld voor zeer snel groeiende lokale verzorgingsgebieden of grote tussentijdse herindelingen?

Tot slot op dit punt vragen de leden van de VVD-fractie wie toezicht houdt op de financiële verslaglegging door de lokale publieke omroepen.

Het wetsvoorstel beoogt circa € 13 miljoen uit het gemeentefonds over te hevelen naar de mediabegroting. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen om een nadere toelichting bij deze overheveling. Komt dit bedrag straks volledig ten goede van de lokale publieke omroepen. Zo neen, waaraan gaat dit geld dan nog meer worden besteed?

Voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure voor lokale publieke omroepen is voor elk lokaal verzorgingsgebied duidelijk wat het voorgenomen beschikbare budget is voor de gehele komende aanwijzingsprocedure van vijf jaar. Dit zou zorgen voor meer voorspelbaarheid en continuïteit van de bekostiging van lokale publieke omroepen dan nu het geval is. Begrijpen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het goed dat lokale publieke omroepen toch wel iedere vijf jaar ermee rekening moeten houden dat een einde kan komen aan hun bestaan, zodat deze omroepen onvoldoende vooruit kunnen plannen, met alle gevolgen van dien voor de contracten met leveranciers, voor onderhoud en met freelancers? Deze leden zouden dat bezwaarlijk vinden en strijdig met de beoogde fundamentele versteviging van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Hoe denkt de regering over een langere periode dan vijf jaar voor de aanwijzingsduur voor regionale publieke omroepen, zodat ook deze de zekerheid hebben om structureel aan publieke relevantie kunnen werken, talent kunnen vasthouden en serieuze samenwerkingsverbanden kunnen aangaan?

De regering stelt dat er een structurele verhoging van de mediabegroting is met een bedrag van circa € 18 miljoen met ingang van het startjaar van het nieuwe stelsel, in aanvulling op het bedrag dat aan de mediabegroting wordt toegevoegd vanuit het gemeentefonds. De Raad van State stelt dat uit de toelichting onvoldoende duidelijk is of de nieuwe bekostigingswijze daadwerkelijk een versterking van lokale publieke omroepen is. De leden van de CDA-fractie zijn het hiermee eens. Kan de regering toelichten waar het bedrag van € 18 miljoen op gebaseerd is? Waarom is het totaalbedrag van € 31 miljoen toereikend?

De regering verwacht dat gemeenten aanvullend blijven financieren onder het nieuwe systeem, maar de leden van de CDA-fractie benadrukken, zoals ook de Raad van State doet, dat de basis voor deze verwachting onduidelijk is, aangezien sommige taken nu via deze wet worden geregeld. Kan de regering hierop reageren?

In het totaal is er € 31 miljoen beschikbaar. Dan lezen de leden van de CDA-fractie vervolgens dat een deel van het voorziene nieuwe totaalbedrag is bestemd voor de extra uitvoeringslasten die voor de NLPO en het Commissariaat voortvloeien uit dit wetsvoorstel. Kan de regering aangeven hoeveel van het totaalbedrag bestemd is voor de uitvoeringslasten van de NLPO en hoeveel voor de taken van het Commissariaat? Betekent dat het resterende bedrag voor de streekomroepen is?

Worden de administratieve lasten voor de lokale publieke omroepen groter als zij hetzelfde financieringsmodel krijgen als de regionale omroepen? Waarom vindt de regering dit proportioneel? Is in de eerste jaren na de inwerkingtreding van de wet ondersteuning beschikbaar voor de lokale omroepen bij het (verder) professionaliseren?

De regering maakt een keuze in «kenmerken» om de lokale omroepen te bekostigen. In de memorie van toelichting staan hiervoor twee redenen genoemd. Ten eerste zijn dit objectieve maatstaven, waarvoor de gegevens beschikbaar zijn via het CBS4. Ten tweede zijn het maatstaven die de zogeheten «taakzwaarte» reflecteren voor een publieke omroep in een lokaal verzorgingsgebied. De eerste reden kunnen de leden van de CDA-fractie goed volgen. Met betrekking tot de tweede reden willen deze leden graag extra toelichting. Zou de regering dit met een paar voorbeelden kunnen verduidelijken? Zij vragen zich af, of zij het juist begrijpen dat een lokale omroep die een groot gebied bedient, maar relatief weinig inwoners telt, minder financiële middelen krijgt toegewezen via deze nieuwe systematiek?

De budgetten voor de lokale omroepen worden pas vastgesteld zodra de verzorgingsgebieden duidelijk zijn. Kan de regering aangeven bij hoeveel gebieden de indeling nog niet vaststaat en waar dit wel min of meer het geval is, duidelijk is? Wat zijn de achterliggende oorzaken van de problemen bij de gebieden waar de indeling (nog) ontbreekt?

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgestelde overheveling van de financiering van het gemeentefonds naar het Rijk en de bijbehorende investering. Deze leden constateren dat de regering stelt dat het totale budget stijgt ten opzichte van de huidige gemeentelijke bekostiging. Zij wijzen er echter op dat deze vergelijking geen recht doet aan het feitelijke huidige niveau van publieke middelen, aangezien daarin ook de tijdelijke overbruggingsmiddelen van het SVDJ5 zijn opgenomen en eventuele aanvullende gemeentelijke bijdragen. Wanneer deze middelen worden meegewogen, lijkt in de praktijk sprake te zijn van een lager beschikbaar budget voor de lokale journalistiek. De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen dat het wetsvoorstel daarmee in de praktijk kan leiden tot een verslechtering in plaats van een versterking van de lokale journalistiek. Zij hebben daarom de volgende vragen.

Kan de regering aangeven welke streken er in de praktijk financieel op achteruitgaan ten opzichte van het huidige feitelijke niveau van bekostiging, inclusief de middelen van het SVDJ? Aangezien de regering er niet van uitgaat dat gemeenten na 2028 aanvullend blijven bijdragen, hoe wordt voorkomen dat streken die nu mede afhankelijk zijn van dergelijke bijdragen financieel verder terugvallen? Hoe voorkomt de regering dat streken waarin de afgelopen jaren journalistieke capaciteit is opgebouwd, vanaf 2028 juist moeten afschalen? Welk aanvullend structureel bedrag is volgens de regering nodig om te borgen dat de totale beschikbare middelen per streek niet afnemen? Welk aanvullend structureel budget is nodig om dit feitelijke niveau minimaal te behouden? Klopt het dat de publieke bekostiging per inwoner aanzienlijk verschilt tussen landelijke, regionale en lokale omroepen en hoe rechtvaardigt de regering deze verhouding? Hoe verhoudt de bekostiging van grote lokale verzorgingsgebieden zich tot die van regionale omroepen en acht de regering dit in lijn met de publieke mediaopdracht? Is de regering bereid om vóór openstelling van de aanwijzingsprocedure een volledige financiële doorrekening per streek met de Kamer te delen?

De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering in de loop der jaren verschillende verdeelsleutels heeft ontvangen ten behoeve van de bepaling van het budget dat de lokale omroepen minimaal nodig zouden hebben om hun taken uit te kunnen voeren. Deze leden constateren dat de regering vervolgens besloten heeft helemaal geen inhoudelijke verdeelsleutel op te nemen en enkel uit te gaan van de verdeling van het beschikbare budget. Daardoor is niet goed te bepalen wat de inhoudelijke normen zijn die de toereikende uitvoering schragen en waarborgen. Zij vragen waarom de regering dit acceptabel acht.

De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil ingaan op de berekening die de Stichting NLPO onder punt 1 en de bijlagen van de position paper toelicht, waarbij in plaats van een verhoging juist minder aanvullende ruimte zou bestaan dan nu het geval is en waarbij 73 van de 80 omroepen lager uitkomen dan het huidige niveau van de bekostiging.6

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering een vergelijkbare systematiek toepast ten aanzien van aanvullende gemeentelijke subsidies door te vereisen dat het gemeentelijke budget voorafgaand aan de aanwijzingsperiode wordt vastgesteld. Deze keuze komt hen niet logisch voor, aangezien de gemeentelijke subsidie niet langer de basis is waarop het bestaan van de lokale omroepen rust. Sterker nog, de regering gaat er in beginsel vanuit dat gemeenten geen extra middelen bijdragen. Deze leden vragen waarom het met het oog op het bieden van maximale flexibiliteit en het creëren van zoveel mogelijk ruimte voor lokale omroepen niet wenselijk zou zijn om gemeenten jaarlijks de mogelijkheid te bieden om aanvullende subsidie te verstrekken, waarbij het Commissariaat altijd kan toezien of sprake zou van oneigenlijke druk. Zij wijzen erop dat juist de samenwerking ten behoeve van meerdere gemeenten in de nieuwe lokale omroepen het risico beperkt dat sprake zou zijn van oneigenlijke druk vanuit een enkele gemeente. Zij vragen ook hierop reactie.

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de regering zorgt voor een structurele verhoging van de mediabegroting met een bedrag van circa € 18 miljoen zodra deze is overgeheveld van het gemeentefonds naar het Rijk. Deze leden merken desondanks op dat de Raad van State stelt dat uit het wetsvoorstel en de toelichting onvoldoende blijkt dat de bekostiging straks toereikend is. Ook de NLPO en het Commissariaat uiten dergelijke zorgen. Tevens wijzen deze leden op de aangenomen motie Ceder c.s.7 over het voorkomen dat lokale omroepen vanaf 2028 minder ontvangen dan nu. Zij vragen naar de uitvoering van deze motie. Volgens berekeningen van de NLPO8 gaan de omroepen in de verzorgingsgebieden er veelal op achteruit. Heeft de regering ook zelf dergelijke berekeningen gemaakt? Kan de regering onderbouwen hoe is geborgd dat dat de lokale omroepen vanaf 2028 per saldo niet minder geld ontvangen dan nu? In dat kader vragen deze leden de regering om een overzicht van de bekostiging per verzorgingsgebied, waarin ook andere inkomsten worden meegenomen zoals de overbruggingsmiddelen die mede door dit wetsvoorstel worden gewijzigd of komen te vervallen.

2.3 Schaalvergroting

De leden van de D66-fractie onderschrijven dat de veelheid aan kleine(re) omroepen stabiliteit en doelmatigheid in de weg staat. Deze leden lezen dat onder regie van Stichting NLPO met betrokkenheid van lokale publieke omroepen en gemeenten een indeling van tachtig verzorgingsgebieden tot stand is gekomen. Echter vragen zij met welke reden ook dit exacte getal is overgenomen als wettelijk maximum. Zij vragen de regering of het niet wenselijker zou zijn om het maximumaantal hoger te leggen om nog enige speling te behouden, in het geval dat blijkt dat een gebied toch te groot is of onvoldoende een eigen sociaal-culturele, economische en geografische identiteit heeft, zoals ook de Raad van State opmerkt.

Bij lokale omroepen is vaak ook sprake van de inzet van vrijwilligers, die veel lokale kennis en lokale netwerken hebben die van belang kunnen zijn voor lokale nieuwsvoorziening. Zij zijn vaak goed op de hoogte van de lokale context en de bijbehorende historie. De leden van de D66-fractie lezen dat de schaalvergroting een verwacht positief effect zal hebben op de essentiële inzet van vrijwilligers door de lokale publieke omroepen, en dat lokale binding behouden kan blijven. Echter bestaan er bij deze leden nog enkele zorgen over de binding tussen lokale vrijwilligers en de omroepen bij een schaalvergroting. Daartoe vragen deze leden hoe gewaarborgd gaat worden dat lokale zichtbaarheid en betrokkenheid niet afneemt, doordat er meer werk verschuift naar een centrale redactie.

De leden van de VVD-fractie begrijpen de keuze voor schaalvergroting om te komen tot financieel gezonde en professionele lokale publieke omroepen, maar hechten tegelijkertijd belang aan voldoende flexibiliteit om in te kunnen spelen op maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende lokale omstandigheden. Deze leden merken op dat de indeling in de maximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij AMvB9. Zij zijn van mening dat dit flexibiliteit beperkt en toetreding en meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen moeilijk maakt. Zij vragen waarom is gekozen voor deze wettelijke verankering van het aantal verzorgingsgebieden in plaats van meer flexibiliteit te behouden.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering daarnaast nader in te gaan op de criteria die gehanteerd zullen worden bij het indelen van de zogenaamde verzorgingsgebieden. Hoe wordt bijvoorbeeld bepaald welke omroep hier eventueel het voortouw in een eventuele fusieorganisatie krijgt, zo willen deze leden graag weten.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat de indeling in de maximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. De memorie van toelichting vermeldt echter de mogelijkheid van wijziging van de indeling van de verzorgingsgebieden, bijvoorbeeld bij gemeentelijke herindeling of maatschappelijke veranderingen in een of meer verzorgingsgebieden. Deze leden vragen welke ruimte de algemene maatregel van bestuur dan biedt om alsnog af te wijken van het aantal van tachtig verzorgingsgebieden.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen niet dat streekomroepen onbedoeld de schaal van regionale omroepen benaderen en publieke middelen zó ondoelmatig worden besteed. Kan de regering nader toelichten op grond van welke overwegingen zij het advies van de Raad van State niet heeft overgenomen dat een lokaal verzorgingsgebied aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de kleinste betrokken provincie waarbinnen het grondgebied wordt gedeeld?

De regering meent dat het wetsvoorstel de lokale binding bij de opschaling van de verzorgingsgebieden voldoende borgt. De leden van de CDA-fractie willen graag wat meer toelichting op deze borging. Schaalvergroting en professionalisering kan immers ook zorgen voor minder lokale binding en afstand tot vrijwilligers en inwoners van het verzorgingsgebied. Kan de regering eens aangeven of en wat voor mogelijke risico’s zij ziet?

Vindt de regering dat met het onderhavige wetsvoorstel het verschil tussen lokale omroepen (streekomroepen) en regionale omroepen voldoende intact blijft?

De Raad van State adviseert om het maximum van tachtig verzorgingsgebieden niet in de wet vast te leggen, maar om de flexibiliteit te hebben om op basis van de kenbare identiteit en leefgebieden van burgers te komen tot meer dan tachtig verzorgingsgebieden. De regering heeft dit voorstel van de Raad van State niet overgenomen. Kan de regering uiteenzetten waarom zij wil vasthouden aan het maximaal aantal van tachtig verzorgingsgebieden?

Vervolgens regelt dit wetsvoorstel ook dat meer eisen worden gesteld aan de lokale omroepen. Dat begrijpen de leden van de CDA-fractie enerzijds, maar anderzijds vraagt de inwerkingtreding van de onderhavige wet veel voorbereiding en kennis bij lokale omroepen. Denkt de regering dat dit haalbaar en realistisch is?

De leden van de BBB-fractie begrijpen de noodzaak van schaalvergroting, maar maken zich zorgen over de gevolgen hiervan voor de lokale zichtbaarheid en betrokkenheid. Deze leden constateren dat in de praktijk al sprake is van toenemende centralisatie terwijl de formele waarborgen uit het wetsvoorstel nog niet zijn ingericht. Zij signaleren onder meer dat content steeds vaker centraal wordt geproduceerd, dat nieuwe medewerkers niet altijd binding hebben met de lokale gemeenschap en dat lokaal nieuws over afzonderlijke kernen afneemt. Daarnaast zien deze leden dat vrijwilligers en medewerkers met lokale kennis afhaken, wat de kwaliteit en verankering van de lokale journalistiek onder druk zet. Deze leden vrezen dat kleinere kernen in een model met één centrale redactie structureel onderbelicht kunnen raken.

De leden van de BBB-fractie herkennen de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, zoals de adviesrol van gemeenteraden en de eisen aan het beleidsplan van kandidaat-omroepen. Deze leden constateren echter dat in de huidige praktijk dus al sprake is van toenemende centralisatie waarbij lokale zichtbaarheid onder druk staat, terwijl deze waarborgen nog niet van kracht zijn. Zij vragen daarom niet zozeer of er waarborgen zijn, maar hoe effectief deze in de praktijk zullen zijn. Kan de regering toelichten hoe wordt geborgd dat de inbreng van gemeenteraden daadwerkelijk leidt tot aanpassing van plannen van kandidaat-omroepen in plaats van een formele toets achteraf? Hoe wordt voorkomen dat kandidaat-omroepen in beleidsplannen aandacht besteden aan alle kernen maar dat dit in de feitelijke uitvoering alsnog verschraalt? Welke mogelijkheden zijn er om gedurende de aanwijzingsperiode bij te sturen als blijkt dat bepaalde kernen structureel onderbelicht blijven?

De leden van de SGP-fractie vragen waarom het volgens de regering nodig is en voor de hand zou liggen om een zo praktisch voorschrift, bovendien slechts het resultaat van feitelijke ontwikkelingen in de afgelopen jaren, vast te leggen in de wet. Ligt het normaliter niet in de rede dit juist bij AMvB vast te stellen? Deze leden constateren dat de regering ter vergelijking wijst op het wettelijk geregelde aantal van dertien regionale omroepen. Zij vinden deze vergelijking niet terecht. Allereerst bepaalt de wet niet op vergelijkbare wijze het aantal van dertien, maar de aanwijzing van een omroep per provincie. Daar sluit de wet juist aan bij een passende, historisch gegroeide eenheid die in het geval van lokale omroepen ook de bedoeling is maar niet zo eenvoudig in een aantal te vangen. Bovendien geeft alleen het feit dat de afwijking voor Zuid-Holland bestaat aan dat zelfs op dit niveau oog is voor bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. Deze leden vragen of het vanuit de inhoudelijke criteria van de wet niet raadzaam is om ook openheid te houden dat het aantal ook iets meer dan tachtig kan bedragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van State een aantal risico’s benoemt van de schaalvergroting voor de mate waarin lokale publieke omroepen hun publieke functies kunnen uitoefenen. Deze leden vragen of de regering het risico aanwezig acht dat de schaalvergroting, ondanks de waarborgen van de regering, ervoor zorgt dat de lokale publieke omroepen hun publieke functies minder goed kunnen uitoefenen. Op welke wijze wordt dit geëvalueerd?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het nader rapport10 dat de regering schrijft dat lokale publieke omroepen de mogelijkheid hebben om op verschillende manieren programmatisch te differentiëren. Deze leden vragen op welke wijze dit reeds al gebeurt. Hoeveel lokale publieke omroepen zetten al meerdere kanalen of edities in en wat is de verwachting van de regering voor de toekomst?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre ze als risico ziet dat in de praktijk lokale publieke omroepen op bestuurlijk, redactioneel en/of organisatorisch niveau steeds meer verweven raken met regionale publieke omroepen. Hoe waarborgt de regering de zelfstandigheid van de lokale publieke omroepen in de praktijk?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom niet verder is uitgewerkt wat precies het verschil is tussen een regionale en een lokale omroep, behalve het verschil in schaalgrootte. Kan de regering toelichten welke verschillen ze ziet en of ze reden ziet tot betere wettelijke verankering van die verschillen, bijvoorbeeld via een vereiste voor de inhoud van het concessiebeleidsplan zoals het Commissariaat voorstelt?11

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van State adviseert om het maximum van tachtig verzorgingsgebieden niet in de wet vast te leggen. De regering neemt dit advies niet over, waarbij ze onder meer erop wijst dat het maximum van tachtig het resultaat is van een meerderjarig opschalingsproces uit de sector zelf. Deze leden vragen of de regering het in geen geval denkbaar acht dat het later toch wenselijk kan zijn om tot meer verzorgingsgebieden te komen? Zo ja, ligt het dan niet in de rede om het maximumaantal alsnog in een AMvB te verankeren in plaats van op wetsniveau?

2.4 Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan op lokaal niveau

De leden van de VVD-fractie merken op dat het inrichten, in stand houden, beheren, exploiteren en regelen van voor lokale publieke omroepen benodigde faciliteiten, zoals studio’s en distributie-infrastructuren, onderdeel wordt van de wettelijke taak van de NLPO. Deze leden constateren dat dergelijke voorzieningen momenteel ook door marktpartijen worden aangeboden en naar hun beeld aansluiten bij de behoeften van lokale publieke omroepen. Zij vragen wat de reden is om deze taak aan de NLPO toe te wijzen.

Voor het starten, wijzigen of staken van aanbodkanalen hebben regionale omroepen krachtens het derde lid van artikel 2.60m van de Mediawet 2008 ministeriële instemming nodig, maar de lokale omroepen kennen straks niet zo’n verplichting. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat dit samenwerking tussen lokale en regionale omroepen structureel zal bemoeilijken. Hoe staat de regering tegenover de mogelijkheid om de ministeriële instemmingsverplichting uit de Mediawet 2008 te schrappen? Zouden afspraken tussen de NLPO en RPO12 niet wettelijk moeten worden verankerd, nu artikel 2.71 van de Mediawet 2008, dat de grondslag bood voor samenwerkingsovereenkomsten tussen lokale en regionale omroepen, zal komen te vervallen?

De benoemings-, schorsings- en ontslagprocedure van de raad van toezicht en het bestuur van de NLPO wordt aangesloten bij de procedures voor de NPO13 en de RPO in de Mediawet 2008 die sinds 2021 gelden. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit ook betekent dat er wettelijke termijnen van twee keer vier jaar komen voor benoemingen van directie en leden Raden van Toezicht in beide organen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de NLPO, net zoals de RPO, geen sturingsbevoegdheden krijgt. Acht de regering het risico waar het Commissariaat op wijst14, dat het voor de NLPO lastig kan zijn om verandering door te voeren, aanwezig? Is overwogen om de NLPO wel sturingsbevoegdheden te geven? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom ervoor gekozen is dat lokale omroepen zelf geen leden kunnen voordragen voor het College van Omroepen, maar dat de benoeming van de leden gebeurt op voordracht van het College zelf.

2.5 Aanscherping van de aanwijzingsprocedure

De leden van het PBO15 zijn representatief voor de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die in het verzorgingsgebied voorkomen. Het PBO heeft ook de taak om het media-aanbod te bewaken. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of het PBO concrete bevoegdheden krijgt om, wanneer nodig geacht, bij te sturen. Zo ja, welke bevoegdheden zijn dit? Zo nee, op welke wijze wordt het PBO geacht haar taak om het media-aanbod te bewaken concreet uit te voeren?

Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het wetsvoorstel een meer uitgebreide set aan criteria bevat voor aanwijzing van lokale omroepen omdat in de huidige procedure een gebrek aan voldoende wettelijke criteria voor goede toetsing is. Deze leden verzoeken de regering nader toe te lichten aan de hand van welke criteria de NLPO en de gemeenteraad het Commissariaat adviseren bij de aanwijzing van een lokale publieke omroep.

Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat de gemeente in een adviserende rol komt? En dat de NLPO uitgaat van dezelfde wettelijke criteria als de gemeente mochten zich twee of meer aanvragers zich melden? Het lijkt de regering wenselijk dat rekening wordt gehouden met de omvang van een gemeente in het gewicht van het advies van de gemeenteraad. Waarom lijkt de regering dit wenselijk?

De leden van de BBB-fractie heeft een aantal vragen over de onafhankelijkheid van de lokale publieke omroep, in het bijzonder in relatie tot regionale omroepen. Deze leden constateren dat in de praktijk sprake kan zijn van vergaande bestuurlijke en redactionele verwevenheid, met name in grotere steden, waardoor de zelfstandige positie van lokale omroepen onder druk kan komen te staan. Zij achten het van belang dat samenwerking plaatsvindt op basis van gelijkwaardigheid en niet leidt tot afhankelijkheid of feitelijke aansturing door regionale omroepen. Hoe waarborgt de regering dat de zelfstandige positie van lokale publieke omroepen behouden blijft en niet wordt uitgehold door verwevenheid met regionale omroepen? Kan de regering bevestigen dat samenwerking aanvullend is en niet in de plaats kan komen van een zelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht? Hoe voorkomt de regering dat bij de aanwijzingsprocedure feitelijk druk ontstaat richting modellen waarin regionale omroepen een doorslaggevende rol krijgen?

De leden van de BBB-fractie vragen in dit kader nadrukkelijk aandacht voor de omvang en positionering van de beoogde streekomroepen. Zij wijzen erop dat de Afdeling advisering van de Raad van State heeft gewezen op het risico dat streekomroepen qua schaal, bereik en ambitie in de buurt komen van regionale omroepen. Deze leden constateren dat dit risico zich in de praktijk niet louter theoretisch voordoet, maar dat zich reeds situaties voordoen waarin overlap ontstaat tussen de verschillende omroeplagen. Tegen deze achtergrond vragen deze leden de regering dan ook hoe wordt voorkomen dat streekomroepen en regionale omroepen in de praktijk overlappende rollen gaan vervullen, met mogelijke inefficiëntie en spanningen binnen het publieke bestel tot gevolg. Zij vragen voorts waarom het advies van de Raad van State om de afbakeningsnorm aan te scherpen niet is overgenomen en of de regering bereid is alsnog te bezien of het wenselijk is om in de wet explicieter vast te leggen dat lokale verzorgingsgebieden aanmerkelijk kleiner dienen te blijven dan de schaal van provincies zodat het onderscheid tussen lokale en regionale omroepen helder blijft.

Daarnaast vragen de leden van de BBB-fractie hoe wordt voorkomen dat samenwerking tussen lokale en regionale omroepen in de praktijk leidt tot bestuurlijke, organisatorische of redactionele afhankelijkheid van lokale omroepen ten opzichte van regionale partijen. Deze leden verzoeken de regering te bevestigen dat samenwerking aanvullend is en niet in de plaats kan komen van een zelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht en toe te lichten hoe dit in de praktijk wordt geborgd. Voorts vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat in de aanwijzingsprocedure of in de uitvoering van de eerste concessieperiode feitelijk druk ontstaat richting modellen waarin regionale omroepen een doorslaggevende positie krijgen binnen streekomroepen.

2.6 Overige vereisten lokale publieke omroepen

Kan de regering verduidelijken waarop het minimumpercentage van 50 procent voor regionaal aanbod en het minimumpercentage van 50 procent (vereenvoudigen ICE-norm16) voor eigen of in opdracht gemaakte programma’s zijn gebaseerd? Is hier eerder ervaring mee opgedaan? Heeft onderzoek dit uitgewezen?

2.7 Gevolgen voor reikwijdte toezicht Commissariaat voor de Media

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het Commissariaat ook toezicht houdt op de uitvoering van de plannen door de NLPO en de lokale publieke omroepen. Tevens vragen deze leden waarom het Commissariaat pas om advies wordt gevraagd over het concessiebeleidsplan nadat het is vastgesteld. Waarom is er niet voor gekozen om in een eerder stadium het Commissariaat om advies te vragen?

3. Verhouding tot hoger recht

De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering de mogelijkheid openlaat tot vrijwillige aanvullende financiering door gemeenten. Deze leden merken daarbij op dat een belangrijke aanleiding voor dit wetsvoorstel lijkt te zijn dat lokale media minder afhankelijk worden van gemeentelijke financiering. Zij vragen de regering of dat klopt en of zij, in dat licht, met de leden van de VVD-fractie deelt dat het openlaten van de optie tot aanvullende financiering door gemeenten haaks staat op deze aanleiding. Deze leden vragen de regering daarom hoe dit zich verhoudt tot het versterken van de onafhankelijkheid van lokale publieke omroepen en of de regering ziet dan wel onderkent dat hier een risico bestaat tot hernieuwde relaties van afhankelijkheid. Deze leden vragen de regering dan ook hoe dit wordt voorkomen.

Daarbovenop zien de leden van de VVD-fractie risico’s op mogelijke kwaliteitsverschillen tussen de diverse media als gevolg van eventuele aanvullende financiering. Maakt deze aanvullende financiering het risico op kwaliteitsverschillen niet groter, zo vragen deze leden de regering te duiden.

Daarbovenop vragen deze leden de regering hoe hier een gelijk speelveld wordt geborgd tussen commerciële en publieke lokale media. Wanneer is hier een DAEB-vrijstellingsbesluit van toepassing? Worden bepaalde voorwaarden verbonden aan aanvullende financiering door gemeenten? Deze leden vragen de regering dat nader toe te lichten.

4. Verhouding tot nationaal recht

4.2 Wet normering topinkomens

De regering acht het onderbrengen van de lokale publieke omroepen en de NLPO onder de WNT17 dus noodzakelijk en passend. Dat zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie deels met de regering eens, maar dat per lokale publieke omroep een totaalbudget wordt bekostigd, sluit niet uit dat binnen zo’n budget nog meer geld verschuift naar de hogere salarissen, zoals wel vaker gebeurt zodra er een schaalvergroting plaatsvindt. Deze leden zijn er huiverig voor dat zoiets ten koste gaat van de vergoedingen voor de vrijwilligers. Zij vragen of voor lokale publieke omroepen geen lagere normering voor de topinkomens zou moeten gelden dan voor de landelijke publieke omroep.

5. Gevolgen

De Raad van State stelt dat lokale publieke omroepen sterk geworteld zijn in de lokale gemeenschap en dat ze juist door hun kleine schaal en de betrokkenheid van vele vrijwilligers een nauwe band hebben met lokale maatschappelijke en politieke thema’s. De leden van de CDA-fractie delen de mening van de Raad van State en vragen zich af of de sterke toename van administratieve lasten voor lokale publieke omroepen juist hun betrokkenheid en verbinding met lokale maatschappelijke thema’s in de weg zal staan. Ziet de regering ook het punt dat schaalvergroting betrokkenheid en lokale verbinding tenietdoet?

5.1 Gevolgen voor de regeldruk

De leden van de D66-fractie lezen dat de wijziging van de aanwijzingsprocedure zal leiden tot verzwaring van de regeldruk voor kandidaat-omroepen omdat zij in vergelijking met de huidige procedure in meer informatie moeten voorzien en aan meer criteria moeten voldoen. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze geborgd wordt dat deze verzwaarde regeldruk kandidaat-omroepen er niet van weerhoudt om de aanvraag te doen of te voltooien.

5.2 Gevolgen voor gemeenten

Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de regering in haar reactie op de Raad van State uitdrukkelijk stelt dat het wetsvoorstel er niet van uitgaat dat gemeenten ook na 2028 aanvullend blijven bijdragen. Het betreft slechts een mogelijkheid die het wetsvoorstel openlaat. Hoe voorkomt de regering dan dat streken die nu mede op zulke bijdragen steunen na de stelselwijziging alsnog financieel verder terugvallen? Hoe voorkomt de regering dat streken met nu al opgebouwde journalistieke capaciteit vanaf 2028 juist moeten afschalen, terwijl de regering juist beoogt deze te versterken?

De regering concludeert dat «alles bij elkaar» de gemeentelijke taak wordt verduidelijkt en vereenvoudigd». De leden van de CDA-fractie denken dat het gevolg van dit wetsvoorstel ook kan zijn dat gemeenten en daarmee ook de inwoners op grotere afstand van de lokale publieke omroep komen te staan. Ziet de regering dit als een mogelijk gevolg van de invoering van deze wet of juist niet? En waarom dan niet?

6. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

6.1 NLPO

De Stichting NLPO wil, om een zorgvuldige «ingroei» in het nieuwe bestel te kunnen realiseren, blijven werken aan het opbouwen van aanvullende capaciteit en het begeleiden van lokale publieke omroepen met uiteenlopende uitgangsposities. Kan de regering wat meer toelichting geven over de uiteenlopende uitgangsposities van de lokale publieke omroepen? Waar moeten de leden van de CDA-fractie aan denken?

De Stichting NLPO heeft in de uitvoeringstoets een inschatting van de kosten gemaakt in verband met de extra taken. De hoogte van deze bekostiging is echter ook afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden in voorgenomen aanpassingen in lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgen. Wat bedoelt de regering precies? En is dit duidelijk bij de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel?

De leden van de BBB-fractie erkennen dat het PBO een formeel stevige positie krijgt en dat er instrumenten zijn zoals zelfevaluaties en toezicht door het Commissariaat. Tegelijkertijd constateren deze leden dat veel van deze instrumenten een zwaar of indirect karakter hebben (zoals het intrekken van een aanwijzing), en vragen zij zich af hoe effectief tussentijds kan worden bijgestuurd. Zij hebben daarom de volgende vragen.

Welke concrete, lichtere interventiemogelijkheden zijn er wanneer het PBO of andere betrokkenen signaleren dat de lokale zichtbaarheid binnen een verzorgingsgebied onder druk staat? Hoe wordt geborgd dat signalen uit zelfevaluaties daadwerkelijk leiden tot aanpassing in beleid of uitvoering en niet slechts onderdeel worden van verantwoording achteraf? In hoeverre acht de regering het wenselijk dat er aanvullende instrumenten komen om gedurende de aanwijzingsperiode bij te sturen zonder direct naar zware middelen zoals intrekking van de aanwijzing te hoeven grijpen? Deelt de regering de zorg dat de voorgestelde waarborgen vooral vooraf (bij aanwijzing) en achteraf (via toezicht en evaluatie) aangrijpen maar beperkt voorzien in sturing tijdens de uitvoering? Zo ja, hoe wordt dit ondervangen?

6.2 Commissariaat voor de Media

Het Commissariaat heeft een uitvoeringtoets gemaakt en stelt ook de bekostiging ter discussie. Ook hier stelt de regering dat die in hoge mate afhankelijk is van de keuzes die gemaakt worden in voorgenomen aanpassingen van de lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgen. De leden van de CDA-fractie vragen of dit duidelijk is bij de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel.

Het Commissariaat wil meer duidelijkheid in de wetgeving voor gevallen waarin geen aanvragen worden ingediend voor een lokaal verzorgingsgebied of er geen aanvragers zijn die aan de vereisten voldoen. Het Commissariaat acht het daarbij wenselijk om voor deze gevallen een «vangnetbepaling» op te nemen. De regering acht dit niet nodig. Kan de regering schetsen hoe het in praktijk zal werken als er geen aanvragen voor een lokaal verzorgingsgebied zijn?

De AR18 benadrukt het belang van duidelijke toezichtregels voor lokale publieke omroepen. Zij wil hierover met het Commissariaat in overleg, rekening houdend met diens zelfstandigheid en de autonomie van omroepen. De uitvoeringstoets van het Commissariaat vormt hiervoor een goed vertrekpunt. Kan de regering toelichten welk toezicht zij passend acht voor de lokale publieke omroepen en aan welke criteria dit moet voldoen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanbeveling van het Commissariaat niet overneemt om de bestaande ICE-norm zodanig te wijzigen dat deze ook voor radio goed toepasbaar is. Als gevolg daarvan verdwijnt een inhoudelijke richtinggevende norm helemaal uit de wettelijke opdracht van de regionale en lokale omroepen, terwijl een dergelijk kader wel geldt ten aanzien van de landelijke publieke omroep (art. 2.1). Deze keuze komt niet consistent over en lijkt ook niet wenselijk vanuit het waarborgen van de regionale en lokale publieke media-opdracht. Deze leden vragen een nadere onderbouwing van deze afwijkende keuze.

6.3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat de financiering van de lokale publieke omroep losstaat van de inhoudelijke keuzes. De regering verwacht dat de omroep hierdoor meer betrokken raakt bij de gemeente en lokale gemeenschap. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarop deze verwachting is gebaseerd en hoe de regering wil toetsen of het wetsvoorstel daadwerkelijk tot een sterke en relevante lokale publieke omroep leidt.

7. Financiële gevolgen

Het totaalbedrag dat straks naar de lokale publieke omroepen gaat, zou in het nieuwe stelsel hoger uitvallen dan nu het geval is, maar lager dan het bedrag dat de ROB19 en de RvC20 in 2020 adviseerden. Met € 15 miljoen extra zou volledig kunnen worden voldaan aan het advies van beide adviesraden. De Kamer heeft met steun van de GroenLinks-PvdA-fractie de regering verzocht om te voorkómen dat lokale omroepen vanaf 2028 minder ontvangen dan nu het geval is.21 De Kamer acht zich ook niet gebonden aan het voorgenomen financieel kader van het coalitieakkoord Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland.22 De Kamer biedt de regering dus wel degelijk mogelijkheden om aan haar wens tegemoet te komen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering de € 50 miljoen die de Kamer heeft bevochten voor de landelijke publieke omroep om het amendement Bontenbal c.s.23 ongedaan te maken, nu ongemoeid laat.

De Stichting NLPO weet de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voor te rekenen dat lokale omroepen er juist vanaf 2028 circa € 5 miljoen op achteruitgaan, zodra men rekening houdt met de tijdelijke overbruggingsmiddelen van het SVDJ en de extra uitvoeringslasten van de NLPO.24 Kan de regering specificeren welke streken er in de praktijk financieel op achteruitgaan ten opzichte van het huidige feitelijke niveau van bekostiging inclusief de middelen van het SVDJ, nog afgezien van eventuele aanvullende gemeentelijke bijdragen die in sommige streken nu ook deel uitmaken van de feitelijke financieringsbasis?

Klopt het beeld dat, uitgaande van de Mediabegrotingsbrief 2026 en een Nederlandse bevolking van circa 18,1 miljoen inwoners, de publieke bekostiging neerkomt op ongeveer € 55,70 per inwoner voor de landelijke publieke omroep, € 10,90 per inwoner voor de 13 regionale publieke omroepen en – uitgaande van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbudget van circa € 31 miljoen – slechts € 1,70 per inwoner voor de lokale publieke omroep? Zo ja, welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze verhouding binnen het publieke omroepbestel, juist nu van de lokale publieke omroep wordt verwacht dat zij in tachtig streken een structurele, professionele en onafhankelijke nieuwsvoorziening dicht bij de burger organiseert?

8. Evaluatie

De leden van de VVD-fractie hechten aan een goede evaluatie van de doeltreffendheid van wetgeving. Deze leden vragen welke concrete indicatoren de regering hanteert om het succes en de effectiviteit van deze wetswijziging te monitoren en te evalueren.

Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatie binnen zeven jaar na inwerkingtreding van de wet. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben behoefte aan een toelichting op deze lange termijn. Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag? Zou een termijn van drie tot vier jaar niet eerder voor de hand liggen mede in het licht van de zittingstermijn van de gemeenteraden?

9. Advies en consultatie

De Raad van State had geadviseerd om het wetsvoorstel niet in te dienen, tenzij het werd aangepast. Onder meer betrof het advies het maximum van tachtig omroepgebieden, waarvan de Raad van State adviseerde dit maximum niet vast te leggen in de wet, in verband met de mogelijkheid dat een gebied te groot zou blijken of onvoldoende een eigen geografische, economische en sociaal-culturele identiteit zou hebben. Dit heeft echter niet geleid tot aanpassingen in het wetsvoorstel. Kan de regering nader toelichten waarom een wezenlijke schaalvergroting en stabiele indeling in verzorgingsgebieden zou staan of vallen precies bij tachtig lokale publieke omroepen, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

9.2 Autoriteit Persoonsgegevens

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het advies van de tijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing25 en vragen de regering om, zoals de tijdelijke commissie in overweging heeft gegeven, de noodzaak toe te lichten van het verwerken van gegevens over vakbondslidmaatschap en gezondheid voor het borgen van de representativiteit van het PBO.

9.3 Internetconsultatie

De leden van de D66-fractie lezen dat er enkele zorgen bestaan over de samenwerking tussen lokale en regionale omroepen. Daartoe vragen deze leden de regering of de samenwerking tussen lokale en regionale omroepen in het nieuwe stelsel enkel aanvullend zal zijn, en of de zelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht hiermee niet in het gedrang zal komen.

De regering stelt dat – in combinatie met de schaalvergroting naar maximaal tachtig lokale publieke omroepen – er vanaf 2028, gemiddeld meer budget per omroep beschikbaar is. Waar baseert de regering dit op? Kan de regering dit eens grofmazig voorrekenen voor de fractie? Dit hangt toch ook van af hoeveel van het budget naar het Commissariaat gaat en naar de NLPO? En hoeveel uit het gemeentefonds? Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie hier een reactie op.

Gemeenten die aanvullend willen bekostigen moeten voorafgaand aan de aanwijzingsperiode bekend maken hoeveel middelen zij voornemens zijn hiervoor beschikbaar te stellen voor de lokale publieke omroep. Het blijft voor de leden van de CDA-fractie onduidelijk of hier bij het maken van de financiën rekening mee is gehouden of gemeenten (of een aantal gemeenten) bij willen dragen aan de financiering van de omroep. Of is ervan uitgegaan bij het maken van de financiële plaat dat gemeenten dit niet zullen doen?

Volgens de regering is er geen aanleiding om de regels rondom reclame voor lokale publieke omroepen aan te passen, zelfs al wil men de publieke mediaopdracht lokaal versterken. De leden van de CDA-fractie verzoeken om verdere toelichting op de redenen achter dit standpunt van de regering.

10. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De termijnen voor de aanwijzingsprocedures zouden wel eens erg krap kunnen worden indien het wetsvoorstel pas na 1 november 2026 in werking zou treden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat het nieuwe stelsel zou dan niet meer zou kunnen starten per 1 januari 2028. Hoe beziet de regering de haalbaarheid van 1 november 2026?

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel O

De leden van de SGP-fractie vragen waarom in het voorgestelde artikel 2.78, eerste lid, onderdeel e, de leden van waterschapsbesturen niet zijn opgenomen. Deze leden menen dat ook vanuit de hoedanigheid van het waterschap op vergelijkbare wijze sprake zou kunnen zijn van onwenselijke invloed door het vervullen van dubbelfuncties.

Artikel 2.87l

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering als uitwerking van de doelstelling van de lokale publieke media-instelling uitsluitend benoemt het bevredigen van de maatschappelijke behoeften. Hoewel het van belang is dat deze instellingen zich in voldoende mate rekenschap geven van de maatschappelijke behoeften, menen deze leden dat het uitvoeren van een hoogwaardige, veelzijdige opdracht meer behelst dan het bevredigen van behoeften. Tegen de achtergrond van het feit dat ook de ICE-norm komt te vervallen, hebben deze leden de indruk dat hier een kwetsbaarheid schuilt. Zij vragen een toelichting waarom het wetsvoorstel niet kiest voor een iets meer richtinggevende benadering.

Artikel 2.87n

De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er niet voor gekozen heeft om in de beschrijving van het beleidsplan aan te sluiten bij de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid die ook in artikel 2.87m te vinden is. Op deze wijze zou het voorstel een meer eenduidige focus brengen in de opdracht van de lokale omroepen, mede van belang voor de adviestaak die de gemeenten hebben in dezen.

De voorzitter van de commissie, Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie, Easton


X Noot
1

NLPO: Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen

X Noot
2

Kamerstuk 32 827, nr. 305

X Noot
3

DAEB: diensten van algemeen economisch belang

X Noot
4

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

X Noot
5

SVDJ: Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

X Noot
7

Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 67

X Noot
9

AMvB: algemene maatregel van bestuur

X Noot
10

Kamerstuk 36 917, nr. 4

X Noot
11

Commissariaat voor de Media, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publieke omroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/)

X Noot
12

RPO: Regionale Publieke Omroep

X Noot
13

NPO: Nederlandse Publieke Omroep

X Noot
14

Commissariaat voor de Media, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publieke omroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/)

X Noot
15

PBO: Programmabeleid Bepalend Orgaan

X Noot
16

ICE-norm: deze norm houdt in dat per programmakanaal het aanbod voor ten minste de helft van de duur bestaat uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard

X Noot
17

WNT: Wet normering topinkomens

X Noot
18

AR: Algemene Rekenkamer

X Noot
19

ROB: Raad voor het Openbaar bestuur

X Noot
20

RVC: Raad voor Cultuur

X Noot
21

Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 67

X Noot
22

Kamerstuk 36 848, nr. 34

X Noot
23

Kamerstuk 36 600-VIII, nr. 141

X Noot
25

Kamerstuk 36 917, nr. 6


X Noot
1

NLPO: Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen

X Noot
2

Kamerstuk 32 827, nr. 305

X Noot
3

DAEB: diensten van algemeen economisch belang

X Noot
4

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek

X Noot
5

SVDJ: Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

X Noot
7

Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 67

X Noot
9

AMvB: algemene maatregel van bestuur

X Noot
10

Kamerstuk 36 917, nr. 4

X Noot
11

Commissariaat voor de Media, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publieke omroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/)

X Noot
12

RPO: Regionale Publieke Omroep

X Noot
13

NPO: Nederlandse Publieke Omroep

X Noot
14

Commissariaat voor de Media, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publieke omroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/)

X Noot
15

PBO: Programmabeleid Bepalend Orgaan

X Noot
16

ICE-norm: deze norm houdt in dat per programmakanaal het aanbod voor ten minste de helft van de duur bestaat uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard

X Noot
17

WNT: Wet normering topinkomens

X Noot
18

AR: Algemene Rekenkamer

X Noot
19

ROB: Raad voor het Openbaar bestuur

X Noot
20

RVC: Raad voor Cultuur

X Noot
21

Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 67

X Noot
22

Kamerstuk 36 848, nr. 34

X Noot
23

Kamerstuk 36 600-VIII, nr. 141

X Noot
25

Kamerstuk 36 917, nr. 6

Naar boven