12 449
Afsluiting van de Oosterschelde

nr. 109
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 19 januari 1995

Op 16 april 1987 was de afsluiting van het Volkerak-Zoommeer van de Oosterschelde een feit. Het meer zou zoet worden met een na te streven chloridegehalte van maximaal 400 mg/l bij het meetpunt in het Bathse spuikanaal. Het streefpeil was vastgesteld op NAP met een marge van NAP + 0,05m en NAP – 0,25m om selectief inlaatbeheer mogelijk te maken. Tevens werd een evaluatie van dit waterbeheer in het vooruitzicht gesteld (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986–1987, 12 449, nr. 105).

Deze evaluatie, weergegeven in de nota «En de zee werd meer....», is in 1992 afgerond en in 1993 voorgelegd aan het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden (OWN).

Gesignaleerde knelpunten in de evaluatie zijn:

* door het wegvallen van eb en vloed staan grote oppervlakten aan oevergebied nu bloot aan erosie;

* door aanvoer van verontreinigd Maas- en Rijnwater (uit het Hollandsch Diep) dreigt de waterbodem van het Volkerak-Zoommeer te vervuilen;

* door een nog steeds overmatige aanvoer van meststoffen (fosfaten en nitraten) naar het Volkerak-Zoommeer (Brabants rivier- en polderwater en Maas- en Rijnwater) dreigt dit meer te verworden tot een ecologisch weinig waardevol systeem met nauwelijks oevervegetatie waar brasem dominant is. Dit watersysteem is dan niet helder en verwordt tot de zogenaamde «groene soep» zoals beschreven in de derde Nota waterhuishouding.

Om de erosie van de oevers tegen te gaan is reeds een uitgebreid oeververdedigingsprogramma in uitvoering. Veelal wordt met de zogenoemde vooroeververdedigingen gewerkt om meer oeverlengte te creëren en mogelijkheden te scheppen voor oevervegetatie.

In de evaluatie is aangegeven welke beheersmaatregelen nodig zijn om de gerezen problemen ten aanzien van de vervuiling van de waterbodem en de eutrofiëring aan te pakken. Twee beheersmaatregelen springen daaruit, waarover met het OWN nader van gedachten is gewisseld. Dat zijn een verhoogd chloridegehalte toestaan èn een fluctuerend peilbeheer. Deze maatregelen zijn nodig om zo min mogelijk verontreinigd water in te laten en om condities in het meer te creëren voor een goede oevervegetatie en een goede roofvisstand om het meer helder te houden.

Het OWN heeft het resultaat van het overleg op 11 juni 1993 uitgebracht1. Het stemde in met de tijdelijk voorgestelde verhoging van het eerdergenoemde na te streven maximaal chloridegehalte van 400 mg/l naar 450 mg/l bij het meetpunt in het Bathse Spuikanaal. Het Landbouwschap heeft zich ter zake onthouden van een oordeel, aangezien naar de mening van het schap de belangen van de landbouw onvoldoende in beeld zijn gebracht. Ten aanzien van het fluctuerend peilbeheer is voorshands ingestemd met een peilregime tussen NAP en NAP –0,30m. De Unie van Waterschappen en het Landbouwschap wezen dit voorgestelde peilbeheer echter af. Het OWN verzocht de minister van Verkeer en Waterstaat om opnieuw bestuurlijk overleg aan te gaan met betrokken instanties, ten einde te bezien of een voor alle partijen bevredigende oplossing bereikt kan worden.

Wij zijn inmiddels een jaar verder, waarin intensief is overlegd met alle betrokken partijen in de regio. Uit dit overleg bleek dat ten aanzien van het natuurrendement er binnen de regio een breed draagvlak aanwezig is voor het instellen van fluctuerend peilbeheer. Verschillende peilalternatieven zijn in dit overleg weer aan de orde geweest. De consequentie van het doorvoeren van een minimumpeil van NAP –0,30m levert, met name aan de Brabantse zijde van het meer, problemen op. Hiervoor dient ofwel het sluisbeheer van de sluis te Dintelsas 's zomers weer te worden ingesteld ofwel dienen de Brabantse rivieren te worden uitgediept, ten einde voldoende diepgang voor de scheepvaart op deze rivieren te houden. Na uitvoering van onderhoudsbaggerwerk op de Mark/Dintel/Vliet is in 1996 een minimumpeil van NAP –0,10m echter realiseerbaar. Tegen een verhoging van het maximum peil van NAP naar NAP +0,15m bestonden minder bezwaren.

Tegemoetkomend aan de bestuurlijk-technische problemen is een concept-ontwerp peilbesluit aan het OWN voorgelegd, met als inhoud:

* een fluctuerend peilbeheer volgens een regenmodel tussen NAP

+0,15m (in de winter) en NAP –0,10m (in de zomer);

* een voorlopig minimumpeil op NAP totdat in 1996 baggerwerken op de Brabantse rivieren zijn uitgevoerd;

* een minimumpeil van NAP –0,25m is toegestaan bij sterk verontreinigd Maas- of Rijnwater.

Het peilbesluit heeft een tijdelijk karakter omdat met dit peilregime slechts een peilverschil van 25 cm is te bereiken. Het streven is erop gericht om uiteindelijk een minimumpeil van NAP –0,30m te bereiken.

Dan is een peilverschil van 45 cm bereikbaar, wat essentieel is voor de vestiging en duurzame instandhouding van een voldoende groot areaal gevarieerde oevervegetatie met een goede roofvisstand die bij de huidige en te verwachten fosfaatbelasting in staat wordt geacht om het Volkerak-Zoommeer helder te houden.

Door Rijkswaterstaat zal een studie worden uitgevoerd, in combinatie met een evaluatie van het nu voorgestane tijdelijk peilbeheer, naar de wijze waarop een peilfluctuatie tussen NAP +0,15m en NAP –0,30m zo optimaal mogelijk kan worden ingevoerd. Deze studie en evaluatie zal het OWN worden voorgelegd.

Op 21 november 1994 heeft het OWN zijn rapport van bevindingen over dit nieuwe peilbeheer uitgebracht1. Het stelt met genoegen vast dat het door hem gesuggereerde nader overleg in de regio heeft geleid tot een voor alle partijen aanvaardbaar compromis. Het tekent daarbij aan dat zo spoedig mogelijk een aanvang wordt gemaakt met uitvoering van de benodigde maatregelen in het kader van het voorgestelde (tijdelijke) peilbeheer. Het OWN is verder van mening dat uit de evaluatie van het voorgestelde peilbeheer en de resultaten van de aanvullende studie zal moeten blijken of het invoeren van een peil tussen NAP +0,15m en NAP –0,30m ook daadwerkelijk mogelijk is. Het OWN ziet deze resultaten met belangstelling tegemoet.

Gezien het voorgaande heb ik besloten dat de Hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zeeland ten spoedigste een ontwerp-peilbesluit in procedure brengt. Het voornemen is nog in 1995 te starten met een peilbeheer tussen NAP +0,15m en NAP en in 1996 over te gaan naar een minimumpeil van NAP –0,10m, nadat onderhoudsbaggerwerk in de Brabantse rivieren heeft plaatsgevonden.

Over maximaal vier jaar zal een evaluatie van dit peilbeheer en de resultaten van een studie naar een optimaal peilbeheer tussen NAP +0,15m en NAP –0,30m aan het OWN worden voorgelegd vóórdat besluitvorming plaatsvindt over het verder verlagen van het minimumpeil.

Tevens heb ik besloten om het na te streven maximum chloridegehalte bij het meetpunt in het Bathse Spuikanaal tijdelijk te verhogen naar 450 mg/l. In bovengenoemde evaluatie van het peilbeheer zal tevens worden voorgesteld dit beleid al dan niet langer te handhaven.

Over het bovenstaande heb ik het Bestuurlijk Overleg Volkerak-Zoommeer en de Gewestelijke Raad voor Zeeland van het Landbouwschap nader geïnformeerd.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven