Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 april 2026
Op 12 mei 2025 heeft de regering het voorstel van wet houdende de Wet op de politieke
partijen bij uw Kamer ingediend.1 Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan het advies van de Staatscommissie
parlementair stelsel (Commissie-Remkes) om een dergelijke wet tot stand te brengen.
Het wetsvoorstel betreft een wezenlijk onderwerp. Er bestaat binnen en buiten uw Kamer
veel belangstelling voor. De Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van uw Kamer
heeft enige tijd geleden haar verslag over het voorstel uitgebracht. Dat heeft zij
in twee delen gedaan. Het eerste deel is uitgebracht op 8 juli 2025 en het tweede
op 26 september 2025.2 Daarnaast heeft uw commissie mijn ambtsvoorganger zogenoemde feitelijke vragen doen
toekomen.3
Gezien de omvang van de vragen heb ik langer de tijd nodig om uw Kamer de nota naar
aanleiding van het verslag te doen toekomen. Het onderwerp dat de regering met het
wetsvoorstel beoogt te regelen is niet alleen wezenlijk, maar ook complex. In Nederland
zijn politieke groeperingen elk op een eigen – en andere – wijze intern georganiseerd.
Dat leidt soms tot ingewikkelde vraagstukken, zoals ook blijkt uit de vragen die door
uw Kamer zijn gesteld. Mede door vragen vanuit uw Kamer is ook duidelijk geworden
dat de wijze waarop de regering aanvankelijk meende de regels betreffende decentrale
politieke verenigingen van overeenkomstige toepassing te kunnen verklaren op afdelingen
van landelijke politieke verenigingen, praktisch onuitvoerbaar en juridisch onhoudbaar
is. We informeren uw Kamer hier nader over bij de indiening van de nota van wijziging.
Tijdens de behandeling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2026 heeft mijn ambtsvoorganger in uw Kamer gezegd
dat het streven van de regering erop gericht is de nieuwe regels voor politieke partijen
op 1 januari 2027 te laten ingaan. Echter, gelet op de nog te doorlopen stappen in
het wetgevingsproces, is te voorzien dat (volledige) inwerkingtreding per 1 januari
2027 niet haalbaar is. Het streven is nu de inwerkingtreding per 1 januari 2028. Inwerkingtreding
per ingang van een nieuw kalenderjaar is daarbij wenselijk omdat landelijke politieke
partijen telkens vóór 1 juli verantwoording moeten afleggen over hun financiën in
het voorgaande kalenderjaar. Zouden de bepalingen uit de Wpp die zien op de transparantie
van politieke partijen inzake hun financiering halverwege het jaar van kracht worden,
dan zouden politieke partijen zich geconfronteerd weten met twee (verschillende) verantwoordingsregimes
die beide gedurende een deel van het kalenderjaar op hen van toepassing zijn. Het
kabinet zou dit met het oog op de administratieve lasten voor politieke partijen en
de uitvoerbaarheid van de regels een onwenselijke situatie vinden.
Nu de inwerkingtreding van de Wpp een jaar opschuift bestaat er, net als in 2026,
ook in 2027 geen wettelijke grondslag om subsidie aan decentrale politieke partijen
uit te keren. Voor 2026 wordt een deel van de middelen (€ 5,5 miljoen) op basis van
de motie Clemminck-Van den Brink via het gemeentefonds uitgekeerd aan lokale partijen.
Samen met de VNG zal ik de uitkomsten hiervan beoordelen en dat zal ik meenemen in
de begroting van 2027.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma