36 741 EU-voorstel: Gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 JOIN(2025)120

K BRIEF VAN DE LEDEN ŠEFČOVIČ EN KUBILIUS VAN DE EUROPESE COMMISSIE

Aan de voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp

Cc: Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 januari 2026

Om te beginnen wil de Commissie de Eerste Kamer danken voor haar brief met vragen over de Omnibus voor defensiegereedheid {COM(2025) 821 final, COM(2025) 822 final en COM(2025) 823 final}, een uitgebreid pakket met ambitieuze maatregelen, bedoeld om in de hele Europese Unie een mindset voor defensiegereedheid te bevorderen. De omnibus legt de basis voor het mobiliseren van maximaal 800 miljard euro aan defensie-investeringen in de komende vier jaar, zodat de lidstaten en de industrie snel en doeltreffend kunnen reageren op toenemende dreigingen.

Centraal in het voorstel van de Commissie staat het verbeteren van de werking van de EU-brede defensiemarkt en tegelijkertijd het beperken van de lasten voor het Europese bedrijfsleven en de overheden van de lidstaten. Een werkelijk functionerende EU-brede markt voor defensiematerieel die gericht is op innovatie en concurrentievermogen, is de meest doeltreffende manier voor de lidstaten om hun arsenalen opnieuw op te vullen en hun gereedheid op te bouwen om in staat te zijn tot afschrikking en verdediging in elk dreigingsscenario. Een EU-brede markt biedt drie belangrijke voordelen: het ontsluiten van schaalvoordelen voor een grotere, stabielere defensiemarkt; het verminderen van de afhankelijkheid van leveranciers uit derde landen om de strategische onafhankelijkheid van de EU te versterken; en het versterken van het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie door defensie-uitgaven aan te wenden voor bredere groei.

Tegen deze achtergrond is de Commissie ingenomen met de gelegenheid om haar voorstel in de bijlage op een aantal punten te verduidelijken.

Dit antwoord weerspiegelt het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, dat momenteel het wetgevingsproces doorloopt waarbij zowel het Europees Parlement als de Raad betrokken zijn.

De Europese Commissie hoopt dat zij met dit antwoord voldoende ingaat op de door de Eerste Kamer aan de orde gestelde punten en kijkt uit naar het verdere verloop van de politieke dialoog.

Lid van de Commissie, Maroš Šefčovič

Lid van de Commissie, Andrius Kubilius

BIJLAGE:

Wat de verordening betreffende versnelde vergunningverlening betreft, is het werkdocument van de diensten van de Commissie nu afgerond en openbaar beschikbaar1. Door de tijd die werknemers en bedrijven besteden aan procedures te verkorten, zou het voorstel kunnen leiden tot directe jaarlijkse kostenbesparingen van 1,2 miljard euro voor particuliere en publieke entiteiten, waarvan 1,1 miljard euro louter administratieve kostenbesparingen zijn.

De Commissie hecht eraan te verduidelijken dat er geen rechtstreeks financieel verband bestaat tussen het ReArm Europe-plan en de verordening betreffende versnelde vergunningverlening. Deze laatste is bedoeld om de investeringen te faciliteren die nodig zijn om de doelstelling van defensiegereedheid tegen het jaar 2030 te verwezenlijken en kan van toepassing zijn op alle projecten, niet alleen projecten die uit het ReArm Europe-plan worden gefinancierd.

Het voorstel van de Commissie voor de verordening betreffende versnelde vergunningverlening laat de lidstaten voldoende vrijheid om te beslissen of een specifiek project kan worden aangemerkt als een defensiegereedheidsproject. Deze definitie is niet beperkt tot industriële projecten en kan projecten omvatten die geschikt zijn voor tweeërlei gebruik. De beslissing welke projecten in aanmerking komen, wordt op nationaal niveau genomen en er is niet voorzien in een supranationaal centraal contactpunt.

Het voorstel van de Commissie vereist dat documenten digitaal worden ingediend om het administratieve proces te stroomlijnen. De specifieke kenmerken van de uitvoering worden echter aan de lidstaten overgelaten, zodat zij deze het best bij hun nationale administratieve procedures kunnen laten aansluiten. Dit zal een efficiëntere en doeltreffendere vergunningsprocedure mogelijk maken.

Voor gevallen waarin de vergunningsprocedure meer dan 60 dagen in beslag neemt, bevat het voorstel van de Commissie een mechanisme voor stilzwijgende goedkeuring. In het voorstel wordt ook bepaald dat eventuele gerechtelijke procedures met spoed moeten worden behandeld indien en voor zover de nationale wetgeving inzake relevante vergunningsprocedures in dergelijke spoedprocedures voorziet. Deze spoedbehandeling is onder meer bedoeld om situaties aan te pakken waarin het procesrecht wordt misbruikt om vertraging te veroorzaken of obstakels op te werpen teneinde het vergunningsproces voor defensiegereedheidsprojecten te hinderen.

Het voorstel van de Commissie heeft geen invloed op de inhoud van de beoordelingen die voor het verlenen van een vergunning moeten worden uitgevoerd. Het heeft alleen betrekking op de duur van de procedure en is dus zonder gevolgen voor de normen die in de relevante EU- en nationale wetgeving zijn vastgesteld. De huidige wetgeving blijft van kracht en het voorstel van de Commissie is bedoeld om het bestaande regelgevingskader aan te vullen en te vergemakkelijken.

Met betrekking tot de wijzigingen van Verordening (EU) 2021/697 tot oprichting van het Europees Defensiefonds (EDF) wil de Commissie verduidelijken dat de wijzigingen alleen het reeds mogelijke gebruik van indirect beheer vergemakkelijken. Dit is nodig om het beheer van middelen uit het EDF flexibeler te maken en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en verantwoordingsplicht worden gehandhaafd. De beoordelings- en gunningsprocedures worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de EDF-verordening en het Financieel Reglement, ongeacht of zij onder direct of indirect beheer worden uitgevoerd.

Wat betreft de wijzigingen van Richtlijn 2009/81/EG betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de EU, wil de Commissie verduidelijken dat de richtlijn alleen van toepassing is op defensiegerelateerde producten die zijn opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (C/2025/1499). Zij is niet van toepassing op goederen voor tweeërlei gebruik, waarvoor afzonderlijke verordeningen en procedures gelden.

Met betrekking tot de opmerkingen over alle voorstellen die het omnibuspakket voor defensie vormen, wil de Commissie verduidelijken dat deze voorstellen gebaseerd zijn op de desbetreffende artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waaronder artikel 114, artikel 173, lid 3, artikel 182, lid 4, artikel 183, artikel 188 en artikel 192, lid 1. Als gevolg daarvan worden zij vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure en is de vaststelling ervan door de Raad onderworpen aan de gewone wetgevingsprocedure.

De verordeningen en richtlijnen zullen gelden voor alle EU-lidstaten, ongeacht of zij NAVO-bondgenoten zijn of niet. Dit zal zorgen voor een gelijk speelveld en de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van defensiegereedheid vergemakkelijken.

Ten slotte overweegt de Commissie geen maatregelen op het gebied van extern beleid die verband houden met haar voorstellen, aangezien deze in de eerste plaats betrekking hebben op de interne markt. De voorstellen zijn gericht op het verbeteren van de werking van de EU-brede markt voor defensiematerieel en het vergemakkelijken van de samenwerking tussen de lidstaten, en niet zozeer op kwesties van extern beleid.

Naar boven