Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36806 nr. A |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36806 nr. A |
Vastgesteld 22 december 2025
De vaste commissies voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 en Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening2 hebben schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Economische Zaken over de EU-ruimtewet. Bijgaand brengen de commissies hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
− De uitgaande brief van 3 oktober 2025.
− De antwoordbrief van 18 december 2025.
De griffier voor dit verslag, Karthaus
Aan de Minister van Economische Zaken
Den Haag, 3 oktober 2025
De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei en Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben met belangstelling kennisgenomen van de mededeling van de Europese Commissie over de EU-ruimtewet van 25 juni 2025.3 De leden van de fracties van D66 en JA21 hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen. De fractieleden van de BBB sluiten zich aan bij de gestelde vragen door de fractieleden van JA21. De fractieleden van Volt sluiten zich aan bij de gestelde vragen door de fractieleden van D66.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
Een belangrijk doel van de wet is het terugdringen van fragmentatie binnen de Europese ruimtesector. Daarom wordt een verplichting opgenomen voor alle ruimteobjecten om gebruik te maken van een collision avoidance-dienst, geleverd door de aangewezen Union Collision Avoidance space services provider. Het kabinet geeft in het bijbehorende BNC-fiche aan zich in te zullen zetten voor het formuleren van kwaliteitseisen en het waarborgen van dienstenneutraliteit, in plaats van het aanwijzen van één specifieke dienstverlener.4 De leden van de D66-fractie vragen zich af of het niet-aanwijzen van één dienstverlener niet juist leidt tot onnodige fragmentatie binnen de Europese markt.
Ook vragen de leden van de D66-fractie graag om een toelichting op de voorgenomen uitzondering in de wet voor militaire ruimteobjecten en objecten met een nationaal veiligheidsdoel. Waarom acht u een volledige uitsluiting van deze categorieën noodzakelijk om de nationale veiligheid te waarborgen? Betekent deze uitzondering dat bedrijven die diensten of materialen leveren voor deze objecten niet hoeven te voldoen aan de voorgestelde eisen, zoals cybersecuritymaatregelen en vergunningsplichten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21
De fractieleden van JA21 vragen of u de totale kosten voor uitvoering (2026–2032) kunt uitsplitsen (inclusief registers, e-certificaten en toezicht). Hoeveel extra FTE zijn nodig bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI)?
De fractieleden van JA21 stellen dat er meer administratieve lasten (rapportages, beheer van registers/e-certificaten) zullen zijn. Hoe voorkomt u dat er dubbel werk ontstaat bovenop nationale verplichtingen?
Hoe blijft de democratische controle op gedelegeerde bevoegdheden van de Europese Commissie geborgd?
Welke heldere meetpunten gebruikt u om te toetsen of dit voorstel proportioneel is, en waarde toevoegt voor Nederland?
Hoe wordt innovatievrijheid beschermd tegen een dichtgetimmerd, uniform EU-regime?
Kunt u garanderen dat kosten en regeldruk niet ontsporen – vooral voor het midden- en klein bedrijf (mkb) en start-ups? Welke maatregelen neemt u hiertoe?
De leden van de vaste commissies voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei en Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.
Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit
Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van de leden van D66 en JA21 over de EU-ruimtewet kenmerknummer 178252, ingezonden 3 oktober 2025.
Minister van Economische Zaken, V.P.G. Karremans
1
De leden van de D66-fractie vragen zich af of het niet-aanwijzen van één dienstverlener niet juist leidt tot onnodige fragmentatie binnen de Europese markt.
Antwoord
Het kabinet deelt het belang van het voorkomen van onnodige fragmentatie, maar acht het aanwijzen van één exclusieve dienstverlener daarvoor niet noodzakelijk of wenselijk in deze context. In de huidige praktijk ligt onder de Wet ruimtevaartactiviteiten (WRA) de verantwoordelijkheid voor veilige bedrijfsvoering bij de vergunninghouder, waaronder het gebruik van een geschikte botsingsvermijdingsdienst. Een vergunninghouder heeft immers een direct belang om botsingsrisico’s actief te beperken, om schade, aansprakelijkheidsrisico’s en verstoringen van de bedrijfsvoering te voorkomen. Er zijn meerdere aanbieders die botsingsvermijdingsdiensten aanbieden, zowel publiek als commercieel. De wet werkt daarom met open normen. Het doel van de wet is dat een vergunninghouder weet waar het ruimtevoorwerp zich bevindt, niet om de keuze voor één specifieke dienstaanbieder op te leggen.
2
Ook vragen de leden van de D66-fractie graag om een toelichting op de voorgenomen uitzondering in de wet voor militaire ruimteobjecten en objecten met een nationaal veiligheidsdoel. Waarom acht u een volledige uitsluiting van deze categorieën noodzakelijk om de nationale veiligheid te waarborgen? Betekent deze uitzondering dat bedrijven die diensten of materialen leveren voor deze objecten niet hoeven te voldoen aan de voorgestelde eisen, zoals cybersecuritymaatregelen en vergunningsplichten?
Antwoord
Voor militaire ruimte-objecten en andere objecten met een nationaal veiligheidsdoel is een volledige uitsluiting van de civiele wet noodzakelijk om operationele geheimhouding, snelle besluitvorming en strategische autonomie te garanderen. De uitzondering betekent echter niet dat leveranciers vrijgesteld zijn van alle eisen: ze moeten wel voldoen aan een apart, defensie-specifiek regelgevingskader met even strenge (en vaak zelfs strengere) cybersecuritymaatregelen, licentie- en exportcontroles en sectorspecifieke certificeringen.
3
De fractieleden van JA21 vragen of u de totale kosten voor uitvoering (2026–2032) kunt uitsplitsen (inclusief registers, e-certificaten en toezicht). Hoeveel extra FTE zijn nodig bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI)?
Antwoord
De exacte uitvoeringskosten zijn op dit moment nog niet vast te stellen, omdat de onderhandelingen over de EU-ruimtewet nog lopen en de taakverdeling tussen Europese en nationale autoriteiten nog kan wijzigen. Een kwantitatieve uitsplitsing is daarom vooralsnog prematuur. Bovendien treedt de wet in principe pas in werking vanaf 1 januari 2030. De kosten zullen mede afhangen van de mate van aansluiting bij voornamelijk de Wet ruimtevaartactiviteiten (WRA). De Europese Commissie raamt de aanvullende uitvoeringslast voor lidstaten met bestaande kaders, zoals Nederland, op circa 1–2 fte. Het kabinet deelt deze raming deels, maar verwacht dat op termijn aanvullende investeringen in toezicht en uitvoering nodig kunnen zijn. Zodra het voorstel is aangenomen door het Europees Parlement en de Europese Raad, kan een beter onderbouwde raming van kosten en benodigde capaciteit worden gemaakt. Het kabinet zet zich nadrukkelijk in voor een proportionele uitwerking met beperkte uitvoeringskosten en regeldruk.
4
De fractieleden van JA21 stellen dat er meer administratieve lasten (rapportages, beheer van registers/e-certificaten) zullen zijn. Hoe voorkomt u dat er dubbel werk ontstaat bovenop nationale verplichtingen?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorg over het risico op extra administratieve lasten en dubbel werk. Het kabinet zet er daarom op in dat de EU-ruimtewet maximaal aansluit bij bestaande nationale en internationale verplichtingen, waaronder de Wet ruimtevaartactiviteiten (WRA) en geldende internationale verdragen. Uitgangspunt is dat bestaande nationale vergunning- en toezichtsystemen, zo veel mogelijk worden gebruikt en dat aanvullende EU-verplichtingen worden voorkomen. Waar Europese registers en e-certificaten worden ingevoerd, moeten deze aansluiten op nationale systemen, zodat bedrijven dezelfde informatie niet opnieuw hoeven aan te leveren.
5
Hoe blijft de democratische controle op gedelegeerde bevoegdheden van de Europese Commissie geborgd?
Antwoord
Voorgesteld wordt om de Europese Commissie de bevoegdheid te verlenen tot het vaststellen van regels ter aanvulling of wijziging van niet-essentiële onderdelen van het voorstel. Deze bevoegdheidsdelegatie kan echter te allen tijde worden ingetrokken door het Europees Parlement en/of de Raad (artikel 113, vierde lid, van het voorstel). De Europese Commissie heeft dan niet langer de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen. Het intrekkingsrecht heeft geen invloed op de rechtsgeldigheid van gedelegeerde handelingen die al door de Europese Commissie zijn vastgesteld. Met het intrekkingsrecht hebben het Europees Parlement en de Raad een politiek drukmiddel in handen om te bewerkstelligen dat de Europese Commissie een goed product aflevert wanneer zij gebruik maakt van haar bevoegdheid tot het vaststellen gedelegeerde handelingen. Het Europees Parlement en de Raad hebben voorts de mogelijk om binnen twee maanden (met een mogelijkheid tot verlenging) bezwaar aan te tekenen tegen een vastgestelde gedelegeerde handeling. In dat geval treedt de door de Europese Commissie vastgestelde gedelegeerde handeling niet in werking.
6
Welke heldere meetpunten gebruikt u om te toetsen of dit voorstel proportioneel is, en waarde toevoegt voor Nederland?
Antwoord
Het kabinet beoordeelt dit onder meer aan de hand van de volgende vragen die voortkomen uit het BNC-proces:
− Is EU-optreden noodzakelijk en gaan de maatregelen niet verder dan nodig, mede bezien in relatie tot bestaande nationale en internationale kaders (zoals de WRA, verdragen, NIS2 en CER)?
− Draagt het voorstel doeltreffend en doelmatig bij aan veiligheid, weerbaarheid, duurzaamheid en een goed functionerende interne markt?
− Is het voorstel juridisch houdbaar, onder meer wat betreft de rechtsgrondslag, bevoegdheidsafbakening en verhouding tot bestaande wetgeving?
− Zijn de administratieve lasten en uitvoeringsgevolgen aanvaardbaar voor bedrijven en bevoegde autoriteiten, met bijzondere aandacht voor mkb en start-ups?
− Is het voorstel uitvoerbaar en handhaafbaar binnen de beschikbare toezichtcapaciteit?
− Welke impact heeft het voorstel op de Nederlandse concurrentiekracht, het innovatievermogen en open strategische autonomie, zonder onnodige marktverstoring of handelsbelemmeringen te veroorzaken?
7
Hoe wordt innovatievrijheid beschermd tegen een dichtgetimmerd, uniform EU-regime? Kunt u garanderen dat kosten en regeldruk niet ontsporen – vooral voor het midden- en klein bedrijf (mkb) en start-ups? Welke maatregelen neemt u hiertoe?
Antwoord
Het kabinet zet zich er in de onderhandelingen nadrukkelijk voor in dat kosten en regeldruk proportioneel blijven en zo veel mogelijk tot een minimum worden beperkt, met speciale aandacht voor mkb en start-ups. Dit sluit niet uit dat kosten en regeldruk volledig uitblijven. Het kabinet zet erop in dat de EU-ruimtewet toekomstbestendig, technologieneutraal en doelgericht wordt ingericht. De verordening moet werken met open normen in plaats van gedetailleerde technische voorschriften, zodat partijen ruimte behouden om te voldoen aan veiligheids- en duurzaamheidsdoelen en innovatie niet wordt belemmerd.
Daarnaast bepleit het kabinet dat de verordening aansluit bij erkende internationale standaarden en wordt toegepast volgens een risicogebaseerde en proportionele benadering, waarbij verplichtingen in verhouding staan tot het type activiteit, de omvang en het risicoprofiel van missies.
Meer specifiek zet het kabinet in op lichtere regimes en vereenvoudigde procedures voor kleinere marktpartijen, zodat innovatieve bedrijven niet onnodig worden belast.
Samenstelling:
Van Aelst-den Uijl (SP), Aerdts (D66), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Aerdts (D66), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kaljouw (VVD), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Prins (CDA), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36806-A.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.