1. Algemeen
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die zijn gesteld
door de Gemeenschappelijke Commissie van de Verenigde Vergadering in het nader voorlopig
verslag over het voorstel van wet houdende bepaling van de jaarlijkse uitkering aan de regent. Op de vragen ga ik, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
en de minister van Financiën, hieronder in, waarbij de volgorde van het verslag zal
worden aangehouden.
2. Belastingvrijdom regent
De leden van de fracties van de Partij voor de Dieren in de Tweede en Eerste Kamer
hebben gevraagd of de regering nader kan preciseren op welke wijze in de vrijstelling
van persoonlijke belastingen onderscheid wordt gemaakt tussen het deel dat wel en
het deel dat niet ten dienste staat van de uitoefening van de Koninklijke functie,
zowel in het geval van de regent als in het geval van de huidige Koning? Verder hebben
zij de regering verzocht aan te geven welk percentage van het vermogen van de Koning
op dit moment wordt aangemerkt als ten dienste staand van de uitoefening van de Koninklijke
functie? Voor het geval dit laatste niet mogelijk is, vragen de leden van de fracties
van de Partij voor de Dieren op welke wijze dan parlementaire controle uitgeoefend
kan worden op de omvang van het vermogensdeel dat wel en het vermogensdeel dat niet
is vrijgesteld van persoonlijke belastingen?
Alle vermogensbestanddelen die dienstbaar zijn aan de uitoefening van de koninklijke
functie, zijn ondergebracht in stichtingen die verbonden zijn aan het koninklijk huis.
Het gaat dan om de Stichting Kroongoederen van het Huis Oranje-Nassau, de Stichting
Officiële Geschenken van het Huis Oranje-Nassau en de Stichting Koninklijke Geschenken.1 Ter illustratie: onder de eerste genoemde stichting vallen bijvoorbeeld de goederen
waarvan het gebruik dienstbaar is aan een waardige uitoefening van de koninklijke
functie, zoals de Gouden Koets. De vermogensbestanddelen die niet zijn opgenomen in
de stichtingen, behoren tot het privévermogen van de Koning. Hierover – evenals over
het percentage van het vermogen van de Koning dat op dit moment wordt aangemerkt als
ten dienste staand van de uitoefening van de Koninklijke functie – kan geen informatie
worden gegeven, omdat dit in strijd zou zijn met het recht van de Koning op bescherming
van zijn persoonlijke levenssfeer. Bovendien zou het niet verenigbaar zijn met de
wettelijke geheimhoudingsplicht ten aanzien van individuele belastingaanslagen, zoals
vastgelegd in de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Het antwoord op de vraag hoe dan wel parlementaire controle kan worden uitgeoefend
op de omvang van het vermogensdeel dat wel en het vermogensdeel dat niet is vrijgesteld
van persoonlijke belastingen, is dat de directeur-generaal van de Belastingdienst
als inspecteur die de aanslag inkomstenbelasting oplegt voor zover het de belastingaangelegenheden
betreft die verband houden met het Koninklijk Huis, bepaalt welke vermogensbestanddelen
wel en welke niet zijn vrijgesteld van persoonlijke belastingen. Daarbij is hij gebonden
aan de geheimhoudingsplicht ex artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3. Woon- en werkverblijf regent
De leden van de fracties van de Partij voor de Dieren in de Tweede en Eerste Kamer
hebben gevraagd of de regering kan toezeggen dat bij het beschikbaar stellen van een
woon- en werkverblijf aan de regent, prioriteit zal worden gegeven aan het gebruik
van bestaande paleizen en/of gebouwen die nu reeds ten laste komen van de begroting
ten behoeve van het koninklijk huis en zo nee, waarom niet?
Aan de Koning zijn door de wetgever drie paleizen tot gebruik ter beschikking gesteld.2 Twee daarvan hebben thans de functie van werkverblijf; het derde – paleis Huis ten
Bosch – heeft primair een woonfunctie. Het ligt in de rede dat de regent – als het
gaat om een werkverblijf – gebruik maakt van één van de paleizen met de functie van
werkverblijf. Als het gaat om een woonverblijf, hangt het af van de omstandigheden
waaronder de regent het koninklijk gezag moet uitoefenen of het nodig is een gebouw
aan hem tot gebruik ter beschikking te stellen en zo ja, of dit al dan niet een bestaand
paleis kan zijn. Overigens geldt voor de besluitvorming ter zake de ministeriële verantwoordelijkheid.
Een gedachtewisseling met de Staten-Generaal hierover is – indien gewenst – dus altijd
mogelijk.
4. Jacht
De leden van de fracties van de Partij voor de Dieren in de Tweede en Eerste Kamer
hebben gevraagd aan te geven of de regent ook het genot van de jacht toekomt en de
diensten van het koninklijk jachtdepartement.
De regent oefent het koninklijk gezag uit, zolang de Koning de leeftijd van achttien
jaar niet heeft bereikt. Concreet betekent dit dat de rechten en plichten die verbonden
zijn aan het ambt van de Koning ook voor de regent gelden, maar dit geldt niet voor
de rechten en plichten die de persoon van de Koning betreffen. Het jachtrecht is een
recht dat verbonden is aan de persoon van de Koning. Dit recht, met inbegrip van de
daarmee verbonden diensten door het Koninklijk Departement Faunabeheer, komt dus niet
toe aan de regent.
De Vice-Minister-President, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher