Handeling
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | nr. 72, item 14 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | nr. 72, item 14 |
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
-het wetsvoorstel Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (35501).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Aan het woord is de minister.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter. Eerst ga ik de zaken die nog moesten worden besproken rondom de amendementen even op orde brengen. Ik begin met het amendement op stuk nr. 34 van mevrouw Van der Plas. Zij legde een amendement neer over de verhoging van geldboetes, met allerlei toepassingen. Dit wordt niet proportioneel geacht. Om die reden ontraad ik dit amendement zoals dat is vormgegeven.
In het amendement op stuk nr. 35 van mevrouw Van der Plas doet zij het voorstel om in een wet te regelen dat een directeur kan bepalen dat een vreemdeling zijn zakgeld zou moeten gebruiken om schade die hij heeft veroorzaakt te vergoeden. Ik snap de bedoeling van het amendement. Ik wil eraan meewerken om dat op een goede manier opgeschreven te krijgen. Want door de manier waarop het nu is geformuleerd, kan het de indruk wekken dat de mogelijkheden die de directeur heeft om kwesties met de vreemdeling af te wikkelen, worden beperkt. Het gaat, denk ik, om de juridische vormgeving. Mogelijk bent u bereid om hierover contact te hebben met ons.
De voorzitter:
Dan constateer ik dat het amendement in de huidige vorm wordt ontraden, dat mevrouw Van der Plas met een gewijzigd amendement komt en dat de minister vervolgens voor de stemmingen komt met een nadere appreciatie.
Minister Van den Brink:
Zeker, zeker.
De voorzitter:
De moties.
Minister Van den Brink:
De moties, of nog een paar vraagjes.
De voorzitter:
O, gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
In welke volgorde wilt u dat?
De voorzitter:
Wat voor u het handigst is.
Minister Van den Brink:
Dan draai ik het gewoon om.
Mevrouw Van der Plas had nog een vraag over de termijn en de gegevens. De regels voor het bewaren van gegevens zijn aangepast om de regelingen in lijn te brengen met de AVG. Gegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor het doel waarvoor ze zijn vergaard. Het doel is hier bewaring. Als de bewaring eindigt, moet de directeur van de inrichting die gegevens binnen een redelijke termijn verwijderen. Dat is zes maanden na het einde van de detentie. Het heeft eigenlijk vooral een AVG-achtergrond dat zes maanden als een redelijke termijn wordt gezien als het doel, namelijk de bewaring, is beëindigd. Dat was nog een vraag van mevrouw Van der Plas in de tweede termijn.
Dan heb ik hier nog een paar losse vragen, die deels samenhangen met het debat dat we gehad hebben over de uren en het amendement. Ik neem dan even twee vragen samen, namelijk de vraag van de heer Ellian en de vraag van mevrouw Straatman of het flexibel genoeg is wat betreft de uitvoering. Het is sowieso de bedoeling dat de terugkeermaatregelen uit deze wet direct in werking worden gesteld. Met de DJI en de uitvoerders hebben we afgesproken om voor de bewaring en de eisen daartoe een ingroeiperiode te hanteren, zodat we daarnaartoe groeien. Ik ga niet de maatregelen die hierin zitten en de uren invoeren op het moment dat we daar nog niet de personele capaciteit voor hebben aangepast. Dat is de reden dat we daar op een zorgvuldige manier mee omgaan. Daarmee hebben we ook voldoende flexibiliteit om dit te realiseren.
Dat is dan ook gelijk de brug naar een antwoord op de vraag van de heer Ellian, die vraagt: bij welk urencriterium bent u wel bereid om het amendement oordeel Kamer te geven? Daar is geen harde grens voor, maar wij willen geen risico's nemen waardoor deze wet mogelijk niet meer toepasbaar zou zijn. Ook dat is een uitvoeringskwestie. Ik snap heel goed welk vertrekpunt u kiest vanuit de uitvoering, maar deze wet moet ook uitvoerbaar blijven in juridische zin. Het insluitingsuur in die zin aanpassen, vinden wij een nieuw risico. Door er genoeg tijd voor te nemen, borg ik dat het in de uitvoering ook hanteerbaar is.
De voorzitter:
Twee interrupties. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Een hele korte vraag. De minister zegt: die flexibiliteit zit in het ingroeipad. Maar op het moment dat we op dat niveau zijn, is er dan ook nog flexibiliteit in het afbouwpad?
Minister Van den Brink:
Ik noemde dat ook al richting de heer Ceulemans, volgens mij. Dat is wel het geval op het moment dat je in een situatie zit waarin je er gewoon even niet uitkomt, maar niet in de structurele opzet van de bestuursrechtelijke vormgeving van deze vreemdelingenbewaring. We bouwen aan de situatie waarin we dat kunnen doen met voldoende inzet van personeel vanuit de DJI.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is dus precies de situatie die we nu bijvoorbeeld in Alphen zien, namelijk dat we te weinig mensen hebben, dat je ruimte wil zoeken om te kunnen afbouwen en dat je daarin flexibel wil zijn. Dit vreemdelingenregime kan misschien binnen nu en een paar jaar goed op orde zijn, maar wat als de arbeidsmarkt na die twee jaar heel anders is? Ik wil daarvoor ook een goede regeling.
Minister Van den Brink:
Daarin komt natuurlijk ook bij elkaar wat de oorsprong van de wet is. De wet heeft als oorsprong dat we iets zouden herstellen wat we niet meer mochten volgens allerlei uitspraken. Dit is dus ook een soort correctie op die periode. U zegt: dan hebben we dat gerealiseerd, maar als er een nieuwe situatie komt, dan moeten we opnieuw handelen. In die zin is het voor mij geen principieel punt. Het gaat om de inschatting dat dit als voldoende bestuursrechtelijk wordt gezien. Dat is voor mij het ijkpunt. Dat de uitvoering daar een relevant onderdeel van is, neem ik zeer ter harte. Maar de uitvoering is vooral gediend bij een juridisch houdbaar stelsel. Dat heb ik hier neergezet.
De heer Ellian (VVD):
Even op dat punt. Er wordt nu door de minister een beetje gedaan alsof de aanscherpingen die door mijzelf of door collega Van der Plas of mevrouw Straatman zijn voorgesteld, ertoe leiden dat het net een strafrechtelijk regime wordt. Dan nodig ik de minister uit: laten we gaan kijken in een paar penitentiaire inrichtingen. Daar mag je niet zomaar op internet. Daar mag je je niet vrij bewegen. Daar mag je niet je eigen dagprogramma kiezen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ellian (VVD):
Ik snap dus niet zo goed waar die angst vandaan komt dat die twee uur langer ingesloten zijn ertoe zal leiden dat dit een te zwaar regime wordt.
Minister Van den Brink:
Dat probeer ik dus in alle zorgvuldigheid te verwoorden. De uren die men wordt ingesloten, zijn natuurlijk wel het meest onderscheidende criterium. Dat is het meest onderscheidende criterium waarop getoetst gaat worden en waar in het verleden uitspraken over zijn gedaan. Daar probeer ik nu zo zorgvuldig mogelijk mee om te gaan, omdat ik er zo veel waarde aan hecht dat we deze wet in stand houden en hem naar de eindstreep brengen, in parlementaire zin, maar ook in de uitvoeringszin, dus dat hij juridisch standhoudt. Ik zou mezelf niet willen bestempelen als voorzichtig in de manier waarop ik zoek naar ruimte en naar wat er kan, maar hierin ben ik misschien op dit moment wel even voorzichtig. Dat heeft vooral te maken met de oorsprong van deze discussie, namelijk: hoe kunnen we iets bestuursrechtelijk op orde brengen, zodat we niet het risico lopen dat we weer uitspraken krijgen die de boel onderuithalen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ook op dit punt. Ik heb geen principieel bezwaar tegen het punt van de heer Ellian, maar ik heb de afgelopen jaren vaker meegemaakt dat de Kamer, tegen het advies van het kabinet in, iets wil en dat de rechter dat vervolgens terugfluit, waardoor je soms gewoon jarenlang stilstaat. Ik zou even aan de minister willen vragen of hij, ook voor de beoordeling, het volgende kan schetsen. Nogmaals, ik ben hier niet principieel op tegen. Maar er zal uiteraard worden geprocedeerd; dat kan ik me nu zo voorstellen. Als het afgewezen wordt, wat is dan het gevolg daarvan? Ik vraag dit zodat we als Kamer kunnen wegen of we dat risico willen lopen, met als gevolg dat we de keten alsnog niet op orde krijgen op dit vlak.
Minister Van den Brink:
Deze vraag nodigt uit om daar met grote woorden over te spreken, maar dat wil ik dus ook weer niet doen. Ik wil gewoon dat het standhoudt op de manier waarop we het nu aan het vormgeven zijn. Ik wil dus niet een soort risicoanalyse maken van wat er dan gebeurt. Ik kan alleen zeggen wat ik al herhaaldelijk heb gezegd. We corrigeren hier een situatie die niet meer mocht. Ik wil daarin dus geen risico's nemen. Ik wil dat niet in de waagschaal stellen. Dat is de meest simpele waarschuwing die ik op dit punt kan geven.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat deel ik. Nogmaals, ik ben niet principieel tegen het amendement. In principe denk ik: nou ja, waarom ook niet? Maar ik vind dit wel te licht van de minister, want straks gaan wij in de fracties overleggen. Ik denk dat door dit oordeel van de minister sommige partijen zullen zeggen: nou ja, dan nemen we dat risico wel. De minister schetst namelijk ook niet wat de gevolgen zijn voor dit land als we over een paar maanden wel met de uitspraken te maken hebben, die dit kabinet dan natuurlijk zal moeten gaan opvolgen. Ik doe dus toch nog een poging.
Minister Van den Brink:
Wat we …
De voorzitter:
Neeneenee. "Een poging …"
Minister Van den Brink:
Sorry.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister kent de fractiedynamiek. Hij weet ook dat men vooral wil. Het is zeer prijzenswaardig dat men dingen wil regelen, maar het heeft ook gewoon zware gevolgen op het moment dat het juridisch geen stand houdt. Ik ben dus toch even benieuwd. Stel je voor dat over een paar maanden, na procederen, blijkt dat dit op het punt van de heer Ellian geen standhoudt. Wat zijn daar dan de gevolgen van? Dan kunnen we dat binnen de fractie in alle breedte wegen.
Minister Van den Brink:
Sowieso denk ik dat de aanname klopt dat hierover geprocedeerd wordt. Laten we één ding vaststellen in dit domein — ik wist het al, maar na elf weken weet ik het nog meer — namelijk dat hier alles langs de lijn gaat van procedures, ook rechterlijke procedures. Uiteindelijk komt er dus een uitspraak van een rechter. Is dat een negatieve uitspraak, dan wordt daarmee het instrument ter discussie gesteld. En als het instrument ter discussie wordt gesteld, dan kan dat op heel veel manieren tot uiting komen, maar de meest zware vorm zou zijn dat je dit instrument niet meer mag hanteren. Onlangs is het Aroja-arrest verschenen. Dat heeft gewoon een directe werking voor mensen die er op dat moment langer dan de genoemde periode zaten. Zij werden dus in vrijheid gesteld. Als een juridische uitspraak zou volgen, dan is dat het meest vergaande effect. Daarom probeer ik in dit debat de hele tijd de balans te bewaken.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording.
Minister Van den Brink:
De heer Ceulemans heeft nog gevraagd naar de ongewenstverklaring en het strafmaximum van twee jaar. Die termijn is aangepast. Die was drie jaar, maar is nu naar twee jaar gebracht. Dat wordt wel gezien als de maximale, proportioneel te hanteren termijn. Het gaat hier om een aan een vreemdeling op te leggen individuele ongewenstverklaring. Die moet natuurlijk onderbouwd worden, want hij mag niet meer inreizen, hij mag niet meer in Nederland zijn. Twee jaar wordt gezien als het maximale bij de proportioneel te nemen maatregelen.
Dat als slotvraag.
De voorzitter:
Ook van de heer Ceulemans? Dan kunt u die wellicht … Een slotvraag?
Minister Van den Brink:
O, nee. Dit is de slotvraag en dan ga ik naar de vraag van mevrouw Straatman. Dus dat is een andere vraag.
De heer Ceulemans (JA21):
De minister zegt dat dit wordt gezien als de ondergrens bij proportionaliteit, maar mijn vraag was eigenlijk of het met richtlijnen, verdragen et cetera botst als we die lager zouden leggen. Nu klinkt het alsof het gewoon een politieke afweging van Nederland is, zo van "als je die lager legt dan die twee jaar, dan vinden wij het niet meer proportioneel", terwijl er natuurlijk ook gewoon veel voordelen aan kleven. Je kunt dan namelijk mensen die structureel overlast geven maar wel onder die grens van twee jaar zitten, voortaan op een kan-basis de toegang tot Nederland ontzeggen. Botst het ergens mee als we die lager zouden leggen?
Minister Van den Brink:
De ongewenstverklaring is op zichzelf een nationale maatregel. Dat is onze maatregel hier. Daarmee is het ook onze weging van proportionaliteit. Eerder hadden we die op drie jaar gelegd, maar die wordt nu naar twee jaar gebracht. Dat wordt dan wel als de ondergrens gezien.
Mevrouw Straatman heeft mij een college gegeven over artikel 18 van de Terugkeerrichtlijn. De Terugkeerrichtlijn staat inderdaad toe dat in noodsituaties kan worden afgeweken van de bewaringsregels. Met deze mogelijkheid zouden we in noodsituaties vreemdelingen in een gewone gevangenis kunnen onderbrengen. Het moet volgens de richtlijn wel gaan om onverwachte situaties. Het artikel geeft expliciet aan dat lidstaten dit niet mogen gebruiken om de Terugkeerrichtlijn te omzeilen. De ruimte is dus echt beperkt.
Indertijd heeft het kabinet er niet voor gekozen om deze mogelijkheid te implementeren. In de Terugkeerverordening die eraan komt, is dit evenwel ook opgenomen. Omdat die Terugkeerverordening een directe werking heeft, kunnen we zodra de verordening van toepassing wordt, gebruikmaken van deze mogelijkheid. Op die manier heeft u mij dus geholpen om iets wat ik nog niet wist, op te lossen. Dank daarvoor.
Ik kom aan bij de moties.
De eerste motie is de motie op stuk nr. 36 van mevrouw Westerveld. Zij verzoekt de regering om voor de zomer aan de Kamer een concreet plan voor te leggen. Wij zijn al bezig met een plan voor een alternatief voor Veldzicht. Om dit op zorgvuldige wijze te realiseren hebben wij meer tijd nodig dan de tijd die zij ons geeft. Om die reden is de overgangsperiode die in eerdere moties aan de orde kwam, verlengd. Een concreet plan voor de zomer is vooralsnog niet te realiseren. Om die reden zou ik deze motie nu moeten ontraden. Vergeet niet dat dit debat zeker een vervolg krijgt, of bij ons of bij de commissie VWS.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik verbaas me daar wel over, want hierop werd door de Kamer al eind 2024 in moties van mevrouw Lahlah en van mevrouw Podt gewezen. De Kamer riep breed op te voorkomen dat het aantal bedden al zou worden afgebouwd terwijl er nog geen alternatief is. In de laatste brief van de minister las ik dat er nog geen alternatief is, terwijl 2027 al wel als deadline is gesteld. Mijn vraag aan de minister is of hij dan in ieder geval af wil stappen van die deadline van 2027, want als er nog geen passend alternatief is, vind ik het echt een heel groot risico, voor de mensen zelf, maar ook voor onze samenleving, als deze doelgroep geen passende psychiatrische hulp krijgt.
Minister Van den Brink:
Ik denk dat ik misschien geholpen ga worden door een appje op mijn telefoon. We gaan niet zomaar afschalen. We hebben daar nog steeds bedden beschikbaar, om het zo te zeggen. Het is dus niet zo dat dat allemaal in één keer vervalt. Dit blijft natuurlijk een onderdeel van het gesprek met Veldzicht en de partijen die we nodig hebben om daar een andere vorm en inhoud aan te geven. Maar volgens mijn parate kennis is het niet zo dat dit zomaar, ineens, vervalt. Dit is echt wel een onderdeel van het overleg dat we continu met elkaar voeren. Ik ga daar overigens binnenkort op bezoek en ga daarover dan ongetwijfeld meer in overleg. Dat kan dan een reden zijn om u opnieuw te informeren.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
In de laatste brief, van mei, zegt deze minister dat die deadline van 1 april 2026 niet gaat lukken en dat daarom is besloten om die overgangsperiode te verlengen tot 1 januari. In diezelfde brief zegt de minister ook dat we nog in gesprek zijn over allerlei alternatieven. Dat stelt mij niet gerust, want er wordt wel gesteld dat er wordt afgebouwd, maar we hebben nog geen alternatieven. Daarom heb ik deze motie op deze manier geformuleerd, om ook recht te doen aan die eerdere uitspraak van de Kamer.
Minister Van den Brink:
Laat ik in die zin toezeggen dat als ik die gesprekken verder heb gebracht en weet wat een nieuw moment kan zijn om dat wel te realiseren, ik u daar zo snel mogelijk over informeer. Maar we zijn dus nog steeds in gesprek. Ik heb daar nu gewoon niet een andere deadline voor dan die waarover we eerder hebben gecommuniceerd. En dit alles nog steeds in de wetenschap dat we niet zomaar stoppen met iets; het blijft een onderdeel van het overleg dat we hebben.
De voorzitter:
De tweede motie, die op stuk nr. 37.
Minister Van den Brink:
Die is van de heer Van Dijk, de heer Ceder en de heer Ceulemans, om op de kortst mogelijke termijn te reageren op de Algemene Rekenkamer. Dat is denk ik ook noodzakelijk voor wat er is gevraagd. Dus deze motie geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 37 krijgt oordeel Kamer. Nu de motie op stuk nr. 38.
Minister Van den Brink:
Deze motie van de heer Russcher vraagt mij om onderzoek te doen naar allerlei publieke en Europese financiering bij ngo's en belangenorganisaties. Ik zie dat niet als mijn klus. Kijk, u kent de financiering van de sociale advocatuur. Die is terug te vinden in de begrotingen. Maar wat daarbuiten gebeurt, is geen onderdeel van onderzoek. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 39 is van mevrouw Vondeling en de heer Ceulemans. Dit is eigenlijk hetzelfde als wat we net al bespraken: hoever de insluitingsduur kan worden verlengd. Ik heb daar net al wat over gezegd. Om die reden ontraad ik deze motie op stuk nr. 39.
De voorzitter:
De vijfde motie, die op stuk nr. 40.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 40 vraagt om de kosten die gemaakt zijn voor een geplande uitzetting te verhalen op de vreemdelingen. Ik vind echt dat dit eigenlijk meer een uitvoeringsafweging is. Er is geen juridisch beletsel, maar elke keer dat dit gepoogd is, waren de kosten om te verhalen hoger dan het resultaat. En dat resultaat is vaak nul. Dus er is niet een juridisch beletsel, maar gewoon gelet op de uitvoering en de ervaringen daarmee ontraad ik deze motie, omdat ik daar geen direct resultaat van verwacht.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40: ontraden. De motie op stuk nr. 41.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 41. Wij sluiten geen enkele luchthaven uit, maar het is ook weer geen doel op zich dat het per se vanaf die plek moet. We moeten wel naar bepaalde lidstaten of landen kunnen vliegen om mensen uit te kunnen zetten, en ik ga niet over de exacte slots. Om die reden ontraad ik de motie op stuk nr. 41.
De voorzitter:
Nu de motie op stuk nr. 42.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 42, dat is het hele debat dat mevrouw Van der Plas met mij heeft gevoerd over het leefgeld in de inrichting. Ik ontraad deze motie. Dit is gewoon echt hoe in de uitvoering de beheersbaarheid van de instelling wordt geborgd.
De motie op stuk nr. 43 van de heer Van Baarle vraagt om de medische gevolgen van toepassing van lockdownmaatregelen onafhankelijk ... Daar hebben we net een debat over gehad. Dit wordt al beperkt tot het noodzakelijke en daar voegt een evaluatie niets aan toe. Dus die motie ontraad ik.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 43: ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 44 over de uitzonderingsbevoegdheden. Die ontraad ik. Ik heb het amendement van de heer Van Baarle al oordeel Kamer gegeven.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 45.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 45 vraagt te waarborgen dat personeelsproblemen, capaciteitsproblemen of organisatorische problemen nooit zelfstandig aanleiding vormen voor toepassing van vergaande beperkingen van bewegingsvrijheid of dagbesteding. Dit geldt al voor de afwijkingsbevoegdheid en de lockdown. Voor de andere in de motie genoemde punten kun je dat niet zo hard toezeggen. Ik heb er net al met andere Kamerleden het debat over gevoerd dat er in de uitvoering altijd keuzes gemaakt moeten worden als er sprake is van ziekte of andere organisatorische problemen. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 45 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 46.
Minister Van den Brink:
De heer Van Baarle verzoekt de regering bij de uitvoering van de wet het bestuursrechtelijke en humane karakter van vreemdelingenbewaring expliciet centraal te stellen. Dat is het hele bestaansrecht van deze wet, dus deze motie krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 46 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 47, van de heer Ceder, vraagt om bij deze wet een invoeringstoets te doen. Ik snap dat dat, ook gelet op alle uitvoeringsvragen, een goede manier is om er over twee jaar naar te kijken. Dan doen we dat wel na volledige inwerkingtreding, want dan zien we ook echt hoe het is uitgepakt. Deze motie krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 48 loopt eigenlijk op de zaken vooruit. Tegenwoordig mag je dan het woord "ontijdig" gebruiken vanaf deze plek.
De voorzitter:
Formeel vraagt u de heer Ceder dan of hij bereid is om de motie aan te houden, en als hij dat niet is, kunt u de appreciatie "ontijdig" geven.
Minister Van den Brink:
O, sorry. Dat wist ik niet. Dan heb ik weer wat geleerd.
De voorzitter:
Ja.
Minister Van den Brink:
Maar even inhoudelijk: ik kom met een plan van aanpak voor de openstaande aanvragen. Daarin maak ik een heel aantal keuzes. Het tweede punt uit het dictum, om bij de augustusbesluitvorming voldoende middelen ter beschikking te stellen, is nu sowieso niet aan de orde. De middelen die in het coalitieakkoord staan, moeten gewoon voldoende zijn, want we hebben stabiele financiering geregeld. De andere keuzes volgen in het plan van aanpak. Om die reden is de motie nu ontijdig, omdat ik met een plan van aanpak kom. Op het tweede punt zou ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Is de heer Ceder bereid om de motie aan te houden?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp dat het plan van aanpak er al over een paar weken is?
Minister Van den Brink:
Ja, over twee weken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Over twee weken?
Minister Van den Brink:
Morgen over twee weken, ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan houd ik de motie aan.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Ceder stel ik voor zijn motie (35501, nr. 48) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Is de minister daarmee aan het einde van zijn tweede termijn gekomen?
Minister Van den Brink:
Nou, ik had dus de planning om hier de hele dag te blijven, tot vanavond laat, dus ik ben nu wel op zoek naar een activiteit.
De voorzitter:
Daag de Kamer niet uit, hè, excellentie, daag de Kamer niet uit!
Minister Van den Brink:
Oké. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u voor uw aanwezigheid en de beantwoording van de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van deze wet.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik wijs de leden erop dat de stemmingen over de amendementen, de moties en het wetsvoorstel zullen plaatsvinden op dinsdag 2 juni. Ik sluit de vergadering van donderdag 21 mei.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20252026-72-14.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.