Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het
wetsvoorstel Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van
bepalingen inzake het correctief referendum (26156),
en over:
- de gewijzigde motie-Rehwinkel/Brood over het uitschrijven
van een raadplegend referendum door een bestuursorgaan niet met betrekking
tot eigen besluitvorming (26156, nr. 7).
(Zie vergadering van 10 februari 1999.)
De artikelen I t/m V en de beweegreden worden zonder stemming aangenomen.
De voorzitter:
Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.
Mevrouw Halsema (GroenLinks):
Mevrouw de voorzitter! De fractie van GroenLinks beschouwt opname van
het correctief referendum in de Grondwet als een belangrijk politiek moment.
Wij onderschrijven niet het door sommigen geuite bezwaar dat het toestaan
van referenda kan leiden tot het ondergraven van het vertegenwoordigend stelsel.
Wij gaan er zelfs van uit dat het correctief referendum het politieke primaat
in brede zin versterkt. Wij vinden ook dat de wetgever door het toestaan van
het correctief referendum uitspreekt vertrouwen te hebben in het oordeel van
de burgers en beschouwen dit als een groot goed.
De fractie van GroenLinks heeft het initiatief tot herziening van de Grondwet
van het eerste Paarse kabinet dan ook vanaf het begin van harte ondersteund.
Dit neemt niet weg dat wij teleurgesteld zijn over het voorstel van wet dat
deze week in tweede lezing door de Kamer is behandeld. Naar ons idee liggen
de drempels te hoog, waarmee het afdwingen van een referendum wordt ontmoedigd.
We hebben er moeite mee dat de aantallen die nodig zijn voor het houden van
een referendum zijn opgenomen in de Grondwet. Daarnaast zijn naar ons idee
te weinig onderwerpen referendabel gemaakt.
Mijn fractie betreurt deze keuzes van de grondwetgever ten zeerste en
ze hebben onze vreugde over de grondwetsherziening dan ook verminderd. Wij
stemmen in met het voorstel, zij het met bedenkingen.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de SP, GroenLinks,
de PvdA, D66 en de VVD voor het wetsvoorstel hebben gestemd en die van de
overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.
Ik stel vast, dat dit wetsvoorstel met de vereiste gekwalificeerde meerderheid
is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Rehwinkel/Brood (26156, nr. 7).
De voorzitter:
Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf.
Mevrouw Van der Hoeven (CDA):
Voorzitter! De CDA-fractie zal tegen deze motie stemmen. In de eerste
plaats heeft de minister gisteren toegezegd dat hij met een notitie zal komen
over de ins en outs van het wettelijk regelen van het raadplegend referendum.
In de tweede plaats vinden wij de motie overbodig. In de derde plaats wil
de motie slechts één aspect van het raadgevend referendum wettelijk
regelen, namelijk de inperking van de lokale autonomie. De motie gaat op dit
punt zeer ver en mede daarom zullen wij haar niet steunen.
Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):
Voorzitter! In de motie wordt gevraagd om een verbod van raadplegende
referenda voor provincies en gemeenten op terreinen waar deze organen geen
eindverantwoordelijkheid hebben. D66 zal om de volgend redenen tegen deze
motie stemmen. In de eerste plaats heeft de minister een integrale notitie
over raadplegende referenda toegezegd. Wij vinden het chic om op die notitie
te wachten en vervolgens tot een integrale beoordeling te komen. In de tweede
plaats houdt het in de motie voorgestelde verbod een forse aantasting van
de gemeentelijke en provinciale autonomie in. Deze aantasting wordt naar ons
oordeel niet gerechtvaardigd door de praktijk zoals die zich tot nu toe heeft
ontwikkeld. Wij beschouwen deze motie als een typisch voorbeeld van Haagse
betweterigheid en wij zullen haar dan ook niet steunen.
De voorzitter:
Ik constateer, dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, de
VVD en de SGP voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en die van de overige
fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.