Gemeenteblad van Barendrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barendrecht | Gemeenteblad 2026, 98129 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barendrecht | Gemeenteblad 2026, 98129 | beleidsregel |
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Barendrecht 2026
Wanneer jeugdigen en ouders vragen hebben of ondersteuning nodig hebben als het gaat om opgroeien en opvoeden, kunnen zij terecht bij het wijkteam. In de Jeugdwet is dit in artikel 2.3 als volgt verwoord:
Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
Leidend in het bepalen of er sprake is van een jeugdhulpvraag zijn de eerste vier stappen zoals bepaald door de Centrale Raad van Beroep:
Voor het beoordelen van de eigen mogelijkheden van ouders moeten een aantal factoren worden onderzocht. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te treffen.
In het onderzoek staat centraal wat de oorzaak achter de vraag is. Het uitgangspunt is om zo veel als mogelijk te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke hulpvragen en problemen ‘normaal’ zijn. Voor normaliseren geldt:
Kwetsbaarheid, problemen en ‘gedoe’ horen bij het leven. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost.
Als het gaat om de inzet van een individuele voorziening gelden de volgende uitgangspunten rondom normaliseren:
De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen. De ontwikkelingsleeftijd van een jeugdige kan variëren door een aandoening of stoornis. Dit betekent dat wanneer een jeugdige op een jongere ontwikkelingsleeftijd functioneert door een aandoening of stoornis de ‘normale’ problemen van die ontwikkelingsleeftijd ook als gewoon worden beschouwd, ondanks een hogere kalenderleeftijd.
1.2 Eigen verantwoordelijkheid en probleemoplossend vermogen
Van ouders wordt in ieder geval verwacht dat zij de benodigde ondersteuning bieden die horen bij de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’. En indien er een aanvullende verzekering is afgesloten deze aanspreken wanneer deze vergoeding biedt voor de gevraagde hulp. Voor deze ondersteuning kan in principe nooit jeugdhulp worden ingezet.
Uitgangspunt is daarnaast dat ouders allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor de hulp en ondersteuning aan hun kind(eren), ook wanneer deze meer nodig heeft aan hulp en ondersteuning dan gemiddeld door een beperking of stoornis.
Jeugdhulp is alleen mogelijk wanneer ouders niet alle hulp en ondersteuning kunnen bieden en het netwerk en andere voorzieningen onvoldoende helpen om de hulpvraag te beantwoorden. Of wanneer de jeugdige specialistische zorg nodig heeft.
Indien ouders niet alle hulp en ondersteuning zelf kunnen bieden, wordt onderzocht in hoeverre zij wel meer zouden kunnen doen wanneer zij nieuwe vaardigheden leren, eigen problematiek aanpakken of werk anders inrichten.
In de beoordeling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt de (over)belasting van ouders altijd meegewogen. Wanneer de hulp en ondersteuning tot overbelasting kan leiden, is het soms noodzakelijk om (tijdelijk) jeugdhulp in te zetten ter ontlasting van ouders en om te zorgen dat ze de overige zorg volhouden. Ook kan opvoedondersteuning nodig zijn om ouders meer vaardigheden aan te leren in relatie tot de problematiek van hun kind, waardoor zij zich minder belast voelen in de dagelijkse opvoeding.
1.2.1 Onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Het kan zijn dat het ouders op het moment van onderzoek niet lukt om alle hulp zelf te bieden. Het kan zijn door overbelasting (niet samenhangend met de zorg aan het kind), door werk, door gebrek aan vaardigheden, door eigen problematiek, etc.
Wat hebben ouders nodig om het wel te kunnen, of om meer te kunnen bieden?
Hierin wordt in ieder geval verwacht van ouders dat zij, waar mogelijk;
Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap, psychosociale problematiek of financiële problematiek, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder andere wetgeving of algemene voorzieningen, ook als de jeugdige een handicap heeft.
Specialistische opvang van een jeugdige kan wel jeugdhulp zijn wanneer er sprake is van problematiek die ervoor zorgt dat er geen reguliere opvangplek mogelijk is en ouders (en netwerk) al hun opties hebben onderzocht en benut, maar dit nog onvoldoende oplossing biedt. Reguliere opvang is vaak niet mogelijk wanneer een jeugdige specialistische (1-op-1) begeleiding vraagt door gedrag, een beperking of stoornis. In die gevallen kan er aanvullend jeugdhulp nodig zijn op een reguliere opvang, of volledig specialistische opvang.
Op het moment dat ouders aangeven overbelast te zijn, of wanneer er op basis van het onderzoek twijfel is over de draagkracht en belastbaarheid van ouders, wordt de belastbaarheid gemeten via een gevalideerd instrument, of wordt een deskundige geraadpleegd die in staat is om de belastbaarheid te beoordelen (onafhankelijk medisch advies).
Voorbeelden van gevalideerde meetinstrumenten zijn: OBVL (opvoedbelasting vragenlijst), CSI (Caregiver Strain Index), EDIZ (Ervaren Druk Informele Zorg), etc.
Het wordt niet van ouders verwacht dat zij alle zorg en ondersteuning alleen bieden wanneer een jeugdige aangewezen is op 24 uur toezicht en hulp, maar (nog) geen aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz). Indien er onvoldoende netwerk of overige voorzieningen beschikbaar zijn, dan kan het inzetten van jeugdhulp een oplossing zijn om overbelasting van ouders te voorkomen.
2. Voorliggende en andere voorzieningen
Een voorliggende voorziening is een voorziening waar jeugdige en ouders een beroep op kunnen doen, waardoor geen of in mindere mate ondersteuning vanuit de Jeugdwet nodig is. Bij voorliggende voorzieningen voor de Jeugdwet valt te denken aan algemene voorzieningen, de Wlz, Zvw en Passend Onderwijs. Onderstaand is toegelicht wanneer welke voorziening van toepassing is.
Een algemene voorziening is een voorziening die toegankelijk is voor iedereen, zonder toegangstoets of op basis van een beperkte toegangstoets. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet. Dit betekent dat bij een aanvraag eerst beoordeeld wordt in hoeverre een algemene voorziening beschikbaar is. Indien nodig kan er aanvullend een individuele voorziening worden ingezet voor dat deel van de ondersteuning waar geen algemene voorziening beschikbaar voor is.
Een belangrijk doel van de Jeugdwet is het voorkomen van problemen en door vroegtijdige inzet van hulp zwaardere vormen van jeugdhulp te voorkomen. Het versterken van de veerkracht/samenredzaamheid van de samenleving, zodat mensen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun eigen welzijn en dat van anderen.
Preventie richt zich op jeugdigen en ouders met een verhoogd risico op ontwikkelingsachterstand of uitval. Preventie valt onder de algemene voorzieningen en is daarmee voorliggend op een individuele voorziening uit de Jeugdwet.
2.1.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een algemeen gebruikelijke voorziening is voorliggend aan een individuele voorziening en voldoet aan de volgende criteria. De voorziening:
Onder algemeen gebruikelijke voorzieningen hoort ook het algemeen gebruikelijk onderhoud. Dit zijn situaties waarbij de kosten voor onderhoud en reparatie als gangbaar kunnen worden beschouwd en horen bij het gebruik van deze voorzieningen.
De Wlz is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt.
Er wordt geen voorziening vanuit de Jeugdwet ingezet:
Het kan zo zijn dat tegelijkertijd vanuit de Wlz en Jeugdwet zorg wordt ingezet. Dit is het geval bij zorg die onder de Jeugdwet valt en niet onder de Wlz, zoals psychische zorg of pleegzorg.
Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een besluit is genomen.
De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten:
De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Ook jeugdigen onder de 8 jaar kunnen toegang krijgen tot de Wlz. Het CIZ toetst op het criterium ‘gebruikelijke zorg’, hierbij speelt de leeftijd van de jeugdige een rol.
Wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft, blijft de behandeling van een psychische stoornis onder de Jeugdwet vallen. Uitzondering is wanneer de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Alleen in dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Wlz.
Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Jeugdwet.
Passend onderwijs is in Nederland ingevoerd om ervoor te zorgen dat alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen, ook als zij extra ondersteuning nodig hebben. Deze plicht geldt voor het primair en voortgezet onderwijs. De zorgplicht van scholen houdt in dat scholen verantwoordelijk zijn voor het bieden van een passende onderwijsplek aan elke leerling, ook als die extra ondersteuning nodig heeft. Deze verplichting geldt zowel voor leerlingen die al op school zitten als voor nieuw aangemelde leerlingen.
Specialistische jeugdhulp tijdens het onderwijs is in sommige gevallen noodzakelijk om daarmee ook het risico op uitval van school te voorkomen door de jeugdhulpproblematiek die aanwezig is. De jeugdhulp is dan alleen gericht op de doelen die onder de jeugdwet vallen en die tot deze uitval zouden kunnen leiden. Doel van de inzet vanuit school, en de eventuele aanvullende jeugdhulp die nodig is, is om te zorgen dat kinderen en jongeren niet uitvallen van school en zoveel mogelijk op elkaar aansluiten.
Om te bepalen of er jeugdhulp noodzakelijk is op school is er in alle gevallen eerst een Ontwikkelperspectief Plan (hierna: OPP) nodig. Deze wordt door school opgesteld en ouders moeten akkoord gaan met het handelingsdeel uit het OPP.
School is verplicht om bij elke leerling een OPP op te stellen wanneer er extra ondersteuning nodig is, ook in het regulier onderwijs. In dit OPP moet minimaal opgenomen zijn:
Zonder OPP kan er geen jeugdhulp worden ingezet op school, omdat de ondersteuningsbehoefte op school dan niet beoordeeld kan worden.
Op basis van de gestelde resultaten uit het OPP en de benodigde ondersteuning kan worden bepaald of er ook resultaten zijn die gaan over jeugdhulp en niet over het volgen van onderwijs.
Het kan zijn dat doelen tweeledig zijn en alleen deels onder de Jeugdwet vallen. Dan wordt alleen voor dat deel jeugdhulp ingezet.
Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van vrijstelling of de aanvraag hiervoor loopt. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan het lokale team, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. Het lokale team beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de jeugdwet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet.
School moet beoordelen welke vorm van onderwijs kan worden geboden. Opvang op zichzelf, omdat een leerling niet volledig naar school kan is geen jeugdhulp.
2.5 Wet maatschappelijke ondersteuning
Hulpmiddelen voor jeugdigen, zoals woningaanpassingen of rolstoelen, worden vanuit de Wmo verstrekt. Wanneer een jeugdige naast een hulpvraag voor jeugdhulp ook een hulpmiddel nodig heeft, betrekt het lokale team de klantmanager Wmo voor beoordeling van dat deel van de hulpvraag.
Daarnaast wordt de klantmanager Wmo ook betrokken door het lokale team wanneer er bij ouders sprake is van een hulpvraag die valt onder de Wmo.
Wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning zorgt het lokale team ervoor dat de klantmanager Wmo tijdig wordt betrokken voor een overdracht. Indien het lokale team niet betrokken is, doordat jeugdige jeugdhulp ontvangt op basis van een medische verwijzing, zorgt de betrokken jeugdhulpaanbieder voor een tijdige overdracht. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels.
3. Toelichting vormen van jeugdhulp
Van veel voorzieningen is in de (landelijke) regelgeving of richtlijnen duidelijk welke criteria gelden. Vervoer jeugd vraagt om een nadere toelichting als het gaat om het afwegingskader. In dit hoofdstuk zijn deze afwegingskaders beschreven.
In artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet is beschreven wanneer vervoer onder jeugdhulp valt:
“Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.”
Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Van ouders wordt verwacht dat zij hun kind zelf vervoeren.
In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige kan er een vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer. Dat wil zeggen dat wanneer zowel individueel als groepsvervoer passend is, er wordt gekozen voor het goedkopere groepsvervoer.
Van medische noodzaak is sprake wanneer een jeugdige door zijn psychische, lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van het openbaar vervoer.
Van beperkingen in de zelfredzaamheid is sprake wanneer:
Om voor vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in aanmerking te komen:
Ander vervoer van jeugdigen dan naar de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld sociaal recreatief vervoer) valt onder gebruikelijke zorg en eigen kracht. Als dit niet toereikend is dan kan dat vervoer onder de Wmo 2015 vallen, als deze sociale contacten noodzakelijk zijn en het eigen netwerk geen mogelijkheden biedt.
Er kan geen Pgb voor formeel vervoer worden toegekend. Wanneer de jeugdige in verband met zijn problematiek moet worden begeleid tijdens het vervoer, wordt in eerste instantie van ouders verwacht dat zij zelf, of iemand uit hun netwerk, deze begeleiding bieden. De eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdige worden conform artikel 5.2 uit de verordening Jeugdhulp en artikel 1.2 en 1.2.1 van deze beleidsregels beoordeeld. Alleen op hoge uitzondering kan een Pgb begeleiding worden toegekend. Dit geldt alleen op het moment dat het kind meereist. Voor een ‘lege’ terugreis wordt geen Pgb verstrekt.
4. Het persoonsgebonden budget
Op basis van de Jeugdwet kan een individuele voorziening worden ingezet in de vorm van door de gemeente gecontracteerd aanbod (zorg in natura) of een persoonsgebonden budget (Pgb). Een besluit voor een Pgb wordt genomen met behulp van het zorg- en budgetplan. Het zorg- en budgetplan is een aanvulling op het onderzoeksrapport. Om voor een Pgb in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan het motiveringsvereiste en de gestelde kwaliteitscriteria. Zie hiervoor onder andere artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 7.5 van de verordening.
De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening ‘in natura’ krijgen. Ouders en jeugdigen die een Pgb wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid en kwaliteit onderdeel van het zorg- en budgetplan. Voor de motivering geldt dat:
De keuze voor een Pgb brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Het gaat dan onder meer om het aansturen van de hulp (regievoering) en het beheer van het budget. De Pgb-beheerder moet voldoen aan een aantal kwaliteitscriteria, zoals beschreven in artikel 7.4 van de verordening, om in aanmerking te komen voor een Pgb.
4.2.1 Bekwaamheid Pgb-beheerder
De jeugdige en/of ouders moeten in staat zijn het Pgb te beheren. Het beheer kenmerkt zich door het voeren van regie. Dit houdt in dat de beheerder beschikt over de volgende vaardigheden:
Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. De beheerder moet zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Als er iets verandert, moet de beheerder dat zelf aangeven. Uit de verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat de Pgb-beheerder verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van verlengingen, wijzigingen of de overgang naar andere wetgeving. De Pgb-beheerder is bijvoorbeeld verantwoordelijk om tijdig actie te ondernemen op het moment dat de hulp nog nodig is na het 18e levensjaar.
Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het Pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een Pgb worden verstrekt. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Ook kan het zo zijn dat ouders worden gecompenseerd of ondersteund om te beschikken over de vaardigheden. In deze gevallen beoordeelt het team op basis van de individuele situatie of een Pgb toegekend kan worden. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:
Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het Pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het Pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel Pgb, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden.
Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:
Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het Pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de Jeugdwet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.
Let op! De bewindvoerder kan de jeugdige en/of ouder(s) extra kosten in rekening brengen voor dit beheer. Deze kosten worden niet vergoed en mogen niet vanuit het Pgb worden betaald.
Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een Pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als Pgb beheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.
4.2.2 Omstandigheden die meespelen in de overweging
Er zijn omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het beheer van een Pgb. In het bepalen of ouders of een jeugdige een Pgb kunnen beheren wordt in ieder geval rekening gehouden met deze omstandigheden. Het beheer van een Pgb wordt in ieder geval geweigerd als blijkt dat op basis van de omstandigheden het Pgb daadwerkelijk niet beheerd kan worden. De hieronder genoemde omstandigheden vormen aanleiding om de Pgb-vaardigheid nader te onderzoeken:
In het geval ouders op basis van bovenstaande criteria niet in staat zijn om het Pgb te beheren, kunnen zij eventueel iemand uit het netwerk of een formele Pgb-beheerder of bewindvoerder vragen dit voor hen te beheren. Ook deze persoon wordt getoetst op Pgb-vaardigheid en of deze de verantwoordelijkheid die hoort bij het beheren van het Pgb kan en wil nemen.
Voor een informeel Pgb geldt, net als bij een formeel Pgb, dat de arbeidstijdenwet van toepassing is. Op het moment dat een persoon uit het informeel netwerk naast een reguliere baan ook uitvoerder is van een Pgb, kan dit conflicteren met de arbeidstijdenwet. Om overbelasting bij de uitvoerder van het Pgb te voorkomen en de kwaliteit van het Pgb te garanderen kan het team besluiten om een Pgb in deze gevallen (deels) niet te laten uitvoeren door de persoon uit het informeel netwerk. Wel geldt hiervoor dat er sprake moet zijn van een reëel risico voor de kwaliteit, doordat er bijvoorbeeld substantieel meer uren worden gewerkt of er signalen van overbelasting zijn. Meer werken dan de arbeidstijdenwet toestaat, is op zichzelf geen reden om een Pgb te weigeren.
Het staat mensen die zorg willen inkopen met een Pgb vrij om zich te wenden tot een dienstverlener die in een andere EU-lidstaat is gevestigd of daar zijn diensten aanbiedt. Niet-EU-lidstaten zijn uitgesloten.
Voor een Pgb in het buitenland geldt, naast de voor het Pgb algemene en hierboven beschreven criteria, dat:
De Jeugdwet is voor jeugdigen tot 18 jaar. Als een jeugdige 18 jaar wordt, stopt in principe de jeugdhulp. Vanaf die leeftijd kan de jeugdige zorg en ondersteuning krijgen vanuit andere wetten. Soms kan hiervan afgeweken worden en kan besloten worden tot verlengde jeugdhulp. Hier zijn voorwaarden aan verbonden.
Als het gelet op de hulpvraag van de jeugdige te verwachten is dat ondersteuning na de 18e verjaardag moet doorlopen, wordt vanaf 16,5 jaar gewerkt aan het toekomstperspectief van de jongvolwassene in de overgang naar 18 jaar.
Dit gebeurt op basis van een toekomstplan, waarbij minimaal de volgende onderwerpen worden meegenomen:
De verantwoordelijkheid voor het opstellen van een toekomstplan met de jeugdige ligt in eerste instantie bij de jeugdhulpverlener die de daadwerkelijke jeugdhulp biedt.
Indien de jeugdhulp wordt geboden op basis van een besluit namens het college ligt er een verantwoordelijkheid bij de betrokken medewerker van het lokale team en/of casusregisseur, om te monitoren, en indien nodig aan te sturen, dat dit toekomstplan wordt opgesteld.
5.2 Jeugdhulp na de 18e verjaardag
Er zijn drie situaties waarin jeugdhulp na de 18e verjaardag mogelijk is:
De Jeugdwet biedt de mogelijkheid de jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. De eerste 2 mogelijkheden spreken voor zich. De derde mogelijkheid vraagt om een afwegingskader wat betreft de noodzakelijkheid.
5.2.1 Afwegingskader noodzakelijke verlengde jeugdhulp
Voor noodzakelijke verlengde jeugdhulp geldt dat:
De hulp ingezet moet zijn voor de 18e verjaardag of het moet voor de 18e verjaardag zijn bepaald dat de hulp ingezet moet worden. Daarbij geldt ook dat er sprake kan zijn van verlengde jeugdhulp indien er binnen een half jaar wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd, toch nodig blijkt te zijn.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-98129.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.