Gemeenteblad van Deurne
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Deurne | Gemeenteblad 2026, 9542 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Deurne | Gemeenteblad 2026, 9542 | beleidsregel |
Beleidskader participatie 2025-2030
DE RAAD VAN DE GEMEENTE DEURNE
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2025, nr. 3331138;
gehoord het advies van de commissie Samenleving en Bestuur, d.d. 27 november 2025;
het Beleidskader participatie 2025-2030 vast te stellen.
De drempel om mee te doen is voor iedereen anders. Daar houden we rekening mee.
In Deurne zie ik veel mensen die willen meepraten en meedoen om ons Deurne nog mooier te maken. Dat vind ik erg waardevol. Want meedoen betekent zichtbaar zijn, je uitspreken en soms ook je nek uitsteken. En het betekent ook betrokkenheid tonen en de keuze maken om je kostbare tijd hieraan te geven.
Waardering heb ik ook voor de gemeenteraad, die in hun raadsprogramma 2022-2026 duidelijk heeft gekozen om het samenspel met de samenleving te omarmen. Dat is een keuze voor transparantie, voor invloed delen, voor loslaten, en voor vertrouwen in de Deurnenaren. In gesprekken hebben we het vaak gehad over dilemma’s die daarbij komen kijken. Hoe houd je als raadslid je verantwoordelijkheid? Hoe zorg je dat ook inwoners zelf hun verantwoordelijk kunnen nemen? Hoe maak je een afweging bij tegengestelde belangen? Hoe zorg je dat we niet altijd dezelfde stemmen horen, maar juist ook de stemmen van degenen die dat niet kunnen, willen of durven? We hebben gesproken over wensen, twijfels, hoop en teleurstelling. Want participatie betekent ook kwetsbaarheid durven tonen, je uitspreken, en accepteren dat je niet altijd je zin krijgt.
Meedoen is niet vanzelfsprekend. Om meerdere redenen kunnen mensen een drempel ervaren om naar een bijeenkomst te komen, een vragenlijst in te vullen, inbreng te geven, of een initiatief voor te stellen. Ik vind het belangrijk dat iedereen zich kan uitspreken, en maak me er hard voor dat participatie in Deurne laagdrempelig is en blijft. Daarom gaan we experimenteren met vormen en instrumenten. Bijvoorbeeld om de stem en inbreng van onze jongeren vaker te horen.
Een beleidskader is één. Maar doen is belangrijker. Ook in de commissie Samenleving en Bestuur hoorde ik nadrukkelijk deze wens. Met het opstellen van een uitvoeringsagenda krijgt dit beleidskader een concrete vertaling in acties. Laten we er samen mee aan de slag gaan. Want Deurne. Daar doen we het voor.
Voordat u dit beleidskader participatie gaat lezen, zijn er enkele vragen die we willen beantwoorden. Wat verstaan we onder participatie? Wat bedoelen we met een ‘beleidskader participatie’? Waarom schrijven we dit? Voor wie is het bedoeld? Wat staat erin? En hoe is het tot stand gekomen?
|
Participatie is het proces waarbij inwoners passende invloed hebben op collectieve vraagstukken die hen aangaan |
In participatie richten we ons op inwoners, ondernemers, organisaties en maatschappelijke partijen die een relatie met Deurne hebben. Gemakshalve gebruiken we het woord inwoners voor deze hele groep.
Wat passende invloed is, verschilt per vraagstuk. Soms is veel invloed passend, soms een beetje. Soms is invloed niet mogelijk. Meestal bepaalt de gemeente hoeveel invloed passend is. Maar het kan ook een samenspel zijn waarin gemeente en inwoners samen afspreken wie welke invloed en welke rol heeft.
Collectieve vraagstukken hebben een bredere maatschappelijke of sociale component en de gemeente moet er iets van vinden of over beslissen. Bijvoorbeeld door middel van initiatieven, projecten, programma’s, plannen, activiteiten, zowel in de voorbereidings-, uitvoerings- als evaluatiefase. In dit beleidskader gebruiken we dan het woord: beleid in brede zin.
Wat is een beleidskader participatie?
Een beleidskader is een tekst waarin de gemeente haar beleid beschrijft. Het woord ‘kader’ geeft aan dat dit richtinggevend is en afgebakend. Daarmee is het beleidskader een startpunt dat zorgt voor een goede basis.
Waarom schrijven we dit beleidskader participatie?
We vinden het belangrijk participatie goed te regelen. De behoefte van inwoners om meer zeggenschap over hun leefomgeving blijft toenemen. En inwoners willen duidelijkheid over hoe dat werkt. En ook bestuurders en ambtenaren van de gemeente hebben die houvast nodig. Met het beleidskader heeft iedereen van tevoren hetzelfde beeld over participatie. Dat zorgt voor realistische verwachtingen. Daarnaast verplicht landelijke wetgeving gemeenten om bewust na te denken over participatie en dit vast te leggen in beleid. Bijvoorbeeld in de https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2025-07-01Omgevingswethttps://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2025-07-01en de Wet versterking participatie op decentraal niveau. Deze omslag in denken én doen heeft impact op onze werkwijze, processen en gedrag: het vraagt extra tijd, geld en capaciteit en een open houding.
Voor wie is dit beleidskader participatie?
We schrijven het beleidskader participatie voor iedereen die betrokken is bij participatie in de gemeente Deurne. We schrijven het als kader voor onze inwoners en ondernemers, voor verenigingen en maatschappelijke partijen, en voor onszelf.
Wat staat er in dit beleidskader participatie?
Dit document bestaat uit vier hoofdstukken.
Hoe is dit beleidskader participatie tot stand gekomen?
Voor het opstellen van dit beleidskader participatie hebben we de discussie over participatie gevolgd, workshops gevolgd en gesproken met collega’s en met de raadsleden. Het afgelopen jaar hebben we geoefend bij lopende projecten met vormen en manieren van uitnodigen. Samen met de https://app.maptionnaire.com/q/zegtmaardeurnevragenlijsthttps://app.maptionnaire.com/q/zegtmaardeurne die in juni is uitgezet onder inwoners, hebben we een goed beeld gekregen van passende participatie bij Deurne: duidelijk en persoonlijk.
We hebben gekeken naar wat we in de afgelopen jaren zelf hebben gedaan en opgeschreven. En ons hierbij de vraag gesteld waar het beter kan en verfijnd kan worden. Onze ambitie hierbij was: ‘doen wat we deden maar dan beter’. We hebben dus gekeken naar wat werkt goed bij ons en past bij Deurne. Dit beleidskader is geschreven als startpunt voor verdere ontwikkeling van participatie. We willen graag samen leren en verbeteren. Dit beleidskader participatie is ook de basis voor de participatieverordening.
Van inbreng tot initiatief – Inwoners van de gemeente zijn betrokken en willen verantwoordelijkheid voor hun eigen woon- en leefomgeving. Ze reageren op plannen, komen in actie, nemen initiatief. En kijken ook naar de gemeente. De gemeente is nieuwsgierig naar wat er speelt, en staan daarvoor open. Het is de aanleiding om in gesprek te gaan. Een gesprek met inwoners over plannen en ontwikkelingen in Deurne, over ideeën, zorgen en oplossingen. Met hun kennis en ervaring. Vanuit hun blik en belangen.
Als gemeente vinden we een aantal kernwaarden belangrijk voor de manier waarop we participatie organiseren en aan participatie deelnemen.
Aan participatie plakken vaak enkele misverstanden. Door deze te benoemen, maken we duidelijker wat participatie wel en niet is.
Participatie is niet… het voorkomen van ‘gedoe’.
Hoewel dit wel 'bijvangst’ kan zijn, is dit geen doel van participatie. Het is juist nodig om kritische tegengeluiden te horen. Door de inwoners in het proces mee te nemen en door verschillende belangen te horen, kan er wel meer draagvlak ontstaan voor een beslissing of oplossing.
Participatie is niet… dat alle inwoners hun zin krijgen of alles kunnen bepalen.
Er zijn altijd meerdere belangen aanwezig. Waaronder ook het algemeen belang en het belang van kwetsbaren. We werken toe naar goed afgewogen besluiten. Maar we hoeven het niet altijd met elkaar eens te zijn. Ook zal niet altijd iedereen tevreden zijn over het uiteindelijke besluit.
Participatie is niet… altijd zoveel mogelijk invloed aan inwoners geven.
We willen graag een passende mate van invloed bij het proces kiezen. Soms is maximale invloed niet mogelijk of wenselijk. En soms is de invloed zelfs minimaal, omdat de gemeente een afweging moet maken tussen verschillende belangen. Of zelfs wettelijk niet toegestaan.
Participatie is niet… altijd mogelijk.
Participatie kost geld, uren, kennis en tijd. Soms is dat er onvoldoende. Dan moeten we afwegen of we de participatie starten. Dit geldt ook als we van tevoren weten dat er niets met de uitkomst kan worden gedaan (#_Een_bewuste_afweging_1zie paragraaf 3.1#_Een_bewuste_afweging_1).
Participatie is niet… dat iedereen mee moet doen.
Niet elke inwoner wil of kan dat. Wel is het belangrijk om actief en gericht inwoners te benaderen die bij het onderwerp betrokken (willen) zijn. En dat de drempels zo laag mogelijk zijn. Daarbij is het een uitdaging voor de gemeente om ook die inwoners te bereiken die zich minder vaak uitspreken (#_Drempels_wegnemen_1zie paragraaf 3.4#_Drempels_wegnemen_1).
Afhankelijk van wie de eerste stap zet en de ander uitnodigt, onderscheiden we twee soorten participatie. Beide hebben hetzelfde doel, namelijk samen oplossingen zoeken. Het kan ook voorkomen dat gemeente en inwoners samen het initiatief nemen en vanuit een gelijkwaardige rol andere inwoners betrekken.
1.6 Wat is het verschil tussen participatie en inspraak?
Hoewel inspraak en participatie niet hetzelfde zijn, beschouwen we inspraak in dit kader wel als een vorm van participatie die onder ‘raadplegen’ valt. Bij – al dan niet verplichte – inspraak kunnen inwoners hun mening geven over een voorstel van de gemeente, voordat het college of de gemeenteraad een besluit neemt. Zo’n mening noemen we ook wel een zienswijze en raakt meestal een persoonlijk belang. Participatie gaat uit van gezamenlijke vraagstukken en belangen, en heeft een oplossingsgerichte insteek. Bij het nemen van een beslissing komt participatie bijna altijd eerder dan inspraak. Participatie vindt vaak al plaats in de fase waarin een plan wordt uitgedacht. Inspraak is de formele, afrondende fase van een plan. Bij participatie is er meestal meer ruimte om het plan te beïnvloeden dan bij inspraak.
Participatie is een samenspel waarbij iedereen bijdraagt aan en verantwoordelijk is voor een goed participatieproces. Voor goede participatie is het belangrijk om elkaars rol en positie te kennen. In dit hoofdstuk kijken we eerst naar de rol van inwoners, de gemeenteraad, het college en de ambtelijke organisatie ten aanzien van participatie. En vervolgens kijken we naar de rol van inwoners en gemeente in het participatieproces bij inwonersparticipatie en overheidsparticipatie.
We onderscheiden drie rollen voor inwoners. Deze worden bepaald door hun positie ten aanzien van het onderwerp:
Initiatiefnemers: We kennen verschillende soorten initiatiefnemers. Zoals een individuele inwoner of groep inwoners die iets wil in de straat, buurt of wijk. Of een vereniging (bijvoorbeeld een sportvereniging), een ontwikkelaar of woningcorporatie, een ondernemer, een maatschappelijke instelling, een bewonersorganisatie of andere overheden.
Belanghebbenden: Dit zijn inwoners die – positieve of negatieve – gevolgen ervaren van het plan. Bijvoorbeeld inwoners die voorzieningen nodig hebben, of betrokken zijn bij ons erfgoed. Of woningzoekenden of omwonenden bij woningbouwprojecten. Belanghebbenden kunnen zich organiseren. Denk aan milieuorganisaties, patiëntenplatforms of bewonersorganisaties. Er zijn ook belanghebbenden die zich (nog) niet kunnen uitspreken. Denk aan toekomstige generaties of bijvoorbeeld de natuur. Ook zij kunnen een stem krijgen.
Belangrijk om in deze context te noemen is dat dorps- en wijkraden met betrekking tot participatie de rol van klankbord en partner hebben. Zij hebben contacten en de kennis van hun dorp, wijk of buurt. Hun belangrijke rol als aanspreekpunt, sociale verbinder, en organisator/aanjager van activiteiten in dorp, wijk of buurt valt echter buiten de scope van het beleidskader en binnen het kader van de gezondheidsopgave.
De gemeenteraad heeft een belangrijke kaderstellende rol bij participatie door de algemene kaders voor participatie vast te stellen in dit beleidskader. De gemeenteraad kan ook onderwerpen benoemen waarbij ze actief bij het participatieproces betrokken wil zijn. In de andere gevallen wordt de raad geïnformeerd over de participatieaanpak. Daarnaast kan de raad budget beschikbaar stellen om bijvoorbeeld initiatieven vanuit de samenleving te ondersteunen. Achteraf controleert de gemeenteraad of het beleidskader participatie goed is toegepast. Dat kan bijvoorbeeld in de paragraaf in een raadsvoorstel. Kortom: de raad ziet er op gepaste afstand op toe dat de participatieprocessen goed verlopen .
2.3 College van burgemeester en wethouders
Meestal echter is het college van burgemeester en wethouders het ‘bevoegd bestuursorgaan’. Dat betekent dat het college bepaalt of, wanneer en hoe het ontwerp van de participatieaanpak eruitziet. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van beleid. Dus ook voor de uitvoering van dit beleidskader. Zij geven sturing aan de aanpak en het verloop van de participatieprocessen. Dit gebeurt binnen de kaders die de raad stelt. In besluiten van het college is altijd aandacht voor participatie.
De medewerkers van de gemeente – of van een extern ingehuurd bureau – zijn betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het participatieproces. Zij zijn tijdens het participatieproces de voornaamste gesprekspartners van de inwoners. Zij bereiden de besluitvorming voor, zorgen voor communicatie en terugkoppeling, en houden de formele procedures in beeld. Zij hebben zowel een ondersteunende, uitvoerende als een adviserende rol. Hun houding ten aanzien van en bij participatie is cruciaal.
2.5 Rollen bij inwonersparticipatie: mate van invloed
Als de gemeente de initiatiefnemer is bij beleid (in brede zin), dan nodigen we inwoners uit om op een passende manier deel te nemen aan participatie. Dat noemen wij inwonersparticipatie (zie #_Soorten_participatieparagraaf 1.3 ). De rollen van gemeente en inwoners hierbij, hangen af van de mate van invloed. De gemeente kan inwoners informeren en ruimte geven om hun zorgen of vragen kenbaar te maken; dan hebben de inwoners weinig invloed. De mate van invloed neemt toe wanneer we inwoners hun mening of advies kunnen geven. Ook kan de gemeente besluiten samen te werken met de inwoners. In deze paragraaf gaan we in op wat inwoners en gemeente van elkaar mogen verwachten als de mate van invloed toeneemt.
2.6 Rol bij overheidsparticipatie: mate van loslaten
Inwoners kunnen ook zelf initiatiefnemer zijn en anderen (waaronder de gemeente) bij hun initiatief betrekken. Als de gemeente wordt betrokken, spreken we van overheidsparticipatie (zie #_Soorten_participatieparagraaf 1.3#_Soorten_participatie). De gemeente kan dan op verschillende manieren participeren. We beschrijven 5 mogelijkheden rollen die de gemeente aan kan nemen ten opzichte van een inwonersinitiatief, afhankelijk van de mate van loslaten. Hoe verder naar rechts, hoe zelfstandiger de rol van inwoners. Vooralsnog pakt de gemeente de rollen kaders bewaken, leiding nemen en niet mee bemoeien op, en groeien we naar de rol mogelijk maken. Aanmoedigen/stimuleren pakken we niet actief op omdat we ervaringen op willen doen en ons erop moeten voorbereiden.
We weten nu wat de participatiedoelen zijn en wat we daarvoor nodig hebben, welke kernwaarden de basis zijn van ons gedrag bij participatie, en hoe we naar de rollen van deelnemers kijken. In dit hoofdstuk maken we dit concreter met de uitgangspunten bij participatie in de gemeente Deurne.
3.1.1 Een bewuste afweging maken
In principe kiezen we bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van beleid voor participatie, tenzij er redenen zijn om dit niet te doen. Het bevoegd bestuursorgaan kan zelf de afweging maken voor participatie, tenzij de participatie (wettelijk) verplicht is. Bij de keuze om participatie niet te doen, kan het bestuursorgaan zich beroepen op de uitsluitingsgronden die in artikel 3 lid 3 en artikel 11 lid 3 van de (concept) participatieverordening Deurne 2025 zijn opgenomen. Dit komt er in de basis op neer dat de afweging wordt gemaakt of participatie een toegevoegde waarde heeft. Deze toegevoegde waarde kan ook bij de uitvoering of evaluatie van het beleid aan de orde zijn. Participatie is bijvoorbeeld niet noodzakelijk of wenselijk als er geen mogelijkheid is om een plan aan te passen, de kosten niet opwegen tegen de baten of er vanwege urgentie geen tijd is voor participatie. Maar bij de afweging is het goed om te realiseren dat met maatwerk veel mogelijk is. Bijvoorbeeld door inbreng te vragen voor de uitvoering of effectiviteit te toetsen in de evaluatiefase. Of door een ‘snel’ instrument als een vragenlijst te kiezen.
Als er echt geen tijd en ruimte is, dan zorgen we dat we dat dit een bewuste keuze is die we goed uit kunnen leggen. Om deze afweging goed te maken is een compleet beeld van het onderwerp nodig. Waar gaat het over? Wat is de context: vindt er bijvoorbeeld in de fysieke omgeving een ontwikkeling plaats, is er aanpalend beleid in ontwikkeling, is er een geschiedenis? Ook is inzicht in de projectplanning noodzakelijk: de stappen en mijlpalen, eventueel voorzien van tijdsplanning.
3.1.2 Beginnen met een participatieaanpak
Bij de start van een participatieproces zijn we duidelijk over de aanpak. We informeren inwoners via welke kanalen en middelen we communiceren, zodat zij het proces goed kunnen volgen. We voorzien hen vroegtijdig van informatie over het onderwerp, zodat zij goed hun mening kunnen vormen. We geven aan hoe we hun inbreng meenemen in de besluitvorming. We luisteren en koppelen terug wat er met de inbreng is gedaan, hoe dat is gedaan en waarom. We ronden het participatieproces af met een eindverslag. Hoofdstuk 4 beschrijft de werkwijze en geeft een toelichting op de stappen van de aanpak (paragraaf 4.1).
3.1.3 Zo vroeg mogelijk in gesprek gaan
Bij het betrekken van inwoners gaan we eerst in gesprek. We luisteren om een beter beeld krijgen van de situatie en context. Welke wensen en behoeften leven er bij de inwoners? Welke ideeën en zorgen hebben ze? Welke perspectieven hebben inwoners die wij nog niet hebben? Op deze manier kunnen we de kennis, ervaring en perspectieven van inwoners zo goed mogelijk meenemen in de dingen die we (gaan) doen. In de basis geeft het volgende schema weer wanneer er participatiemomenten kunnen zijn.
Niet iedereen kan, wil of durft deel te nemen aan participatie. Het zogenoemde ‘stille midden’ doet om uiteenlopende redenen niet mee. Hun drempels zijn bijvoorbeeld: geen tijd, geen vertrouwen, vindt het spannend, onderschat de eigen inbreng, niet bekend met hoe het werkt, geen sociaal netwerk om mee te gaan, taalvaardigheid, fysieke drempels. Hoewel het niet makkelijk is, kunnen we drempels creatief wegnemen door een aanpak op maat te maken. We kunnen deelname vergroten door persoonlijk uit te nodigen, door bepaalde instrumenten te kiezen, bijvoorbeeld vragenlijsten, door meerdere instrumenten te kiezen, en door inwoners wegwijs te maken in hoe de gemeente werkt. Ook helpt het om samen ervaring op te doen, door vaker het gesprek te organiseren. Het vergroten of vergemakkelijken van deelname zorgt ook voor een betere representativiteit, zowel bij kwantitatief als kwalitatief uitnodigen.
3.1.5 Open staan voor inbreng en initiatieven
We willen responsief zijn: dit houdt in dat we snel en passend reageren op inbreng en initiatieven van inwoners. Luisteren, serieus nemen en actie. We ondersteunen initiatieven die bijdragen aan de doelstellingen van ons gemeentelijk beleid, aan onze opgaven of een positieve maatschappelijke bijdrage hebben in Deurne.
Responsief zijn betekent: goed luisteren, serieus nemen wat mensen zeggen en belangrijk vinden, en er iets mee doen [zie inzet]. Niet alleen vanuit het Huis, maar juist ook wijk en dorp in: naar buurthuizen, markten of gewoon de straat op. Daar praten met mensen en horen wat er speelt. En te vertellen wat er op de gemeente afkomt. We nodigen inwoners uit hun mening of advies te geven over plannen. Of we nodigen ze uit voor een gesprek over kansen, problemen en oplossingen. Die inbreng betrekken we bij onze afwegingen.
En als inwoners zelf het initiatief nemen voor plannen of projecten, staan we daar voor open. Initiatieven kunnen klein zijn, bijvoorbeeld kleinschalige buurtactiviteiten die door een aantal inwoners worden ingediend. Het kan ook gaan om grotere initiatieven gaan die vanuit samenwerkingsverbanden met inwoners tot stand zijn gekomen. Initiatieven kunnen aanvullend zijn of in de plaats komen van activiteiten die de gemeente zelf uitvoert. Als gemeente willen we initiatieven van inwoners ondersteunen. Dit kan op verschillende manieren. De verschillende reacties zijn in #_Rol_bij_overheidsparticipatieparagraaf 2.6 genoemd. Als aanvulling op dit beleidskader gaan we uitwerken hoe we hier concreet invulling aan gaan geven.
Dit vraagt om een naar buiten gerichte houding. Om open het gesprek aangaan. En om duidelijkheid over wat wel en wat niet mogelijk is.
3.1.6 Leren door te evalueren en intervisie
We evalueren door terug te kijken naar de opdracht en de uitkomst. Wat ging er goed? En wat ging er minder goed? Was het participatieproces goed georganiseerd? Hoe verliep de samenwerking tussen gemeente en inwoners? Waren de verwachtingen helder? Was er in de gesprekken ruimte voor iedereen om aan het woord te komen? Hebben we onze eigen waarden voor de participatie goed toegepast?
Om gemeentebreed te leren, gaan we minimaal eenmaal per raadsperiode de manier bespreken waarop de gemeente de participatieprocessen heeft georganiseerd. Dit doen we met inwoners, medewerkers, college en gemeenteraad. Zo kunnen ons participatiebeleid en onze werkwijze meegroeien met de kennis en inzichten uit de praktijk. Dit doen we jaarlijks met medewerkers onderling in een intervisievorm.
Participatie is soms wettelijk verplicht. In de wet staat dan vaak ook omschreven hoe de participatie eruit moet zien. In het ruimtelijk domein gaat het om de Omgevingswet . In het sociaal domein is participatie een verplicht onderdeel in de Participatiewet , de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarnaast is op 1 januari 2025 is de Wet versterking van participatie op decentraal niveau in werking getreden. Met deze wet wil de Rijksoverheid stimuleren dat decentrale overheden vooraf heldere kaders en spelregels voor participatie vastleggen die passen bij de lokale omstandigheden, waaronder het uitdaagrecht.
In de Omgevingswet staan, naast regels voor een prettige en veilige woon- en werkomgeving, ook regels over participatie. In de Omgevingswet en bijbehorende regelingen staat beschreven op welke momenten in het totstandkomingsproces participatie is vereist:
Bij het bovenstaande is de gemeente formeel de initiatiefnemer. Maar ook inwoners kunnen initiatiefnemer zijn van een plan waarvoor de Omgevingswet geldt. Vragen zij een omgevingsvergunning aan, dan toetsen wij of ze aan participatie hebben gedaan.
Als participatie door de initiatiefnemer verplicht is (bij raadsbesluit), dan beoordelen we of de participatie voldoende is geweest aan de hand van onze beleidsregels. In ieder geval moet de initiatiefnemer aantonen wie hij bij participatie heeft betrokken, op welke manier en wat de resultaten ervan zijn. De Omgevingswet schrijft niet voor welke vorm de participatie moet hebben. Daar zijn de gemeente en de initiatiefnemer vrij in. Ze kunnen hun eigen keuzes maken voor de inrichting van een participatieproces. Logisch, want de locatie, het soort besluit, de omgeving en de stakeholders zijn elke keer anders. En ook het moment waarop de participatie start, verschilt per situatie. Als gemeente stimuleren en motiveren we initiatiefnemers om participatie uit te voeren. Hiertoe hebben wij een in 2021 al een leidraad participatie vastgesteld. Na vaststelling van dit beleidskader gaan we een geactualiseerde versie gebruiken.
Bij drie grote wetten in het sociaal domein is participatie een verplicht onderdeel. In deze wetten staat wat de gemeente minimaal moet doen om de inwoners (in dit geval cliënten of hun vertegenwoordigers) te betrekken bij de uitvoering hiervan. Deze drie grote wetten zijn: 1. Participatiewet 2. Jeugdwet 3. Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij alle deze drie wetten hebben cliënt- en adviesraden het recht om gevraagd en ongevraagd advies te geven. Bijvoorbeeld over beleidsvoorstellen, verordeningen en de uitvoering. Ook in Deurne is een Adviesraad Sociaal Domein (ASD). De Adviesraad adviseert het college van B&W op het gebied van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet en zorgt dat signalen uit de samenleving die hiermee een relatie hebben de bestuurlijke agenda bereiken. De Adviesraad is onafhankelijk en brengt gevraagd en ongevraagd advies uit. In de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Deurne 2024 staan de taken en bevoegdheden van de Adviesraad beschreven. Hierin staat dat het doel van de verordening is “het regelen van de wijze waarop cliënten en belanghebbenden vanuit het sociale domein (of hun vertegenwoordigers) worden betrokken bij de voorbereiding, besluitvorming en de evaluatie van het gemeentelijk beleid en de uitvoering inzake het sociaal domein”. Dit beleidskader kan daar helpend bij zijn, maar schrijft de ASD niet voor hoe zij het moeten doen.
4.3 Wet versterking participatie op decentraal niveau
Met de Wet versterking participatie op decentraal niveau is elke gemeente is verplicht om een eigen participatieverordening op te stellen die de inspraakverordening vervangt. Daarin regelt de gemeenteraad onder andere “de wijze waarop ingezetenen en maatschappelijke partijen bij de uitvoering van het beleid initiatief kunnen nemen als uitwerking van het uitdaagrecht”.
Bij het uitdaagrecht kunnen initiatiefnemers taken van de gemeente overnemen of aansturen als zij denken het slimmer, beter, goedkoper of anders te kunnen doen. Hiermee wordt de overheid ‘uitgedaagd. Bewoners en maatschappelijke organisaties krijgen zo de kans om hun idee te gaan uitvoeren. Ook kunnen initiatiefnemers gaan co-produceren met de gemeente als voor de uitgedaagde taak wel samenwerking met de overheid nodig is. Dit komt bijvoorbeeld voor bij natuurontwikkelingsinitiatieven.
We hebben er nog geen ervaring mee, hoewel de bekende burgerinitiatieven maar ook vragen die via Deurne doet ’t worden gesteld wel aan dit principe raken. In de (concept)participatieverordening staat geregeld hoe het indienen en behandelen van een verzoek plaatsvindt.
Over participatie is veel gesproken en is nog veel te zeggen. Juist om dat het zo dicht bij de gemeente én zo dicht bij inwoners staat. Participatie daagt de gemeente uit om werkelijk te luisteren naar en in gesprek te gaan met inwoners. Om zo de afstand tussen inwoners en de gemeente te verkleinen. Door de kennis van inwoners over hun omgeving, hun ervaring op veel gebieden, en de expertise van de gemeente bij elkaar te brengen, maken we samen beter beleid en betere plannen en projecten. En daarmee maken we samen Deurne steeds weer een beetje beter. Want Deurne. Daar doen we het voor.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 december 2025.
De griffier,
(R.J.C.M. Rutten)
De voorzitter,
(G.T. Buter)
Bijlage 1 Verslag vragenlijst Zeg ’t maar Deurne
In deze bijlage is een verkorte weergave van de resultaten van de vragenlijst opgenomen.
De vragenlijst kon van 4 juni tot en met 22 jun ingevuld worden. In totaal hebben 976 mensen de vragenlijst opgestart (de meeste in de eerste week); 427 mensen hebben de vragenlijst geheel beantwoord en ingediend. Op een aantal vragen konden meerdere antwoorden aangevinkt worden, waardoor de respons bij die vragen hoger kan liggen dan het aantal respondenten.
In de participatieaanpak staat hoe we het gaan doen. We ontwerpen de aanpak aan de hand van 7 stappen. De uitgangspunten zijn, net als de kernwaarden, de basis voor een aanpak met ruimte voor maatwerk.
Stap 1 Beschrijf het onderwerp
Geef een zo compleet mogelijk beeld van het onderwerp. Waar gaat het over? Wat is de context: vindt er bijvoorbeeld in de fysieke omgeving een ontwikkeling plaats, is er aanpalend beleid in ontwikkeling, is er een geschiedenis in de buurt of over het onderwerp? Ook is inzicht in de projectplanning noodzakelijk: de stappen en mijlpalen, eventueel voorzien van tijdsplanning.
Stap 2 Beschrijf waarom je participatie organiseert
Geef aan waar deze participatie toe moet leiden: betere besluiten, betere plannen, meer draagvlak en begrip, of meer zeggenschap en verantwoordelijkheid voor inwoners. Dit is van invloed op de vraagstelling de vorm, de (grootte van de) doelgroep, en de wijze van uitnodigen.
Stap 3 Formuleer de participatievraag
De participatievraag is concreet en is de vraag waarop je in de participatie antwoord wilt krijgen. Hoe concreter de vraag, hoe beter het antwoord. In die vraag staat ook de participatieruimte (kader), de rol(len) van deelnemers en wat we met de inbreng gaan doen. Bijvoorbeeld: Welk advies kunnen Deurnese treinreizigers geven over hoe de aanlooproute naar het station sociaal veiliger kan worden, zodat we die oplossing als basis kunnen nemen voor de inrichting van het plein. Een goede participatievraag is duidelijk over verwachtingen en geeft richting aan de participatieaanpak.
Het antwoord op deze vraag is: als er toegevoegde waarde is. In de werkwijze staat dat we inwoners zo vroeg mogelijk betrekken. Dat is bij voorkeur voordat er een plan ligt en in een open gesprek. De planning is bepalend voor wanneer en hoe vaak we inwoners betrekken. Tijdens het proces kan blijken dat er minder of meer momenten voor inbreng nodig zijn. Zie ook de afbeelding in paragraaf 3.3#_We_betrekken_inwoners.
Daarnaast willen we ook in gesprek zijn voordat er überhaupt iets speelt in gemeente, dorp en buurt. Bijvoorbeeld over ontwikkelingen die op ons af komen. Hier organiseren we momenten voor.
Stap 5 Doelgroep bepalen en uitnodigen
Om te bepalen wie belanghebbenden zijn bij het onderwerp, is een stakeholdersanalyse nodig. Dit kan naast de beschrijving uit stap 1 en eventueel een sociaal-demografische profiel, ook via bijvoorbeeld ringen van invloed, belang/vertrouwen matrix, etc. De keuze voor een methode is afhankelijk van het onderwerp en de vraagstelling.
Op basis van de analyse, maken we een aanpak. Daarin nemen we zoveel mogelijk drempels weg. Dit doen we enerzijds omdat we vinden dat iedereen die wil ook mee moet kunnen doen. En anderzijds om een zo representatief mogelijke inbreng te krijgen. Representativiteit houdt in dat de deelnemersgroep een goede afspiegeling van de doelgroep is (zie inzet). Dit wordt vaak ter discussie gesteld, met name als de uitkomst van het participatieproces niet bevalt.
Stap 6 Kies vormen en instrumenten
Participatie is maatwerk. Dat geldt zeker voor de keuze uit diverse instrumenten. En die keuze is groot. In bijlage 3#bijlage1 hebben we een instrumentenkist voor Deurne opgenomen, waar we goede ervaringen mee hebben of van verwachten. Daar wordt ook toegelicht hoe je bij de keuze voor een instrument (of set instrumenten) met het CLEAR-model toetsen of het voldoende drempels wegneemt.
Stap 7 Beschrijf hoe je met inbreng omgaat
Om duidelijk en open te zijn, koppelen we elk participatiemoment terug aan de deelnemers en de doelgroep. Dit is een verslag van wat er is ingebracht en informatie over wat er met de inbreng gaat gebeuren en het vervolg. Op het moment dat de inbreng in het plan wordt verwerkt, vertellen we wat we met inbreng hebben gedaan en waarom. Dit komt in ieder geval aan het eind van het participatieproces in een eindverslag, dat een soort logboek is van het participatieproces. Hierin staat bijvoorbeeld het gevolgde participatieproces op hoofdlijnen, een lijst van de deelnemers/aanwezigen, de belangrijkste uitkomsten, de reactie van de gemeente op de uitkomsten en de wijze waarop de gemeente de inbreng heeft benut. Eventueel volgt een evaluatie van het participatieproces met de belangrijkste geleerde lessen. Daarvoor gebruiken we standaard een korte vragenlijst. En soms evalueren we uitgebreider. De opbrengst van de evaluatie wordt gebruikt om het proces en de uitvoering ervan te verbeteren, en dat kan tot acties in de uitvoeringsagenda leiden.
In deze bijlage geven we een overzicht van instrumenten die passen bij Deurne op basis van ervaringen en de resultaten van de vragenlijst. Tevens ondersteunen ze het beleidskader. Deze lijst is niet uitsluitend.
Een schema dat helpen bij het maken van een keuze, is te vinden op de laatste pagina van het artikel Keuzes maken voor participatietools.pdf (Hogeschool van Utrecht, 2021). Als we een instrument hebben gekozen, kunnen we toetsen of er voldoende drempels voor deelname zijn weggenomen. Dus: of doelgroep en instrument bij elkaar passen waardoor de kans op deelname wordt vergroot. Conclusie kan zijn dat er inzet van meerdere instrumenten nodig is. Om dit te toetsen gebruiken we de CLEAR-toets. Het doel hiervan is om ook het stille midden zoveel mogelijk te betrekken door drempels weg te nemen.
Bijlage 4 Participatie omgevingsplan
Elk procesontwerp is maatwerk, maar voor dezelfde soort onderwerpen kan een standaardprocesontwerp worden gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de herinrichting van een straat, het ontwerp van een speeltuin of een plan om de wijk te verduurzamen. Voor wijzigingen in het omgevingsplan is bijvoorbeeld al gekeken naar passend participatieproces per type wijziging.
Grofweg zijn er verschillende type wijzigen te onderscheiden:
Het gaat hier om het wijzigen van de planregels om een specifiek ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken of wijzigen van regels op verzoek van derden door te voeren. Ook gaat het hier om participatie bij een omgevingsvergunning. Participatie vindt plaats conform de door de gemeenteraad vastgestelde participatieleidraad. De mate van beïnvloeding hangt af van de omvang en ruimtelijke impact van het plan, maar het minimale niveau is hier informeren. Participatie is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Diegene stelt het participatieplan op, voert de participatie uit en doet hiervan verslag. De gemeente kan soms ook optreden in de rol van initiatiefnemer bijvoorbeeld bij de aanleg van een weg.
Het gaat hier over het wijzigen van de planregels om nieuwe regels te stellen over een bepaald beleidsonderwerp naar aanleiding van gewijzigd of vastgesteld beleid in een visie of programma. De gemeente doet de participatie. De mate van beïnvloeding die ten tijde van het omgevingsplan wenselijk wordt geacht, hangt sterk af van de mate van invloed eerder in de beleidscyclus, de politiek-bestuurlijke gevoeligheid en de maatschappelijke impact van het onderwerp en de mate van beleidsvrijheid van de gemeente.
Uitgangspunt is dat richtinggevende beleidskeuzes die in een omgevingsvisie of sectoraal programma zijn gemaakt en bestuurlijk zijn bekrachtigd, niet opnieuw ter discussie mogen staan. Als beleidskeuzes eerder gemaakt zijn, zal de participatie voor het omgevingsplan zich beperken tot de vraag of dit beleid op de juiste wijze is vertaald en regels uitvoerbaar en helder zijn geformuleerd. Als beleidskeuzes nog open staan zal participatie mogelijk intensiever zijn.
Beleidsarme wijziging transitie
Het gaat hier om het wijzigen van de regels in het kader van de transitieopgave, zonder de opvattingen over het beleid hierbij te wijzigen met hierbij behorende ondergeschikte wijzigen van deze regels. Op 1 januari 2032 moet de gemeente namelijk een compleet, ambtsgebiedsbreed omgevingsplan hebben dat voldoet aan de Omgevingswet. Hierin moeten alle regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving, alle vergunningen waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan en alle ruimtelijke plannen die deel uitmaken van het tijdelijk regelingsdeel (o.a. bestemmingsplannen) zijn opgenomen.
Er wordt gewerkt met veegbesluiten waarin voor meerdere onderwerpen tegelijkertijd de regels in het nieuwe regelingsdeel opgenomen worden. Uitgangspunt is om één wijziging per jaar te doen die dus over meerdere beleidsonderwerpen tegelijkertijd kan gaan. Omdat het hier gaat om beleidsarme wijzigingen gaat, zullen de uitgangspunten niet of maar heel beperkt wijzigen. Het advies is om hier met name informerend te werken met aanvullend mogelijk bewonersavonden.
Hogere wet- en regelgeving verwerken
Het gaat hier om het wijzigen van de planregels met het doel het verwerken van hogere instructies of gewijzigde geometrieën vanuit de Provincie Noord-Brabant of Rijksoverheid. In sommige gevallen schrijven instructieregels voor dat een omgevingsplan iets in acht moet nemen. Als instructieregels geen beleidsvrijheid bieden voegt participatie niks toe. In zulke gevallen biedt het delegatiebesluit Omgevingsplan de mogelijkheid de wijziging van het omgevingsplan door het college vast te laten stellen. In zulke gevallen is er met louter de toepassing van afdeling 3:4 Awb en met de bekendmakingen die uit de Awb voortvloeien voldoende geïnformeerd.
Cosmetische en technische aanpassingen
Het gaat hier om wijzigingen van de planregels die zien op het herstellen van juridische- of cosmetische gebreken. Voor kennelijke verschrijvingen regelt de omgevingswet dat het bevoegd gezag het omgevingsplan mag wijzigingen zonder toepassing van afdeling 3.4 Awb en enkel met de reguliere procedure. Tevens geldt dat bij het aanpassen van interne verwijzingen of louter cosmetische wijzigingen dat sprake kan zijn van een besluit zonder rechtsgevolg. In dat geval is er geen besluit en geldt er dus ook geen verplichting tot participatie. Bij kennelijke verschrijvingen, interne verwijzingen herstellen of cosmetische wijzigingen is het uitgangspunt dat er geen participatie plaatsvindt. Als een fout ziet op een specifiek perceel wordt de eigenaar wel benaderd.
Het gaat hier om het integraal verwerken van collegebesluiten die in het omgevingsplan moeten worden verwerkt (zoals BOPA’s of aanwijzingen monumenten, kapvergunningen e.d.). In zullen gevallen heeft er al eerder participatie plaatsgevonden over dat besluit. De opname van deze besluiten, zoals het aanwijzingsbesluit voor een monument of het kappen van een boom waardoor het beschermingsgebied verdwijnt of een BOPA, staat dan ook niet meer ter discussie. Enkel in het geval van een BOPA of monument wordt er een brief naar de huidige eigenaren gestuurd dat de regels integraal in het plan verwerkt worden. Dit is louter informerend. Bij andere verwerkingen vindt er geen participatie plaats.
Bij het schrijven van het beleidskader is gebruik gemaakt van de volgende literatuur:
Berenschot en VNG, 2023, Aan de slag met participatie; handreiking 2.0 voor de participatieverordening
ESSB, José Nederhand, Koen Migchelbrink en Jurian Edelenbos, 2022, Participatie en overheid: dat vraagt om responsiviteit
Gemeente Groningen, 2025, Samen maken we Groningen - beleidskader participatie 2025
GovernEUR|Erasmus Universiteit Rotterdam: Vivian Visser, Jitske van Popering-Verkerk, Arwin van Buuren, 2019, Onderbouwd ontwerpen aan participatieprocessen: Kennisbasis participatie in de fysieke leefomgeving
Haagse Hogeschool: Hasse van der Veen en Jikke Eikelboom, 2025, Toolbox voor bewonersinitiatieven
Hogeschool Utrecht, 2021, Keuzes maken voor participatietools
Jurian Edelenbos, Ingmar van Meerkerk en Jannes Blokstra, op Platform O, 2025, Vertrouwen herstellen vraagt om responsievere overheid
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2024, Tips om participatie diverser, inclusiever en representatiever te maken
Sociale vraagstukken: Steven Blok, 2024, Uitdaagrecht vergt veel van burgerinitiatieven
VNG, 2024, Modelverordening participatie
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-9542.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.