Subsidieregeling Voorschoolse Educatie - Capelle aan den IJssel 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

 

gelet op de Algemene Subsidieverordening Capelle aan den IJssel 2017;

 

overwegende dat:

  • -

    het college op basis van artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening (ASV) bij subsidieregeling vaststelt welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie;

  • -

    het college op basis van artikel 3 van de ASV bij subsidieregeling tevens kan bepalen welke doelgroepen in aanmerking komen voor subsidie;

  • -

    de ASV op het verstrekken van subsidies van toepassing is, voor zover daarvan niet bij subsidieregeling wordt afgeweken;

  • -

    de ASV op onderdelen bij subsidieregeling kan worden aangevuld;

 

b e s l u i t:

 

 

vast te stellen de volgende:

 

Subsidieregeling Voorschoolse Educatie - Capelle aan den IJssel 2026

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene subsidieverordening (ASV): de algemene subsidieverordening gemeente Capelle aan den IJssel;

  • b.

    CJG: het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan den IJssel;

  • c.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

  • d.

    Doorgaande lijn: van een doorgaande lijn in het kader van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is sprake, indien een kind in de voorschoolse voorziening voorschoolse educatie volgt en daarna vroegschoolse educatie op een basisschool;

  • e.

    Fiscaal maximum: het jaarlijks wettelijk vastgesteld uurtarief kinderopvang door de Rijksoverheid;

  • f.

    Houder: de rechtspersoon aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet toebehoort, waarbij onder ‘onderneming’ wordt begrepen een locatie die in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) is opgenomen als kinderdagverblijf met VVVE-registratie;

  • g.

    Inkomensafhankelijke ouderbijdrage: inkomensafhankelijke financiële bijdrage die ouders aan de houder moeten betalen voor de deelname van hun kind aan voorschoolse educatie;

  • h.

    Inkomensverklaring: de Verklaring Geregistreerd Inkomen, een officiële verklaring van de Belastingdienst met inkomensgegevens over een bepaald belastingjaar;

  • i.

    Kinderopvangtoeslag (KOT): tegemoetkoming van het Rijk voor ouders in de kosten van de in het Landelijk Register Kinderopvang geregistreerde kinderopvang op grond van het Besluit kinderopvangtoeslag;

  • j.

    Kwaliteitskader voorschoolse educatie (VE) – Capelle aan den IJssel: de wettelijke verplichtingen en door de gemeente Capelle aan den IJssel geformuleerde aanvullende richtlijnen voor voorschoolse educatie;

  • k.

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang; het register waarin kinderopvangvoorzieningen zijn opgenomen die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen;

  • l.

    Ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft;

  • m.

    Pedagogisch beleidsmedewerker VE: een medewerker met hbo werk- en denkniveau welke ingezet wordt ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie. De pedagogisch beleidsmedewerker VE is niet direct werkzaam in de groep, maar is belast met het verhogen van de kwaliteit van voorschoolse educatie op locatie-of organisatieniveau. De taken bestaan uit onder andere beleidsontwikkeling en- implementatie, coaching en begeleiding van pedagogisch professionals en borging van het educatieve programma (conform artikel 2a, tweede lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie).

  • n.

    Pedagogisch professional: een extra professional die VE-peuters in hun ontwikkeling begeleidt en op de groep wordt ingezet op een zware doelgroep locatie voor extra ondersteuning in de directe interactie met VE-peuters.

  • o.

    Peuter: in de Basisregistratie van de gemeente Capelle aan den IJssel ingeschreven kind van 2,5 tot 4 jaar;

  • Peutermonitor: het door de gemeente Capelle aan den IJssel gefaciliteerde digitale monitoringsysteem waar de subsidieontvanger gegevens in uploadt dat als basis dient voor de uitbetaling van de subsidie voor voorschoolse educatie;

  • p.

    Opslagbedrag voorschoolse educatie (VE): het jaarlijks door de gemeente Capelle aan den IJssel vastgestelde maximaal te subsidiëren uurtarief voor voorschoolse educatie, aangeboden op een kindercentrum met een VVE-registratie in het LRK;

  • q.

    VE-peuter: in de Basisregistratie van de gemeente Capelle aan den IJssel ingeschreven kind van 2 tot 4 jaar die een VVE-indicatie heeft gekregen;

  • r.

    Voorschoolse voorziening: peuteropvang en kinderdagverblijven, die met een VVE-registratie zijn opgenomen in het LRK en die een locatie hebben binnen de gemeente Capelle aan den IJssel;

  • s.

    Voorschoolse educatie: voorschoolse educatie (als onderdeel van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) voor kinderen vanaf 2 jaar tot het moment waarop zij naar de basisschool uitstromen, waarin aan de hand van een VVE-programma op gestructureerde en samenhangende wijze activiteiten worden aangeboden gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling, in een kindercentrum met een VVE-registratie in het LRK;

  • t.

    VVE-indicatie: een indicatie die afgegeven wordt door het CJG, waarbij het CJG op basis van de gemeentelijke doelgroepdefinitie (die jaarlijks wordt vastgesteld op een bestuurlijk overleg: Lokaal Educatieve Agenda), inschat of er sprake is van een risico op een onderwijsachterstand en die recht geeft op extra uren voorschoolse educatie;

  • u.

    VVE-registratie: Een registratie in het LRK waaruit blijkt dat de houder voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen voor het aanbieden van VE;

  • v.

    VVE-programma: een erkend voorschools programma waarin op een gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd op het gebied van rekenen, taal, motoriek en sociaal- emotionele ontwikkeling voor zover dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut.

  • w.

    Zware doelgroep locatie: een locatie in Capelle aan den IJssel met meer dan 50% VE-peuters op locatieniveau. Dit betreft de verhouding op basis van unieke kinderen in de maand januari voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 2 Doelstelling

Doelstelling van de regeling is het met behulp van voorschoolse educatie voorkomen en inlopen van onderwijsachterstanden bij VE-peuters zodat de doelgroep zich optimaal kan ontwikkelen en een goede start kan maken in groep 1 zonder daarbij belemmerd te worden door factoren die deze kinderen niet zelf kunnen beïnvloeden. Subdoelen van de regeling zijn het tegengaan van segregatie en het bevorderen van integratie van kinderen en het bieden van een passende plek voor kinderen, bij voorkeur dicht bij huis.

Artikel 3 Activiteiten

Subsidie wordt uitsluitend verleend voor:

  • 1.

    Het aanbieden van voorschoolse educatie aan:

    • a.

      peuter waarvan de ouder(s) recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      peuter waarvan de ouder(s) geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • c.

      VE-peuter waarvan de ouder(s) recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • d.

      VE-peuter waarvan de ouder(s) geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

  • 2.

    De inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker VE ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie.

  • 3.

    De inzet van een pedagogisch professional voor het bieden van extra ondersteuning op zware doelgroep locaties ten behoeve van de VE-peuters.

  • 4.

    Subsidie wordt niet verleend voor peuters met een Sociaal Medische Indicatie op een voorschoolse voorziening.

Artikel 4 Subsidieontvanger

  • 1.

    Het college verstrekt uitsluitend subsidie aan houders van voorschoolse voorzieningen die met een VVE-registratie zijn opgenomen in het LRK voor de deelname aan voorschoolse educatie van kinderen die:

    • a.

      peuter zijn en waarvan de ouder(s) geen recht heeft/hebben op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      peuter zijn en waarvan de ouder(s) recht heeft/hebben op kinderopvangtoeslag.

    • c.

      VE-peuter zijn en waarvan de ouder(s) geen recht heeft/hebben op kinderopvangtoeslag, of;

    • d.

      VE-peuter zijn en waarvan de ouder(s) recht heeft/hebben op kinderopvangtoeslag.

  • 2.

    De subsidieontvanger:

    • a.

      voldoet aan de eisen van de Wet kinderopvang en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

    • b.

      voldoet aan de kwaliteitseisen van de Inspectie van het Onderwijs en GGD en werkt conform de eisen op grond van de Wet. Subsidie kan worden geweigerd als blijkt dat bij een bestaande of nieuwe houder sprake is van een herstellend of bestraffend handhavingstraject. Per situatie wordt dan met de houder besproken of er subsidie voor de betreffende locatie zal worden toegekend,

    • c.

      voldoet aan de eisen van het Kwaliteitskader VE, en;

    • d.

      is in staat vanaf de ingangsdatum van de subsidieverlening de in de subsidiebeschikking bepaalde activiteit(en) uit te voeren.

Artikel 5 Aanvullende verplichtingen

Aan de subsidieontvanger worden de volgende aanvullende verplichtingen opgelegd:

  • 1.

    De subsidieontvanger verleent alle medewerking aan onderzoeken door het CJG in het kader van controle aan wettelijke vereisten;

  • 2.

    De subsidieontvanger int de ouderbijdrage;

  • 3.

    De subsidieontvanger stelt tijd beschikbaar om in samenspraak met gemeente en de lokale onderwijsinstellingen tot goede afspraken te komen over een doorgaande lijn van voor- naar vroegschool en ten behoeve van verdere kwaliteitsontwikkeling. Bijvoorbeeld door deel te nemen aan het bestuurlijk overleg lokale educatieve agenda (BO LEA).

  • 4.

    De subsidieontvanger neemt actief deel aan overleg over peuteropvang met de gemeente en de lokale onderwijsinstellingen in het kader van een doorlopende leerlijn 0-13 jaar en voert voorschoolse activiteiten uit gericht op het zorgen voor samenhang in de voorschoolse educatie en het zo goed mogelijk bereiken van de doelgroep;

  • 5.

    De subsidieontvanger verleent VE-peuters, zoveel als mogelijk, voorrang bij de plaatsing van een peuter op een beschikbaar gekomen plek wanneer er een wachtlijst is;

  • 6.

    De subsidieontvanger zorgt voor een aanbod van voorschoolse educatie aan een VE-peuter dat minimaal 960 uur bedraagt over een periode van 1,5 jaar, waarbij het aanbod maximaal 6 uur aaneengesloten per dag is en verdeeld over 3, 4 of 5 dagdelen;

  • 7.

    De subsidieontvanger draagt verantwoordelijkheid voor het signaleren van problemen in de directe omgeving van de peuter, en voor het doorgeven van deze signalen aan de contactpersoon van het CJG.

  • 8.

    De subsidieontvanger voldoet aan de gestelde eisen zoals beschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse educatie (VE) – Capelle aan den IJssel.

  • 9.

    In het kader van de (tussentijdse) verantwoording bedoeld in artikel 10, 12, 14, 15, 16 en 17, van de ASV is elke subsidieontvanger verplicht de gevraagde gegevens aan te leveren via de Peutermonitor. Het gebruik van genoemd monitorsysteem is kosteloos voor de subsidieontvanger.

  • 10.

    In afwijking van artikel 12, eerste lid van de ASV dient elke subsidieontvanger binnen vier weken na afloop van ieder kwartaal een rapportage cq. tussentijdse verantwoording in via de Peutermonitor in met daarin gegevens die nodig zijn voor:

    • a.

      Het controleren van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten;

    • b.

      Het bepalen van de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten in relatie tot het voorschot, bedoel in artikel 14, eerste lid;

    • c.

      De uiteindelijke vaststelling van de subsidie na afloop van het subsidiejaar.

Artikel 6 Subsidieduur

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt per kalenderjaar, voor een periode van maximaal 40 (school)weken in het betreffende kalenderjaar.

  • 2.

    De subsidie eindigt met ingang van de datum waarop de peuter geen gebruik meer maakt van de voorschoolse voorziening of uiterlijk op de dag dat de peuter 4 jaar wordt.

Artikel 7 Hoogte van de subsidie voorschoolse educatie

De hoogte van de subsidie voor voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 3 eerste lid wordt als volgt berekend:

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks voor 1 oktober het opslagbedrag VE vast op basis van:

    • a.

      het jaarlijks wettelijk fiscaal maximum, zoals vastgesteld door de Rijksoverheid;

    • b.

      een opslag per uur voor de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen en de door gemeente Capelle aan den IJssel gehanteerde bovenwettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie;

  • 2.

    De hoogte van de subsidie wordt per peuter en/of VE-peuter als volgt bepaald:

    • a.

      Peuter waarvan de ouder(s) recht hebben op kinderopvangtoeslag;:

      de subsidie bestaat uit het vastgestelde opslagbedrag per uur op het fiscaal maximum voor maximaal acht uur per week.

    • b.

      Peuter waarvan de ouder(s) geen recht hebben op kinderopvangtoeslag:

      de subsidie bestaat uit een aanvulling tot het fiscaal maximum, onder aftrek van de ouderbijdrage en het vastgestelde opslagbedrag per uur bovenop het fiscaal maximum voor maximaal acht uur per week.

    • c.

      VE-peuter waarvan de ouder(s) recht hebben op kinderopvangtoeslag:

      de subsidie bestaat uit het vastgestelde opslagbedrag per uur op het fiscaal maximum voor de eerste acht uur per week en een volledige vergoeding van de kosten vanaf het achtste tot en met het zestiende uur per week, bestaande uit het fiscaal maximum plus het vastgesteld opslagbedrag per uur.

    • d.

      VE-peuter waarvan de ouder(s) geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;:

      de subsidie bestaat uit een aanvulling tot het fiscaal maximum, onder aftrek van de ouderbijdrage en het vastgestelde opslagbedrag per uur bovenop het fiscaal maximum voor de eerste acht uur per week, en een volledige vergoeding van de kosten vanaf het achtste uur tot en met het zestiende uur per week, bestaande uit het fiscaal maximum plus het vastgestelde opslagbedrag per uur.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie is het aantal uren dat een peuter contractueel van de opvang gebruik heeft gemaakt vermenigvuldigd met het voor dat jaar geldende opslagbedrag VE. Er geldt een maximum van 640 uur per jaar.

Artikel 8 Hoogte van de subsidie voor pedagogisch beleidsmedewerker VE

De hoogte van de subsidie voor een pedagogisch beleidsmedewerker VE als bedoeld in artikel 3 tweede lid wordt als volgt berekend:

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt voor de wettelijk verplichte inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker voor 10 uur per jaar per VE-peuter vanaf 2,5 jaar per locatie;

  • 2.

    De subsidie wordt verstrekt op basis van het aantal VE-peuters die in januari van het jaar voorafgaand aan het betreffende subsidiejaar staan ingeschreven op de locatie.

  • 3.

    Het subsidiebedrag wordt op uurbasis verstrekt en is gebaseerd op de CAO Kinderopvang, schaal 9, trede 35. Jaarlijks wordt het uurtarief opnieuw ingeschaald.

Artikel 9 Hoogte van de subsidie voor zware doelgroep locaties

De hoogte van de subsidie voor het bieden van extra ondersteuning op VE-peutergroepen als bedoeld in artikel 3 derde wordt als volgt berekend:

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt per locatie met voorschoolse educatie met meer dan 50% VE-peuters op locatieniveau, voor de inzet van een extra pedagogisch professional. Dit percentage betreft de verhouding tussen reguliere peuters versus VE-peuters gebaseerd op basis van unieke peuters, die in januari van het jaar voorgaand aan het betreffende subsidiejaar staan ingeschreven op de locatie met een gemiddelde bezetting van minimaal 75%. Dit wordt geverifieerd via de Peutermonitor;

  • 2.

    Het subsidiebedrag wordt op uurbasis verstrekt en is gebaseerd op de CAO Kinderopvang, schaal 6, trede 23. Jaarlijks wordt het uurtarief opnieuw ingeschaald. Subsidie wordt verstrekt voor maximaal 8 uur per schoolweek (maximaal 320 uur per jaar).

  • 3.

    Indien er op een locatie meerdere groepen zijn, waarbij meerdere groepen aan de 50 procentnorm voldoen, mag voor meerdere groepen aanvullende subsidie worden aangevraagd.

Artikel 10 Ouderbijdrage

  • 1.

    Voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag geldt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage over de eerste twee dagdelen peuteropvang van maximaal 320 uur per jaar (640 uur per twee jaar).

  • 2.

    De hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage wordt door de subsidieontvanger bepaald op basis van het verzamelinkomen van het voorgaande kalenderjaar en wordt gebaseerd op de meest recente Kinderopvangtoeslagtabel.

  • 3.

    Aan ouders die geen recht op kinderopvangtoeslag hebben en een minimuminkomen (een inkomen dat valt in de laagste groepen van de Kinderopvangtoeslagtabel) hebben, wordt geen ouderbijdrage in rekening gebracht door de subsidieontvanger voor de eerste twee dagdelen 8 uur per week. Deze ouders dienen hun minimuminkomen aan de subsidieontvanger aan te tonen middels een inkomensverklaring.

  • 4.

    Ten behoeve van de vaststelling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage zorgt de subsidieontvanger ervoor dat de ouder een ondertekende ‘verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag’ en een recente inkomensverklaring overlegt aan de subsidieontvanger. De subsidieontvanger verplicht de ouder wijzigingen in de inkomens- of gezinssituatie die van invloed zijn op de kinderopvangtoeslag per omgaande te melden bij de subsidieontvanger. De subsidieontvanger past het contract aan en verwerkt de wijzigingen in de verantwoording aan de gemeente.

  • 5.

    Wanneer een verlaging van het inkomen zodanig is dat ouders in een lagere inkomenscategorie vallen, kunnen ouders een aanvraag tot herziening van de ouderbijdrage indienen bij de subsidieontvanger. Hierbij dient de ouder de meest recente loongegevens, uitkeringsbeschikking of meest recente inkomensverklaring aan te leveren.

Artikel 11 Aanvraag

Bij een aanvraag om subsidie overlegt de subsidieaanvrager, in afwijking van artikel 6, tweede lid, onder a, b en c van de ASV, een volledig ingevuld aanvraagformulier (Excel), opgesteld volgens het door de gemeente vastgestelde format.

Artikel 12 Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt, in afwijking van artikel 7, eerste lid van de ASV, ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het betreffende subsidiejaar.

  • 2.

    In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de ASV wordt een aanvraag om subsidie voor het kalenderjaar 2026 ingediend vóór 31 januari 2026.

  • 3.

    Een aanvraag om een subsidie die niet per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt in afwijking van artikel 7, tweede lid, van de ASV, ingediend gedurende de looptijd van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, maar niet later dan 10 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Aanvragen ingediend na de datum genoemd in het eerste lid worden niet in behandeling genomen.

Artikel 13 Beslistermijn

  • 1.

    In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de ASV, beslist het college op een aanvraag om subsidie binnen acht weken nadat de uiterste aanvraagdatum, te weten 1 oktober, is verstreken.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de ASV, beslist het college op een aanvraag om subsidie voor het kalenderjaar 2026 binnen 8 weken nadat de uiterste aanvraagdatum, te weten 31 januari 2026, is verstreken

  • 3.

    Het college kan de termijn genoemd in het eerste lid eenmaal met ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 14 Bevoorschotting

  • 1.

    In afwijking van artikel 13, eerste tot en met derde lid, van de ASV, geldt dat het subsidiebedrag voor het eind van ieder kwartaal in vier gelijke delen als voorschot wordt uitbetaald.

  • 2.

    .De hoogte van het voorschot kan tussentijds worden aangepast indien de rapportage bedoeld in artikel 5, tiende lid, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 15 Aanvraag tot vaststelling

  • 1.

    In afwijking van artikel 15, tweede lid, onder b en artikel 16, tweede lid, onder b van de ASV, dient de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling de besteding van de verleende subsidie voor voorschoolse educatie te verantwoorden door kwantitatieve gegevens in de Peutermonitor aan te leveren, als bedoeld in artikel 5, tiende lid. Hiervoor levert de subsidieontvanger voor elk kwartaal van het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt ontvangen, per peuter per maand tenminste de volgende informatie aan: betreffend kwartaal, maand, locatie en LRK-nummer; BSN; NAW-gegevens; geboortedatum; inkomen ouders, eerste kind ja/nee, VVE-indicatie ja/nee, kinderopvangtoeslag ja/nee, startdatum peuteropvang, (verwachte) einddatum peuteropvang, aantal uren regulier aanbod, aantal uren aanvullend aanbod.

  • 2.

    In afwijking van artikel 15, tweede lid, onder b en artikel 16, tweede lid, onder b van de ASV, dient de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling de besteding van de verleende subsidie voor de inzet van een pedagogisch professional op een zware doelgroep locatie te verantwoorden.

  • Dit gebeurt door:

    • a.

      Een rapportage aan te leveren waarin wordt beschreven op welke wijze en voor hoeveel uur de professional is ingezet.

    • b.

      Het aanleveren van een financieel overzicht met daarin de kosten van de daadwerkelijke inzet van de pedagogisch professional.

    • c.

      Het aanleveren van kwantitatieve gegevens in de Peutermonitor, als bedoeld in artikel 5, tiende lid. Deze kwantitatieve gegevens zijn gelijk aan de gegevens genoemd in lid 1 van dit artikel.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 15, tweede lid, van de ASV, dient de subsidieontvanger tevens een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant, te overleggen bij zijn aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

  • 4.

    In afwijking van artikel 16, tweede lid, onder c van de ASV, hoeft de subsidieontvanger geen balans van het afgelopen subsidiejaar te overleggen bij zijn aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 16 Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1.

    Jaarlijks wordt door de gemeenteraad de programmabegroting vastgesteld met daarin een verdeling van de beschikbare middelen per subsidieregeling. De aldus in de programmabegroting opgenomen middelen gelden voor deze subsidieregeling als subsidieplafond in de zin van artikel 4:22 van de Awb.

  • 2.

    De verdeling van het subsidieplafond voor subsidies die conform artikel 12, eerste en tweede lid, zijn aangevraagd voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft respectievelijk voor 31 januari 2026, vindt plaats op basis van een verdeling naar rato over de subsidieaanvragen die voor toewijzing in aanmerking zouden komen als hierdoor het subsidieplafond niet zou worden overschreden. De subsidieaanvragen die voor de voorgeschreven aanvraagdatum zijn ontvangen en die voldoen aan de eisen voor het doen van de aanvraag om subsidie, worden eerst getoetst aan de overige artikelen van de ASV. Als de beoordeling op grond van de ASV geen aanleiding geeft om de aanvraag af te wijzen, wordt de aanvraag getoetst aan deze subsidieregeling. Indien het totaalbedrag van de aanvragen die na deze toetsing voor toewijzing in aanmerking komen het subsidieplafond overschrijdt, worden de beschikbare middelen naar rato over de aanvragen verdeeld, tot het maximum van het subsidieplafond.

  • 3.

    De verdeling van het subsidieplafond voor andere aanvragen om subsidie, vindt plaats op basis van de volgorde van binnenkomst van de aanvragen die voldoen aan de eisen van de ASV en deze subsidieregeling. Indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag wordt ontvangen, wordt de onderlinge rangschikking van de aanvragen vastgesteld door middel van loting.

Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Subsidieregeling (VVE)-Peuteropvang 2020 wordt ingetrokken;

  • 2.

    Deze subsidieregeling treedt in werking op 1 januari 2026;

  • 3.

    Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Voorschoolse Educatie 2026.

Capelle aan den IJssel, 16 december 2025

Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,

de secretaris,

R. Elling MA

de burgemeester,

drs. J.J. Manusama

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijving

In de begripsomschrijvingen wordt een onderscheid gemaakt tussen een peuter (kind van 2,5 tot 4 jaar) en een VE-peuter (kind van 2 tot 4 jaar). De reden voor dit onderscheid is dat peuters met een VE-indicatie vanwege gemeentelijk beleid al vanaf hun tweede jaar in aanmerking komen voor gesubsidieerde peuteropvang.

 

Artikel 2 Doelstelling

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

 

Artikel 3 Activiteiten

In lid 2 gaat het om de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker VE. De pedagogisch beleidsmedewerker VE werkt op locatie en/of organisatieniveau en niet met peuters in de groep. De pedagogisch beleidsmedewerker VE zorgt juist achter de schermen voor dat de kwaliteit van de VE goed is. De pedagogisch beleidsmedewerker VE helpt bijvoorbeeld bij: het maken van beleid binnen de organisatie over hoe VE wordt uitgevoerd of begeleid en coacht pedagogisch professionals. De pedagogisch beleidsmedewerker VE is verplicht volgens landelijke wet- en regelgeving en is bedoeld om te zorgen dat voorschoolse educatie van goede kwaliteit is.

 

In lid 3 gaat het om extra van een pedagogisch professional op een locatie. Op sommige locaties zitten meer dan 50% VE-peuters. Deze locaties noemen wij zware doelgroep locaties. Daar is vaak extra ondersteuning nodig, omdat veel peuters extra aandacht nodig hebben. De pedagogisch professional werkt direct met de peuters en helpt mee in de dagelijkse begeleiding. Dit zorgt er onder andere voor dat kinderen meer individuele aandacht krijgen en het VE-programma beter uitgevoerd kan worden.

 

In lid 4 wordt aangegeven dat er geen subsidie verstrekt wordt aan peuters met een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Voor deze peuters geldt dat een opvang nodig is vanwege medische of sociale problemen. Dit is anders dan specifiek gericht op het bieden van voorschoolse educatie. Daarom geeft de gemeente voor deze peuters geen subsidie vanuit deze regeling. De kosten voor deze opvang worden op andere manier betaald, bijvoorbeeld via de zorgverzekering of de Jeugdwet.

 

Artikel 4 Subsidieontvanger

Dit artikel beschrijft aan wie de gemeente subsidie kan verstrekken. Alleen aan houders van een voorschoolse voorziening met een VVE-registratie in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) komen in aanmerking. De subsidie is bedoeld voor peuters en VE-peuters, ongeacht of de ouders kinderopvangtoeslag krijgen.

 

In het tweede lid staan de voorwaarden waar een subsidieontvanger aan moet voldoen. De meeste van deze eisen worden gecontroleerd door de GGD, zoals de kwaliteit op de voorschoolse voorziening en of er voldaan wordt aan de wet- en regelgeving. Een uitzondering is het Kwaliteitskader Voorschoolse Educatie (VE). Daarop houdt de gemeente zelf toezicht.

 

Artikel 5 Aanvullende verplichtingen

In dit artikel is bepaald aan extra verplichtingen de subsidieontvanger moet voldoen, naast de vereisten die in artikel 4 van deze regeling staan.

Om kwaliteit, toegang en verantwoording te borgen, werkt de subsidieontvanger samen met het CJG en handelt volgens het Capelse Kwaliteitskader VE. De subsidieontvanger signaleert zorgen rond peuters en meldt die bij de vaste CJG-contactpersoon. Tegelijk zorgt de subsidieontvanger voor toegankelijkheid: VE-peuters krijgen waar mogelijk voorrang bij wachtlijsten en ontvangen minimaal 960 uur voorschoolse educatie in 1,5 jaar, verdeeld over 3, 4 of 5 dagdelen van maximaal 6 uur. Voor een soepele overgang naar de basisschool maakt de subsidieontvanger tijd vrij voor afspraken met de gemeente en scholen en neemt actief deel aan overleg, zodat samenhang in het aanbod 0–13 jaar en goed bereik van de doelgroep worden gerealiseerd. De financiële uitvoering is helder, omdat de ouderbijdrage correct wordt geïnd en vastgelegd. Tot slot levert de subsidieontvanger via de Peutermonitor de gevraagde gegevens aan en dient binnen vier weken na elk kwartaal een rapportage in. Op deze manier kan de gemeente de voortgang volgen, het voorschot toetsen en de subsidie achteraf juist vaststellen.

 

Artikel 6 Subsidieduur

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

 

Artikel 7 Hoogte van de subsidie voorschoolse educatie

Landelijk en regionaal wordt voorschoolse educatie gefinancierd middels kindgebonden financiering, oftewel geld-volgt-kind systematiek. Dit betekent dat de gemeente niet de organisaties subsidieert, maar een afgesproken bedrag per uur per peuter (hierna: kostprijs) betaalt voor het verzorgen van voorschoolse educatie. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de kostprijs die hiervoor vastgesteld is. Het gaat om een kostprijs die passend is bij het wettelijke en gemeentelijke kwaliteitskader en de situatie in de gemeente Capelle aan den IJssel.

Figuur 1. Methodiek kindgebonden financiering in de gemeente Capelle aan den IJssel

 

Figuur 1 is een visuele weergave van het stelsel kindgebonden financiering. De methodiek in figuur 1 geldt voor de eerste twee dagdelen (0 tot en met 8 uur per week), het standaard aanbod voor alle kinderen. Kinderen met een VVE-indicatie krijgen een aanvullend aanbod en krijgen het 3e dagdeel (vanaf 8 tot en met 16 uur) volledig vergoed van de gemeente.

 

De linkerkolom in het figuur toont de compensatie van ouders met kinderopvangtoeslag (KOT). Zij betalen op basis hun inkomen een eigen bedrage en worden verder door het Rijk gecompenseerd. Deze compensatie geldt maximaal tot het normtarief wat jaarlijks wordt vastgesteld. In 2026 is dit vastgesteld op €11,23. Als gemeente gaat u uit van een gelijk stelsel. Dit betekent dat ouders die geen recht hebben op KOT (niet-KOT) dezelfde ouderbijdrage betalen bij een gelijk inkomen. U als gemeente neemt de rol van het Rijk over en vult dit bedrag tot maximaal €11,23 aan vanuit gemeentelijke middelen. In het figuur is dit terug te zien in de rechterkolom.

 

Het verschil tussen het normtarief en de kostprijs VVE aanbod per uur (de plus) wordt gesubsidieerd door de gemeente. In het figuur is dit gevisualiseerd met het bovenste (gele) blokje in de rechterkolom.

 

Artikel 8 Hoogte van de subsidie voor pedagogisch beleidsmedewerker VE

De subsidie voor de pedagogisch beleidsmedewerker VE wordt per locatie berekend op basis van het aantal VE-peuters van 2,5 tot 4 jaar dat in januari van het jaar vóór het subsidiejaar staat ingeschreven. Voor elke van deze VE-peuters wordt 10 uur per jaar aan inzet vergoed. De vergoeding is per uur en sluit aan bij CAO Kinderopvang, schaal 9, trede 35; het uurtarief wordt elk jaar opnieuw vastgesteld.

 

Artikel 9 Hoogte van de subsidie voor zware doelgroep locaties

De subsidie voor extra ondersteuning wordt per locatie berekend. Een locatie komt in aanmerking als in de peilmaand januari van het jaar vóór het subsidiejaar meer dan 50% van de ingeschreven unieke peuters een VE-indicatie heeft én de groepen gemiddeld minimaal 75% bezet zijn. Deze gegevens worden gecontroleerd via de Peutermonitor. De subsidie vergoedt de inzet van een extra pedagogisch professional die direct op de groep werkt. De vergoeding is per uur, volgens de CAO Kinderopvang, schaal 6, trede 23; het uurtarief wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. Per groep kan maximaal 8 uur per schoolweek worden gesubsidieerd (tot 320 uur per jaar). Heeft een locatie meerdere groepen die aan de 50%-norm voldoen, dan kan voor meerdere groepen aanvullende subsidie worden aangevraagd.

 

Artikel 10 Ouderbijdrage

Voor ouders die géén recht hebben op kinderopvangtoeslag geldt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor de eerste twee dagdelen peuteropvang. Dit gaat om maximaal 320 uur per jaar (of 640 uur in twee jaar). De subsidieontvanger stelt de hoogte van deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van het vorige kalenderjaar en gebruikt daarvoor de meest recente Kinderopvangtoeslagtabel. Hebben ouders geen recht op kinderopvangtoeslag én een minimuminkomen (de laagste inkomensgroepen in de tabel), dan betalen zij geen ouderbijdrage voor de eerste twee dagdelen, samen 8 uur per week. Ouders tonen dit minimuminkomen aan met een inkomensverklaring.

 

Voor het bepalen van de bijdrage levert de ouder aan de subsidieontvanger een ondertekende verklaring “geen recht op kinderopvangtoeslag” en een recente inkomensverklaring. Wijzigingen in inkomen of gezinssituatie die invloed hebben op de toeslag meldt de ouder direct aan de subsidieontvanger. De subsidieontvanger past vervolgens het contract aan en verwerkt dit in de verantwoording aan de gemeente. Daalt het inkomen waardoor ouders in een lagere inkomenscategorie vallen, dan kunnen zij een herziening van de ouderbijdrage aanvragen. Zij leveren dan recente loonstroken, een uitkeringsbeschikking of een nieuwe inkomensverklaring aan.

 

Artikel 11 Aanvraag

Bij een aanvraag om subsidie hoeft de aanvrager niet te voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, onder a tot en met c van de ASV. Wat er wél wordt gevraagd staat beschreven in dit artikel. Door het invullen van het door het college vastgestelde aanvraagformulier met bijlage(n) geeft de aanvrager alle benodigde informatie.

 

Artikel 12 Aanvraagtermijn

In de ASV en in deze subsidieregeling worden twee soorten subsidies onderscheiden:

  • -

    Subsidie voor de duur van een kalenderjaar

  • -

    Subsidie die niet per kalenderjaar wordt verstrekt

Voor subsidies die voor de duur van een kalenderjaar worden verstrekt, dient de aanvraag te worden ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

 

Zoals in het tweede lid van dit artikel beschreven, kan een aanvraag om subsidie onder deze regeling voor het kalenderjaar 2026 worden ingediend tot 31 januari 2026. Omdat de subsidieregeling op 16 december 2025 is vastgesteld, krijgen scholen, partijen en organisaties, zo voldoende tijd om de aanvraag voor te bereiden.

 

In het derde lid van wordt aangegeven dat aanvragen voor subsidies die niet voor de duur van een kalenderjaar worden verstrekt, alleen kunnen worden aangevraagd in het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, tot uiterlijk 10 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten. De subsidie kan niet met terugwerkende kracht worden verleend en wordt alleen verstrekt over resterende maanden van het betreffende subsidiejaar.

 

Artikel 13 Beslistermijn

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

 

Artikel 14 Bevoorschotting

In het tweede lid van dit artikel staat beschreven dat de hoogte van het voorschot tussentijds kan worden aangepast als uit de tussentijdse verantwoording (ingediend via de Peutermonitor) blijkt dat de subsidieontvanger minder peuters opvangt dan hij bij de aanvraag heeft voorzien. De hoogte van het aangepaste voorschot zal dan worden gebaseerd op het subsidiebedrag zoals dat, gezien de werkelijk geplaatste peuters, waarschijnlijk uiteindelijk zal worden vastgesteld.

 

Artikel 15 Aanvraag tot vaststelling

De verantwoording over de besteding van de verleende subsidie voor voorschoolse educatie door kwantitatieve gegevens aan te leveren, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt automatisch opgemaakt wanneer de subsidieontvanger de Peutermonitor gebruikt (beschreven in 5). Dit deel van de verantwoording wordt opgesteld aan de hand van de datasets die de subsidieontvanger per kwartaal aanlevert.

 

Doordat de Peutermonitor een koppeling maakt tussen de verschillende groepen peuters en het aantal uren dat zij gebruik maken van de voorschoolse voorziening en de daarbij behorende subsidies, dient dit overzicht als financiële verantwoording bij de aanvraag tot vaststelling.

 

Met betrekking tot de inzet van een extra pedagogisch professional op een zware doelgroep locatie toont de subsidieontvanger hoe deze professional is ingezet en hoeveel uur, en een financieel overzicht aan te leveren met de kosten van deze inzet. Daarnaast dienen dezelfde gegevens in de Peutermonitor worden aangeleverd als genoemd in lid 1.

 

Artikel 16 Subsidieplafond en wijze van verdeling

De raad stelt met een subsidieplafond voor voorschoolse educatie een maximum aan het bedrag dat voor subsidies beschikbaar is. Als het totaal van de aanvragen die voor toewijzing in aanmerking komen het subsidieplafond overschrijdt, worden de beschikbare middelen naar rato over de aanvragen verdeeld, tot het maximum van het subsidieplafond.

 

Om te bepalen of een aanvraag voor toewijzing in aanmerking komt, wordt eerst onderzocht of de aanvragen op tijd zijn ingediend en compleet zijn, alsmede of zij voldoen aan de overige eisen die in de ASV worden gesteld. In dit kader wordt ook afgewogen of er een reden is om de aanvraag af te wijzen op grond van een van de afwijzingsgronden van artikel 9 van de ASV. Vervolgens worden de aanvragen getoetst aan deze subsidieregeling. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of de aanvraag activiteiten betreft die op grond van de subsidieregeling in principe kunnen worden gesubsidieerd en of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de subsidieregeling. Als het totaalbedrag van de aanvragen die na deze procedure zouden kunnen worden toegewezen het bedrag van het subsidieplafond overschrijdt, wordt dit bedrag naar rato verdeeld.

 

Artikel 17 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel spreekt voor zichzelf.

Naar boven