Gemeenteblad van Bunnik
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bunnik | Gemeenteblad 2026, 91703 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bunnik | Gemeenteblad 2026, 91703 | beleidsregel |
Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik
Burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik;
Gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik;
Overwegende dat het doel van deze nadere regels en beleidsregels is om richtlijnen te geven voor de toepassing van artikelen uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik, deze als doel hebben om de besluitvorming door de gemeente te structureren en een schakel zijn tussen de wetgeving en de uitvoeringspraktijk, besluiten om onderstaande nadere regels en beleidsregels vast te stellen.
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik
Begrippen die voorkomen en verklaard worden in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning worden niet in deze lijst verklaard.
Deze nadere regels en beleidsregels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Bunnik. Samen met de verordening vormen zij de basis voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet. Om de leesbaarheid te bevorderen en de veelheid aan voorschriften te verminderen, zijn de nadere regels en beleidsregels samengevoegd. In de tekst staan verwijzingen naar de verordening ingeval het een nadere regel betreft zoals genoemd in de verordening.
In de beleidsregels geeft het college aan hoe zij omgaat met haar bevoegdheden rond de uitvoering van de Wmo en de jeugdwet. De beleidsregels uit dit document zijn bedoeld voor de afweging van belangen, het vaststellen van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Er worden handvatten gegeven voor de afwegingen die gemaakt worden om hulp op maat in te zetten. De nadere regels in dit document zijn algemeen verbindend. Deze bevatten concrete regels die altijd van toepassing zijn en waar rechten aan ontleend kunnen worden.
Artikel 1 Herstel van het gewone leven
Het doel van ondersteuning is om inwoners te helpen hun leven zoveel mogelijk voort te zetten zoals dat vóór het ontstaan van uitdagingen of beperkingen het geval was, of zoals dat gebruikelijk is voor mensen in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorieën. Daarbij staat het herstel van het gewone leven centraal: een situatie waarin iemand weer mee kan doen, eigen regie ervaart en zich verbonden voelt met de omgeving. Ondersteuning is gericht op wat noodzakelijk is om dit herstel mogelijk te maken. Dit betekent dat niet elke wens of voorkeur wordt gehonoreerd, maar dat de inzet proportioneel is en aansluit bij wat redelijkerwijs nodig is voor participatie en zelfredzaamheid. Het kan betekenen dat iemand zich moet aanpassen aan blijvende beperkingen, en dat niet alle eerdere activiteiten of hobby’s volledig kunnen worden hervat. De ondersteuning is aanvullend op wat iemand zelf kan organiseren, met hulp van zijn netwerk en algemene voorzieningen.
Hoofstuk 2 Beleidsregels Jeugd
Artikel 2.1 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
De inzet van hulp en ondersteuning is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen als het de jeugdige en/of de ouder(s) niet lukt om op eigen kracht het probleem op te lossen. De actuele hulpvraag van de jeugdige en/of de ouder(s) vormt doorgaans het uitgangspunt voor de gekozen oplossingsrichting en bijbehorende mogelijkheden.
Bij het onderzoek naar eigen kracht en oplossend vermogen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Uit het oogpunt van fysiek en geestelijk welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) gaat de gemeente uit van alle beschikbare mogelijkheden ten aanzien van het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie vanuit Positieve Gezondheid. Bij deze benadering staat een betekenisvol leven van mensen centraal, waarbij de nadruk ligt op veerkracht, eigen regie en het aanpassingsvermogen van de mens en niet op specifieke beperkingen of ziektebeeld;
Artikel 2.2 Gebruikelijke hulp aan jeugdigen
Gebruikelijke hulp wordt beschreven als hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders. Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn. Dit volgt uit artikel 2.3 van de Jeugdwet en de jurisprudentie1. Dat wordt ook wel eigen kracht genoemd. Terwijl de eigen kracht ziet op het hele gezinssysteem, gaat het bij gebruikelijke hulp om de hulp die ouder(s) aan hun kind kunnen bieden. Uit de jurisprudentie volgt ook dat bovengebruikelijke hulp onder omstandigheden van ouder(s) mag worden verwacht2.
1 Centrale Raad van Beroep d.d. 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477
2 Centrale Raad van Beroep d.d. 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362
Artikel 2.2.1 Hoofdlijnen gebruikelijke hulp
Het is gebruikelijk dat ouder(s) hun kind de dagelijkse zorg, hulp en ondersteuning bieden die past bij de levensfase van het kind. Het kan ook gaan om activiteiten die niet standaard bij alle jeugdigen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare hulp en zorg van ouder(s) aan kinderen kunnen worden gezien. Bij jeugdigen met een chronische aandoening, ziekte, stoornis of beperking is het gebruikelijk dat ouder(s) zo veel mogelijk de dagelijkse zorg leveren, ook als dat meer is dan gemiddeld bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Dit is een belangrijk uitgangspunt. Immers, ook bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd verschilt de inzet van de dagelijkse zorg van kind tot kind. Het ene kind ontwikkelt zich nu eenmaal anders dan het andere kind en heeft meer of minder begeleiding en zorg nodig.
Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (voetnoot 1en 2) kan worden afgeleid dat bovengebruikelijke hulp onder bepaalde omstandigheden ook van ouder(s) kan worden verwacht en dus onder 'eigen kracht' kan vallen. Om dat vast te stellen moet college goed onderzoeken of sprake is van voldoende eigen kracht van ouder(s). Uit de uitspraak van de CRvB volgt dat de volgende factoren in ieder geval van belang zijn:
Ook wordt er een redelijkheidstoets gedaan: wat mag in redelijkheid verwacht worden van de ouder(s) en hun netwerk in de betreffende situatie. Dit gaat verder dan de vraag of de geboden ondersteuning als normaal of gangbaar gezien kan worden. Dit is ter afweging aan de consulent in overleg met de aanvrager.
De beoordeling of hulp gebruikelijk is, hangt mede af van de leeftijd van het kind. De meeste kinderen vanaf 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Ook bij andere ADL-activiteiten heeft het ene kind meer en/of langer sturing en begeleiding nodig dan het andere. Als een kind van 10 jaar nog toezicht nodig heeft bij het tandenpoetsen, is het gebruikelijk dat de ouder dit toezicht biedt.
Artikel 2.2.2 Uitval of overbelasting van een ouder
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan wordt gekeken naar andere voorliggende voorzieningen (kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang). Daarbij wordt gekeken naar wat in redelijkheid met mantelzorg (sociaal netwerk van het gezin) kan worden opgevangen. Zijn deze mogelijkheden maximaal benut of afwezig, dan is toewijzing van een individuele voorziening vanuit de jeugdhulp mogelijk. Hetzelfde geldt voor de uitval van de ouder in een éénoudergezin. Is geen hulp vanuit het eigen netwerk mogelijk, dan kan jeugdhulp worden ingezet, tenzij er alternatieven zijn in de vorm van een algemene voorziening (zoals maatjes, inzet vrijwilligers, etc.).
Wanneer de uitval van de ouder naar verwachting langer gaat duren en een langduriger oplossing nodig is, wordt naar een alternatieve en meer blijvende oplossing gezocht. Hierbij wordt ook de aanwezigheid van mantelzorg betrokken. Sommige hulp kan vanuit de Zorgverzekeringswet of de Wet Langdurige Zorg worden ingezet, zeker als het kind ernstig en langdurig gehandicapt is.
De zorg voor een jeugdige kan zo zwaar worden, dat overbelasting bij de ouder(s) ontstaat. Om voor jeugdhulp in aanmerking te komen, moet de overbelasting van de ouder veroorzaakt worden door de hulp aan de jeugdige. Bij overbelasting door een drukke baan en/of nevenactiviteiten, ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing hier in eerste instantie bij de ouder(s) zelf. Bijvoorbeeld in aanpassingen in de leefsituatie, op het werk en/of in de nevenactiviteiten. Bij de eventuele toewijzing van jeugdhulp wordt hier eerst naar gekeken.
Het kan zijn dat er sprake is van andere factoren waardoor ouder(s) geen of niet voldoende gebruikelijke hulp kunnen leveren, zoals bij jeugdigen met ernstige verslavingsproblematiek en/of psychiatrische problematiek, of wanneer de ouder(s) zelf met een licht verstandelijke beperking hebben. In alle gevallen zal eerst naar de eigen mogelijkheden en een voorliggend aanbod gekeken worden voor jeugdhulp aangevraagd kan worden.
Vervoersvoorziening jeugdhulp gemeente Bunnik
Deze nadere regels behoren bij artikel 3.4 van de verordening en zijn gebaseerd op de uitgangspunten van de Jeugdwet. Ze stellen onder welke voorwaarden het college een vervoersvoorziening toekent voor vervoer van en naar jeugdhulpinstellingen en op welke wijze dit gebeurt. Uitgangspunt blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en het benutten van eigen kracht en voorliggende voorzieningen.
Artikel 2.3 Begripsbepalingen vervoersvoorzieningen
In deze nadere regels vervoersvoorzieningen worden de begrippen uit de verordening gehanteerd. Aanvullend gelden de volgende definities:
Artikel 2.3.1 Uitgangspunten vervoersvoorziening jeugdhulp
Vanaf de leeftijd van 12 jaar wordt van de jeugdige, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau en mogelijkheden, een toenemende mate van zelfstandigheid verwacht. Dit kan betekenen dat de jeugdige (al dan niet onder begeleiding) zelfstandig kan reizen met het openbaar vervoer of de fiets, indien dit verantwoord en haalbaar is.
Artikel 2.3.2 Vervoersvoorziening jeugdhulp (nadere regel artikel 3.4 verordening)
Artikel 2.3.4 Vergoeding openbaar vervoer (nadere regel artikel 3.4 verordening)
Artikel 2.3.5 Vervoer via zorgaanbieder (Zorg in Natura) (nadere regel artikel 3.4 verordening)
Hoofdstuk 3, beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning
Artikel 3.1 Vraagverheldering en onderzoek maatschappelijke ondersteuning
In artikel 2.10 van de verordening staat beschreven hoe het onderzoek wordt doorlopen om tot een verheldering van hulp- en ondersteuningsvraag te komen. In dat artikel worden de begrippen eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden, mantelzorg, gebruikelijke hulp, voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen genoemd. Deze begrippen worden hieronder verder toegelicht.
Artikel 3.1.1 Eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden
Onder eigen kracht wordt de toereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren rekening houdend met leeftijd van de inwoner of het vermogen om zelf zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in een behoefte aan beschermd wonen of opvang waar het inwoners betreft, verstaan. Eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden betreffen dus lichamelijke of geestelijke mogelijkheden om bepaalde dingen te doen of te organiseren. Bijvoorbeeld het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden of het organiseren van het dagelijks functioneren. Die eigen lichamelijke of geestelijke mogelijkheden kunnen zo nodig objectief worden vastgesteld via een deskundigenadvies, zoals staat beschreven in artikel 2.13 van de verordening. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de Wmo is pas aan de orde als er onvoldoende oplossingsmogelijkheden zijn bij de inwoner zelf en in diens sociale omgeving.
Artikel 3.1.2 Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, echtgenoot, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is normaal binnen een leefeenheid. De volgende criteria zijn van toepassing om te kunnen bepalen of de gebruikelijke hulp die nodig is binnen een leefeenheid nog reëel is:
Wanneer verminderde zelfredzaamheid of een participatieprobleem (gedeeltelijk) kan worden opgelost door een mantelzorger of vrijwilliger, kan aanvullend daarop een algemene of maatwerkvoorziening nodig zijn. Indien noodzakelijk wordt bij het bepalen van de meest passende ondersteuningsvorm rekening gehouden met de belangen van de mantelzorger of vrijwilliger. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de gemeente.
Artikel 3.1.4 Voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen
Algemene en overige voorzieningen zijn laagdrempelig en direct toegankelijk voor inwoners. Ze bieden ondersteuning of activiteiten die bijdragen aan het versterken van zelfredzaamheid en het verminderen van participatieproblemen. Deze voorzieningen zijn beschikbaar zonder voorafgaand uitgebreid onderzoek naar individuele behoeften, persoonskenmerken of mogelijkheden. Ze zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning en sluiten aan bij het uitgangspunt van de verordening: het bevorderen van deelname aan het gewone leven, in verbinding met de eigen omgeving en op basis van wat mensen zelf kunnen, eventueel met hulp van hun netwerk. Onder voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt bijvoorbeeld verstaan:
Artikel 3.2 Normeringskader Huishoudelijke Ondersteuning (nadere regel artikel 4.3 verordening)
Artikel 3.2.1 Bijdrage van kinderen in het huishouden
Artikel 3.3 Afwegingskader begeleiding individueel/groep/dagbesteding
Met betrekking tot de begeleiding maakt de gemeente onderscheid tussen individuele begeleiding en begeleiding in een groep. Of de inwoner is aangewezen op individuele begeleiding of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat het best past. Begeleiding in groepsverband gaat voor op individuele begeleiding als daarmee hetzelfde doel kan worden bereikt.
Artikel 3.3.1 Individuele begeleiding
Een inwoner kan op één of meerdere leefgebieden problemen ervaren door het ontbreken van regie en structuur in het dagelijks leven. Dit kan hem belemmeren in zijn zelfredzaamheid, het kunnen participeren in de maatschappij en het zelfstandig kunnen (blijven) wonen. Om de inwoner hierbij te ondersteunen kan er een vorm begeleiding worden ingezet. Het kan daarbij gaan om individuele begeleiding, begeleiding in groepsverband (dagbesteding) en bemoeizorg. De begeleiding is bedoeld voor inwoners met een:
Niet de aandoening is leidend (van welk ziektebeeld/ welke grondslag sprake is) maar de mogelijkheden en de beperkingen van de inwoner. Het Centrum voor Elkaar brengt in kaart wat het effect is van de aandoening of beperking op de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner en het vermogen van de inwoner en zijn omgeving om dit effect op te kunnen vangen. Vervolgens stelt het Centrum voor Elkaar vast waar nog behoefte is aan ondersteuning en wat de doelen van deze ondersteuning zijn. Begeleiding richt zich op:
Met betrekking tot de begeleiding maakt de gemeente onderscheid tussen individuele begeleiding en begeleiding in een groep. Of de inwoner is aangewezen op individuele begeleiding of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald tijdens het onderzoek wat het best past. Begeleiding in groepsverband gaat voor op individuele begeleiding als daarmee hetzelfde doel kan worden bereikt.
Alleen voor individuele begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen gespecialiseerde begeleiding en reguliere begeleiding. Voor de meeste begeleidingsvragen, kan reguliere begeleiding worden ingezet. Dat is het uitgangspunt. Voor de begeleiding van sommige inwoners is een bepaald specialisme nodig. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van een zeer specifiek of zwaar ziektebeeld.
Gespecialiseerde begeleiding is bedoeld voor inwoners die niet zelfredzaam zijn en waarbij sprake is van ernstig tekortschietende zelfregie, sociaal-emotionele problematiek, integratie en participatie. Er is sprake is van complexe en/of meervoudige problematiek wat vraagt om intensieve begeleiding. Gespecialiseerde begeleiding kan ook ingezet worden bij bijkomende problematiek die veelal zorgt voor een ernstige ontregeling of risico in disfunctioneren zoals: crimineel gedrag, reclassering, verslavingsproblematiek, crisissituaties of ernstige verwaarlozing.
Artikel 3.3.3 Vervoer bij groepsbegeleiding/ dagbesteding
Er kan vanuit de Wmo geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Ook niet naar begeleiding in groepsverband. Het vervoer moet afgestemd zijn op de doelgroep die wordt vervoerd. Het gaat hier niet om vervoer met de Regiotaxi maar om vervoer dat geregeld wordt door de zorgaanbieder van de dagbesteding. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de wijze waarop ze het vervoer regelen.
Artikel 3.4 Afwegingskader vervoer / deelname aan het maatschappelijk verkeer
Vervoer kan een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Wmo-doelstelling ‘participatie in de samenleving’, oftewel meedoen. Algemene vervoersvoorzieningen en gebruik van eigen vervoersvoorzieningen of oplossingen in eigen kring of met vrijwilligers, zijn altijd voorliggend. Ook voorliggend is het openbaar vervoer.
Deze voorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Regiotaxi is een collectief vervoerssysteem voor deur-tot-deurvervoer en is door iedere inwoner tegen betaling (het hogere OV vangnettarief zoals jaarlijks vastgesteld vanuit Provincie Utrecht) te gebruiken. Het is daarom een algemene voorziening.
Artikel 3.4.2 Regiotaxi Utrecht voor Wmo-pashouders (maatwerkvoorziening Wmo)
Een inwoner komt in aanmerking voor een Wmo-pas wanneer deze problemen ervaart op het gebied van vervoer die hij niet zelf of met hulp van zijn sociale omgeving kan oplossen. Een voorwaarde is dat de inwoner niet meer dan 800 meter lopend kan afleggen en/of niet zelfstandig de bushalte kan bereiken.
Wmo-vervoer is niet bedoeld voor reizigers die gebruik kunnen maken van andere vervoersregelingen (bijvoorbeeld vanuit de Zorgverzekering) of contractuele afspraken, zoals: zittend ziekenvervoer, vervoer van en naar Wmo-dagbesteding, Leerlingenvervoer, jeugdhulpvervoer en vervoer op grond van de Participatiewet.
Een reiziger mag maximaal 25 kilometer reizen per rit, waarbij het vertrek- of aankomstadres zich binnen het totale Vervoergebied Regiotaxi Utrecht 2024-2028 dient te bevinden. Wanneer een reiziger verder dan 25 km wil reizen dan zijn de meerdere kilometers tegen commercieel tarief (OV-vangnettarief) en voor kosten van die reiziger. Er kan maximaal 10 kilometer tegen het commerciële tarief worden gereisd. Een totale rit kan daarom nooit langer zijn dan 35 kilometer.
Regiotaxi Utrecht biedt de mogelijkheid voor “individueel vervoer”. Dit houdt in dat gemeente een Wmo-geïndiceerde pashouder een indicatie kan verstrekken voor “individueel vervoer” op medische indicatie of andere zwaarwegende redenen. Alleen wanneer (vaak op basis van medisch advies) is vastgesteld dat de regiotaxi voor een inwoner niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) komen andere oplossingen in beeld. Hiervan kan ook sprake zijn wanneer de gezinssituatie (bijvoorbeeld in geval van meerdere gehandicapte kinderen) dat vraagt.
Vanwege de algemene basis van ‘goedkoopst adequaat’ zijn toekenningen van individuele vervoersvoorzieningen zeer zeldzaam. De ritten van deze Wmo-pashouders met een indicatie “individueel vervoer” mogen niet gecombineerd worden met andere reizigers c.q. ritten. Daarnaast geldt dat er bij Wmo-pashouders “individueel vervoer” ook nog specifiek kan worden gevraagd om vervoer met een “taxi” of “taxibus”. De extra kosten voor “individueel vervoer” komen voor rekening van de gemeente. De ritprijs voor het individueel vervoer is voor de Wmo-geïndiceerde gelijk aan de ritprijs van het “normale” collectief vervoer (OV-vangnettarief). Op grond van het voorgaande kan de inwoner in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming vervoer in plaats van de Regiotaxi voor individueel vervoer. Hieronder valt het gebruik van de eigen auto of een individuele taxi.
Artikel 3.4.3 Eigen bijdrage regiotaxi (nadere regel artikel 4.9 lid 8 van de verordening)
De Wmo-pashouder mag maximaal 25 kilometer per dag reizen tegen korting. Hierna geldt het gebruikelijke OV-tarief (OV-vangnettarief), zoals gepubliceerd op de website van Regiotaxi Utrecht https://regiotaxiutrecht.nl/.
Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Daarbij geldt een straal tot 25 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Hiermee kan de inwoner ook sociale contacten, het hebben en onderhouden van sociale contacten aangaan en behouden en het deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Op grond van de Wmo verstrekt het college uitsluitend vervoersvoorzieningen voor het zich lokaal verplaatsen binnen de straal van 25 km rond de woning. Dit betekent dat aan de aanwezigheid van voor de betrokkene belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen, dan wel slechts in bijzondere situaties een beslissende betekenis toekomt, omdat daarvoor Valys de voorliggende voorziening is. Hiervoor is een Wmo-indicatie nodig. Om met Valys te kunnen reizen, is een persoonlijke Valyspas nodig.
Een scootmobiel compenseert een mobiliteitsprobleem in de directe woonomgeving en voor middellange afstanden. Een scootmobielen wordt verstrekt voor vervoersbestemmingen voor korte afstanden die de inwoner anders te voet of met de fiets (niet zijnde elektrisch aangedreven) aflegt. Dit is het vervoersgebied waarvoor het collectief vervoer niet of onvoldoende geschikt is. Bij de afweging of een scootmobiel een geschikte maatwerkvoorziening is, worden de volgende zaken in overweging genomen. De inwoner kan:
Als er geen stallingmogelijkheid voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s, komen ook de kosten van de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen overwogen worden.
Artikel 3.4.6 (Elektrische) Handbike
Artikel 3.5 Afwegingskader kortdurend verblijf/ respijtzorg
Respijtzorg is het tijdelijk overdragen van de zorg om mantelzorgers te ontlasten. Er zijn veel verschillende vormen van respijtzorg, waarbij het overnemen van zorgtaken zowel door een professional of een vrijwilliger kan worden uitgevoerd. De inzet van de respijtzorg is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Opties om de mantelzorger te ontlasten worden per situatie bekeken. Deze omvatten:
Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg. Bij kortdurend verblijf gaat de inwoner logeren bij een professionele zorgaanbieder van kortdurend verblijf, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis, waar in een veilige omgeving 24-uurs toezicht geboden kan worden. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te verminderen. Dit kortdurend verblijf kan een aaneengesloten periode of terugkerend enkele dagen zijn. Aaneengesloten verblijf is bijvoorbeeld ten behoeve van vakantie van de mantelzorger. Bij terugkerend verblijf geldt een maximum van drie etmalen per week.
Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:
Er is sprake van dreigende of al aanwezige overbelasting van de mantelzorger. Ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert, is noodzakelijk. Elke andere reden dan respijt bieden aan de mantelzorger is niet relevant; bijvoorbeeld de noodzaak voor medische behandeling of herstel van de inwoner. In dat geval is het een zaak van huisartsen zorgverzekeraar, via de regeling kortdurend eerstelijns-verblijf;
Aanvullend op deze logeeropvang kan ook overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om persoonlijke zorg en verpleging vanuit de ziektekostenverzekeringswet (Zvw) en de ambulante ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. Crisisopname maakt geen onderdeel uit van kortdurend verblijf. Crisisopname is namelijk plotseling nodig, terwijl kortdurend verblijf vooraf ingepland kan worden. Crisisopname is onderdeel van de Zvw.
Artikel 3.6 Afwegingskader bemoeizorg
Bemoeizorg (ook wel outreachende zorg of Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) genoemd) is het bieden van (ongevraagde) zorg aan mensen met een (vaak) complexe problematiek, die zorg mijden. Dit gebeurt wanneer de inwoner (tijdelijk) zelf niet in staat is de benodigde zorg en ondersteuning te regelen en de situatie zodanig ernstig is dat niet-handelen geen optie is.
Artikel 3.7 Afwegingskader Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang
De maatwerkvoorziening die vallen onder Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang zijn individuele begeleiding 24/7 bereikbaar, beschermd wonen, beschermd thuis en maatschappelijke opvang.
Artikel 3.7.1 Individuele begeleiding 24/7 bereikbaar
Individuele begeleiding 24/7 bereikbaar is een vorm van individuele begeleiding waarbij de inwoner naast de individuele begeleiding, ook 24-uur per dag telefonisch en digitaal toegang heeft tot een zorgmedewerker. Hiermee is het een intensievere variant van individuele begeleiding, die lichter is dan het maatwerk Beschermd Thuis.
Artikel 3.7.2 Beschermd wonen/ Beschermd thuis
De centrumgemeente is verantwoordelijk voor het maatwerk Beschermd wonen en Beschermd thuis. Voor gemeente Bunnik is dit de centrumgemeente Utrecht. Gemeente Utrecht heeft als centrumgemeente een regierol, verantwoordelijkheid en de daarbij horende financiële middelen ten aanzien van de uitvoering van Beschermd wonen en Beschermd thuis voor de gemeente Bunnik.
Beschermd wonen houdt in: het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen. Hierbij wordt steeds in beeld gehouden dat het perspectief is dat de inwoner uiteindelijk weer zelfstandig gaat wonen al dan niet met ambulante begeleiding.
Artikel 3.7.3 Maatschappelijke opvang
Bij maatschappelijke opvang gaat het om het bieden van tijdelijke opvang aan mensen die dakloos zijn, te weten verblijf in de een opvanginstelling of instellingswoning met daarbij stabiliserende begeleiding. Het gaat om personen die al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Deze opvang wordt vooralsnog door de centrumgemeente Utrecht georganiseerd voor de 16 gemeenten in de regio Utrecht, waaronder voor de gemeente Bunnik.
Artikel 3.8 Afwegingskader woonvoorzieningen
Bij het beoordelen van de noodzaak tot verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt meegewogen dat de ontstane problemen in en rond de woning voorzienbaar waren. Meegewogen wordt of de inwoner zelf het risico heeft afgewogen dat zijn woning (in de afzienbare toekomst) niet geschikt zou zijn en er naar gehandeld. In verband hiermee wordt er onder andere gekeken naar de volgende aspecten:
Er zijn situaties waarin de inwoner verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de inwoner niet verwacht mag worden dat hij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem.
Onderzocht wordt in hoeverre eigen oplossingen kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem. Hierbij wordt ook overwogen of er volstaan kan worden met voorzieningen die relatief goedkoop en/of algemeen gebruikelijk zijn en waarvoor geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Als algemeen gebruikelijk wordt in dit verband beschouwd onder meer:
De veel gebruikte roerende woonvoorzieningen zijn over het algemeen tegen redelijke prijzen verkrijgbaar bij (thuiszorg)winkels en via internet. Als de inwoner de voorziening via de eigen bijdrage uiteindelijk helemaal zelf betaalt, dan is hij misschien sneller en/of goedkoper geholpen met een zelf aangeschafte voorziening. De keuze is aan de inwoner.
Een bouwkundige aanpassing of woon-technische ingreep aan een woonruimte wordt toegekend aan de inwoner. De gemeente kan, in het geval er sprake is van een huurwoning, ervoor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De beschikking wordt verstuurd aan de inwoner met een afschrift aan de woningeigenaar. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning wordt altijd een programma van eisen opgesteld. Zo nodig worden meerdere offertes opgevraagd.
Als iemand vraagt om zijn beperkingen in het traplopen op te lossen, dan wordt gekeken naar de mate van normaal gebruik van de woning. Als er geen mogelijkheden zijn om anders gebruik te maken van de gebruiksruimtes worden alternatieven overwogen zoals bijvoorbeeld een traplift, easystep of een tweede leuning.
Indien de gemeente een regeling heeft getroffen of een contract heeft gesloten voor de levering van trapliften, wordt de traplift in natura en in bruikleen verstrekt conform het contract met de trapliftleverancier. Als de inwoner voor een pgb kiest moet de inwoner een drietal offertes overleggen om de hoogte van het pgb te kunnen vaststellen. Waarbij artikel 4.3 lid 1 van de verordening in acht genomen wordt en rekening gehouden wordt met tarieven voor aanschaf en onderhoud in eventuele contracten met leveranciers van de gemeente.
Indien de gemeente geen regeling of contract heeft gesloten wordt de aanschaf van een traplift met behulp van een financiële tegemoetkoming mogelijk gemaakt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening. De inwoner betaalt in alle situaties een bijdrage zoals genoemd in artikel 4.9 van de verordening.
Het college besluit vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning, zal de gemeente allereerst beoordelen wat iemands eigen mogelijkheden zijn. Ook zal er gekeken worden of het verhuizen naar een geschikte woning een oplossing kan bieden.
Als de technische levensduur van een woonwagen minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, moet in overleg met de inwoner bepaald worden hoeveel de vergoeding voor bouwkundige en niet-bouwkundige woonvoorzieningen en verwijdering van in bruikleen verstrekte voorzieningen bedraagt en hoe zich dat verhoudt tot de economische waarde van de woonwagen. Waarbij verhuizen de voorliggende optie is.
Een woningaanpassing, niet zijnde het aanbrengen van een traplift, moet binnen een bij de situatie passende redelijke termijn na het verlenen van de voorziening gereed zijn. Als niet aan de termijn wordt voldaan, kan het college besluiten om het besluit tot toekenning van de voorziening in te trekken. Als de voorziening gereed is, moet er door de inwoner aan de gemeente een schriftelijke gereedmelding worden overlegd.
Ook bij mantelzorgers die helpen bij de verzorging van de inwoner, kunnen er sprake zijn van problemen. Dit is dan het gevolg van de zorgtaak van de mantelzorger, waardoor de mantelzorger (te) zwaar belast wordt. In zo’n geval kan compensatie ook een optie zijn. Een tillift is een duidelijk voorbeeld van een hulpmiddel waar de mantelzorger veel baat bij heeft.
Artikel 3.9 Woningaanpassing aan gemeenschappelijke ruimten
Het college kan een pgb of zorg in natura verstrekking verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de inwoner met beperkingen. Deze voorziening wordt verstrekt op de inwoner met de beperking(en). Hiervoor is geen eigen bijdrage verschuldigd. Daarbij is het van belang te onderzoeken of de aanpassingen voor meer bewoners van toepassing zijn die gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimte en zo of er bijvoorbeeld een Vereniging van Eigenaren (VVE) is die deze kosten voor zijn rekening kan nemen. Ook moet nagegaan worden of het betreffende woningcomplex een label heeft. Bijvoorbeeld seniorenwoningen: aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimte vallen daardoor onder de verantwoordelijkheid van de woningcorporatie.
Als duidelijk is dat de VVE de aanpassing niet wil bekostigen en aanbrengen, heeft de gemeente een compensatieplicht en kan de gemeente de voorziening plaatsen zonder toestemming van de VVE. Wel moet de VVE gehoord worden bij het voornemen tot plaatsen. Het wachten op de Algemene Ledenvergadering is niet noodzakelijk om de aanvraag in behandeling te nemen, gelet op het feit dat toestemming geen vereiste voor toekenning vormt. Ook indien de inwoner de woning huurt, zal de woningeigenaar (de verhuurder) als derde belanghebbende tijdens de besluitvormingsprocedure volgens het principe van hoor en wederhoor gehoord worden.
Artikel 3.10 Woningaanpassing voor wat betreft meest geschikte beschikbare woning
Primaat van verhuizen. Wanneer de kosten van een aanpassing in of aan de woning hoger blijken dan een bepaald bedrag om te verhuizen naar een geschikte woning of een geschikt te maken woning treedt het primaat van verhuizen in werking. Dit wil zeggen: uit het oogpunt van de noodzakelijke kosten en het doel van de ondersteuning adviseert het college aan de inwoner om te verhuizen naar een geschikte woning. Hierbij weegt het college alle relevante zaken mee: financiële consequenties van de verhuizing, de beschikbaarheid (in verband met de medisch verantwoorde termijn), argumenten pro en contra de verhuizing voor de inwoner, de eventueel aanwezige mantelzorg, nabijgelegen voorzieningen enzovoort. Een zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het advies ten grondslag liggen. Niemand kan verplicht worden om te verhuizen. Kiest de inwoner (en zijn gezin) ervoor in de huidige woning te blijven wonen dan stelt het college, voor de noodzakelijke aanpassingen een beperkt bedrag beschikbaar.
Het primaat van verhuizen is zowel van toepassing bij huur- als bij koopwoningen. Bij een koopwoning wordt een afweging gemaakt of het kopen van een andere geschikte of gemakkelijk aan te passen woning gezien kan worden als de meest goedkope en adequate oplossing. Ook als er een geschikte huurwoning beschikbaar is, geldt het primaat van verhuizen naar die woning voor de eigenaar van de koopwoning.
Artikel 3.11 Tegemoetkoming verhuiskosten (nadere regel artikel 4.3 lid 8 verordening)
Artikel 3.12 Afwegingskader hulpmiddelen
Hulpmiddelen kunnen nodig zijn om problemen op te lossen bij het verplaatsen in en om de woning. Deze kunnen door de gemeente verstrekt worden, maar er zijn ook veel hulpmiddelen die particulier aangeschaft kunnen worden. In het kader van het verplaatsen in en om de woning gaat het om een rolstoel die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik in en om de woning.
Als iemand al een voorziening heeft aangeschaft voordat daarvoor een aanvraag voor hulpmiddel is ingediend dan kan de gemeente meestal de situatie voorafgaand aan de aanpassing niet goed meer beoordelen. Als bij de beoordeling van de aanvraag niet meer is vast te stellen of de voorziening noodzakelijk was, dan wordt de aanvraag afgewezen. De bewijslast hiervoor ligt bij de inwoner.
Soms blijken reparaties aan hulpmiddelen nodig. De kosten van reparaties die nodig zijn door onzorgvuldig gebruik of grove nalatigheid van de inwoner worden verhaald op de inwoner. Als dit zich vaker voordoet bij dezelfde inwoner, dan krijgt deze een waarschuwing voor het terugnemen van de voorziening. Ook als iemand een pgb heeft, kan de gemeente op deze manier ingrijpen.
De Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 en de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgesteld op 21 april 2020 en het “Besluit vervoersvoorziening Jeugdhulp gemeente Bunnik 2015”, geldend per 01-01-2015 gelijktijdig ingetrokken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-91703.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.