Gemeenteblad van Zaanstad
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaanstad | Gemeenteblad 2026, 87952 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zaanstad | Gemeenteblad 2026, 87952 | beleidsregel |
Wijzigingsbesluit 2026 van de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad;
gelet op artikel 7 van de Participatiewet, artikelen 18 en 20h van de Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2025 en titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit vast te stellen: het “Wijzigingsbesluit 2026 van de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019”:
De Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019 worden als volgt gewijzigd:
Artikel 2.3.1 ‘Giften’, komt als volgt te luiden:
Artikel 2.3. Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Bij artikel 2.3 'Vrijlaten van giften in individuele gevallen' komt de volgende toelichting:
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar met de wijzigingen Participatiewet in Balans is ingevoegd, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. Er is geen beleidsruimte om dit bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.
In artikel 2.3 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zogenaamde besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.
Naast deze categoriale vrijlatingsregeling kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn doelen van giften dan wel aard van de gever van de gift opgesomd, die in het individuele geval in elk geval door het college buiten beschouwing worden gelaten. Met lid f sluit het college aan bij de toevoeging aan Artikel 18 van de Participatiewet waarin de wetgever aangeeft dat het college bijdrage van voedselbanken in het geheel niet in aanmerking neemt. Dit kan op deze wijze ook gelden voor producten van andere instellingen die gericht zijn op armoedebestrijding.
Artikel 2.3.2 ‘Bijzondere giften’ en Artikel 2.3.3 ‘Giften in verband met schulden’, komen te vervallen.
Paragraaf 2.4 Domicilie [vervallen] komt als volgt te luiden:
Onder paragraaf 2.4 ‘Aanvraag’ komt artikel 2.4 ‘Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure’:
De toelichting bij artikel 2.4 ‘Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure’ komt als volgt te luiden:
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt.
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dit het geval kan zijn.
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Onder artikel 2.4, wordt een nieuwe paragraaf 2.5 ‘4-weken zoektermijn jongeren’, ingevoegd.
Onder paragraaf 2.5 ‘4-weken zoektermijn jongeren’, wordt een nieuw artikel 2.5 ‘Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn’ ingevoegd:
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
De toelichting bij artikel 2.5 ‘Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn’, komt als volgt te luiden:
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In artikel 4.2 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Onder artikel 2.5, wordt een nieuwe paragraaf 2.6 ‘Terugwerkende kracht’, toegevoegd.
Onder paragraaf 2.6 ‘Terugwerkende kracht’, wordt een nieuw artikel 2.6 ‘Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht’, toegevoegd:
De toelichting bij artikel 2.6 ‘Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht’, komt als volgt te luiden:
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid: In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Artikel 44, lid 5 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal
drie maanden gelegen is voor de dag waarop de
belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid
in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale
gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 3.4.1 Aanvullende bijstand op de jongerennorm, lid 1, 2 en 3 en de toelichting op artikel 3.4, komt te vervallen in verband met nieuwe wetgeving.
Artikel 3.5.1 ‘Bijzondere bijstand voor medische kosten, lid 4’, komt als volgt te luiden:
Artikel 3.5.1, Bijzondere bijstand voor medische kosten, lid 4:
Voor verzekerden bij Zilveren Kruis gelden in 2026 de volgende bedragen:
Optimaal aanvullend 1 en de Optimaal Tand Extra 1 tezamen: € 15,43;
Optimaal aanvullend 2 en de Optimaal Tand Extra 2 tezamen: € 20,41;
Optimaal aanvullend 3 en de Optimaal Tand Extra 2 tezamen € 29,03.
Voor verzekerden bij Univé gelden de volgende bedragen:
De bijdrage in de premie voor aanvullende zorg- en tandartsverzekering wordt vanaf 1 januari 2026 jaarlijks geïndexeerd met de gemeentelijke subsidie index.
Artikel 3.5.1 Bijzondere bijstand voor medische kosten, lid 5, komt te vervallen.
Onder artikel 3.8.3 Verplichtingen verbonden aan de bijstand die als maatwerk wordt verstrekt, wordt een nieuwe paragaaf 3.9 ‘Woonkostentoeslag’ toegevoegd.
Onder paragraaf 3.9 ‘Woonkostentoeslag’, wordt een nieuw artikel 3.9 ‘bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag’ toegevoegd. Dit artikel komt als volgt te luiden:
Artikel 3.9.1 Begripsbepalingen
In deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Artikel 3.9.2 Vorm van bijstand
bepaalde voorwaarden Woonkostentoeslag kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht. Dit is alleen mogelijk als dit in de wet geregeld is. Voor de voorwaarden wordt verwezen naar de e bijzondere bijstand genoemde voorwaarden in artikel 3.7.5 derde lid, onder b, van deze beleidsregel wordt als lening verstrekt, omdat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, conform artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet.
Als de kosten genoemd in lid 2 meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning.
Bij woonkosten boven de maximale huurgrens kan de woonkostentoeslag echter worden verlengd met maximaal 12 maanden, totdat de maximale periode van 24 maanden bereikt is, als;
Belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, maar waarbij sprake is van dringende omstandigheden. De aanvraag om de verlenging van de woonkostentoeslag wordt dan niet afgewezen, maar toegekend in de vorm leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Aan de verlening van woonkostentoeslag kan op grond van artikel 55 van de wet nadere voorwaarden worden verbonden in de vorm van een verhuisplicht. De verhuisplicht is gericht op het zoeken en accepteren van een (goedkopere) passende woning of woonruimte. Ook kan van belanghebbende worden verwacht dat hij of zij zich inspant om het inkomen te verhogen (arbeidsverplichting, zoals benoemd in artikel 9 van de wet).
De toelichting bij artikel 3.9 ‘bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag’ komt als volgt te luiden:
Toelichting artikel 3.9.2 Vorm van bijstand
De woonkostentoeslag wordt als gift verstrekt om te voorkomen dat mensen met een laag inkomen verder in financiële problemen komen. Tenzij er sprake is van verwijtbaar gedrag (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid) kan een lening worden opgelegd, conform de Participatiewet.
Bij woonkostentoeslag voor een eigen woning wordt de waarde van de woning betrokken, omdat deze bijstand bijdraagt aan behoud en waardevermeerdering van het bezit. De hypotheekrente telt mee bij de berekening van de woonkosten. Is bijstand noodzakelijk, dan wordt het in de woning aanwezige vermogen belast door de woonkostentoeslag te verstrekken in de vorm van een krediethypotheek.
Toelichting Artikel 3.9.3 Voorwaarden
Dit artikel legt vast dat woonkostentoeslag een vangnet is voor inwoners die door onvoorziene omstandigheden tijdelijk niet in staat zijn hun woonkosten te betalen. Het benadrukt dat eerst alle voorliggende voorzieningen, zoals huurtoeslag, moeten zijn benut.
Alleen bij onvoorziene en niet-verwijtbare omstandigheden kan tijdelijk bijzondere bijstand worden toegekend (art. 35 Pw), nadat eerst voorliggende voorzieningen zoals huurtoeslag zijn benut. Artikel 15 Pw: voorliggende voorziening gaat voor. Woonkosten onder Wht‑grenzen moeten primair via huurtoeslag; pas waar Wht niet (volledig) voorziet, kan bijzondere bijstand restlasten dekken.
Toelichting Artikel 3.9.4 Hoogte
De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op basis van het niet-gesubsidieerde deel van de huur of de kosten van een eigen woning. Voor eigen woningen worden specifieke kosten meegenomen, zoals hypotheekrente en belastingen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.
De toeslag dekt alleen de daadwerkelijk door de belanghebbende gemaakte woonlasten, berekend volgens normering van de Wet op de huurtoeslag (art. 13 WHT gecombineerd met art. 35 lid 3 Pw). In Zaanstad geldt dat de maximale toeslag gelijk is aan wat men zou ontvangen als huurtoeslag, of bij koopwoning: de netto hypotheekrente, onderhoud en belastingen.
Toelichting artikel 3.9.5 Duur
De woonkostentoeslag is in principe tijdelijk (maximaal 12 maanden), maar kan worden verlengd als de situatie onveranderd blijft. Bij hoge woonkosten boven de maximale huurgrens geldt een striktere termijn van maximaal 24 maanden, om te stimuleren dat belanghebbenden actief zoeken naar goedkopere woonruimte. Standaard wordt de bijstand tijdelijk verstrekt – tot maximaal 12 maanden (huur- of koopwoning). Verlenging is mogelijk bij bijzondere omstandigheden op basis van artikel 35 lid 1 Pw en de genoemde beleidsregels. Zaanstad sluit hierbij aan: de regeling is tijdelijk (12 maanden), met mogelijkheid tot verlenging bij aantoonbare noodzaak.
Toelichting Artikel 3.9.6 Verhuisplicht
De verhuisplicht is bedoeld om te voorkomen dat woonkostentoeslag een structurele oplossing wordt. Er zijn uitzonderingen voor mensen met een handicap, medische of sociale problematiek, jongeren onder 21 jaar en enkele specifieke situaties.
Met betaalbaarheid wordt bedoeld betaalbaar volgens Participatiewet en Woningwet.
Passend toewijzen: een woning is passend wanneer de kale huur onder de afgesproken aftoppingsgrens valt voor 1- of 2-persoonshuishoudens met een laag inkomen. Voor belanghebbenden met laag inkomen betekent dat de huur past binnen de normen voor huurtoeslag en de Participatiewet.
Naast financiële haalbaarheid moet de woning voldoen aan sociale, medische en gezinssamenstellingseisen van de betreffende persoon of gezin. Zaanstad vereist dat een toegewezen woning “passend” is wat betreft grootte, toegankelijkheid en eventuele Wmo-status (bij zorgbehoefte). Het artikel benadrukt ook de inspanningsverplichting om het inkomen te verhogen. Artikel 3 lid 1 Pw naar verhuismogelijkheid bij hoge woonlasten, vooral bij huur boven de maximale toewijzingsgrens en bij koop.
Artikel 8.1.1 ‘bevoegdheid’, komt als volgt te luiden:
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van wetten, uitkeringsbesluiten te herzien of in te trekken, een uitkering terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen. Aan de hand van een belangenafweging bepaalt het college of en zo ja, in hoeverre zij afziet van deze bevoegdheid. Daarbij worden de belangen van de belanghebbende en die van het college tegen elkaar afgewogen.
Het college ziet af van brutering van de vordering als bedoeld in het tweede lid en beperkt de vordering tot een nettobedrag, als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en belanghebbende niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft.
De toelichting bij artikel 8.1.1. ‘bevoegdheid’ wordt onderin aan de toelichting ‘Hoofdstuk 8 ‘Terugvordering’ toegevoegd en komt als volgt te luiden:
Het beleid is gericht op doelmatigheid, het toepassen van de menselijke maat en het juridisch correct handelen. Het terugvorderen van zeer kleine bedragen (onder €150,-) brengt disproportioneel hoge uitvoeringskosten met zich mee. Door een grensbedrag vast te stellen, voorkomt de gemeente onnodige administratieve lasten en kosten. Tegelijkertijd draagt dit bij aan een mensgerichte uitvoering, waarbij inwoners niet worden belast met terugvorderingen.
Ook staat het kruimelbedrag los van het bedrag – 250 euro – zoals genoemd in artikel 8.2.3 ‘Niet meewerken aan betalingsregeling’. Dit bedrag betreft de situatie dat terugvordering met toepassing van alle mogelijke rechtsmiddelen geprobeerd is, maar niet gelukt is. Dan wordt tot 250 euro het terugvorderingsbesluit niet ten uitvoer gelegd.
Artikel 9.2.3 Jongerenvoucher [vervallen] komt als volgt te luiden:
Artikel 9.2.3 Tarief persoonlijke ondersteuning bij werk
De toelichting bij artikel 9.2.3 ‘Tarief persoonlijke ondersteuning bij werk’ komt als volgt te luiden:
Het college hanteert voor persoonlijke ondersteuning bij werk een uurtarief dat toereikend is voor het organiseren/inkopen van persoonlijke ondersteuning bij werk, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffend jaar van toepassing zijnde tarieven.
De huidige geldende vergoeding voor een externe jobcoach waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht respectievelijk de vergoeding voor de jobcoach die door de werkgever is ingehuurd, is gebaseerd op de uurvergoeding voor Persoonlijke ondersteuning/Jobcoaching (Q1), zoals vermeld in het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2025. Bij wijziging door het UWV van de uurvergoeding in een nieuw besluit wordt ook de uurvergoeding van de jobcoaches zoals bedoeld in lid 1 en 2 overeenkomstig aangepast met ingang van de wijzigingsdatum.
Als uurtarief voor de interne jobcoach in dienst van de werkgever respectievelijk de intern werkbegeleider hanteren wij dienst bruto uurloon plus een opslag van 30%. De 30% wordt gehanteerd voor werkgeverslasten inclusief vakantiegeld (bron: ADP).
Na Paragraaf 9.3 wordt een nieuwe Paragraaf ingevoegd, die als volgt komt te luiden:
Paragraaf 9.4 Reiskostenvergoeding in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling
De doelgroep zijn personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgen.
Artikel 9.4.3 Reiskostenvergoeding
Artikel 9.4.4 De aanvraagprocedure en beslistermijn
Artikel 9.4.5 Hoogte van de vergoeding en uitbetaling
Alle bestaande reiskostenvergoedingen in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling vallen onder de werking van deze beleidsregels, tenzij dit voor de belanghebbende leidt tot een nadelige situatie. Dan geldt de reiskostenvergoeding zoals die nu binnen het traject gericht op arbeidsinschakeling is overeengekomen voor de duur van dit traject.
De toelichting bij Paragraaf 9.4 komt als volgt te luiden:
In de Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad is geregeld dat noodzakelijke kosten die gemaakt worden in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling, zoals bijvoorbeeld reiskosten, kunnen worden vergoed. Deze Paragraaf geeft nadere invulling aan de vergoeding van de reiskosten.
In aanmerking komen belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 9.4.2 die in een traject zitten met als einddoel werk. Indien er zicht is op regulier werk kan een activerings- of vrijwilligerstraject of een participatietraject in het kader van inburgering hier ook onder vallen. Het gaat erom dat een belanghebbende een stap zet naar re-integratie.
Er is geen recht op reiskostenvergoeding als sprake is van een voorliggende voorziening. Met een voorliggende voorziening wordt onder andere bedoeld: reiskostenvergoeding door werkgever of door andere organisatie waar het traject plaatsvindt. Voor trajecten die op 10 kilometer of meer liggen worden de reiskosten vergoed voor openbaar vervoer en eigen vervoer (vervoer per fiets, motor, auto, scooter en dergelijke).
In bijzondere omstandigheden (waaronder medische omstandigheden) kan hier, conform artikel 4:84 Awb, van worden afgeweken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-87952.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.