Wijzigingsbesluit 2026 van de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad;

 

gelet op artikel 7 van de Participatiewet, artikelen 18 en 20h van de Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2025 en titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit vast te stellen: het “Wijzigingsbesluit 2026 van de Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019”:

 

 

 

 

Artikel I

De Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2019 worden als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 2.3.1 ‘Giften’, komt als volgt te luiden:

Artikel 2.3. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

  • 1.

    1.Onder een gift wordt verstaan een betaling van geld of schenking in natura uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichtend karakter.

  • 2.

    2.Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

    • a.

      giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verstrekt had moeten worden;

    • b.

      giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke of wenselijke kosten;

    • c.

      een gift die belanghebbende ontvangt in verband met de aflossing van een problematische schuld als door de aflossing van de schuld een belemmering voor re-integratie of schuldhulpverlening wordt weggenomen.

    • d.

      onder een problematische schuld wordt verstaan een schuld waarvan op basis van de afloscapaciteit van belanghebbende duidelijk is dat die niet binnen een termijn van 6 maanden kan worden afgelost.

    • e.

      giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet;

    • f.

      producten van instellingen gericht op armoedebestrijding zoals de kledingbank en Stichting Leergeld.

 

B.

Bij artikel 2.3 'Vrijlaten van giften in individuele gevallen' komt de volgende toelichting:

In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar met de wijzigingen Participatiewet in Balans is ingevoegd, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. Er is geen beleidsruimte om dit bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.

In artikel 2.3 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).

Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zogenaamde besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.

Naast deze categoriale vrijlatingsregeling kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn doelen van giften dan wel aard van de gever van de gift opgesomd, die in het individuele geval in elk geval door het college buiten beschouwing worden gelaten. Met lid f sluit het college aan bij de toevoeging aan Artikel 18 van de Participatiewet waarin de wetgever aangeeft dat het college bijdrage van voedselbanken in het geheel niet in aanmerking neemt. Dit kan op deze wijze ook gelden voor producten van andere instellingen die gericht zijn op armoedebestrijding.

 

C.

Artikel 2.3.2 ‘Bijzondere giften’ en Artikel 2.3.3 ‘Giften in verband met schulden’, komen te vervallen.

 

D.

Paragraaf 2.4 Domicilie [vervallen] komt als volgt te luiden:

Paragraaf 2.4 Aanvraag

 

E.

Onder paragraaf 2.4 ‘Aanvraag’ komt artikel 2.4 ‘Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure’:

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen maximaal twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • 1°.

        werkaanvaarding;

      • 2°.

        een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;

      • 3°.

        beëindiging relatie;

  • 2.

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.

 

F .

De toelichting bij artikel 2.4 ‘Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure’ komt als volgt te luiden:

De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:

‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.

2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’

Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt.

 

Toelichting 4.1.1

Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dit het geval kan zijn.

 

Toelichting 4.1.2

Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.

 

Toelichting 4.1.3

De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

 

G.

Onder artikel 2.4, wordt een nieuwe paragraaf 2.5 ‘4-weken zoektermijn jongeren’, ingevoegd.

 

H.

Onder paragraaf 2.5 ‘4-weken zoektermijn jongeren’, wordt een nieuw artikel 2.5 ‘Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn’ ingevoegd:

Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

  • a.

    de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

  • b.

    de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

    • 1°.

      in een inrichting verbleven;

    • 2°.

      opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

    • 3°.

      bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

  • c.

    voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

  • d.

    de jongere een zorgbehoefte heeft;

  • e.

    de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • f.

    de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;

  • g.

    de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast.

 

I.

De toelichting bij artikel 2.5 ‘Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn’, komt als volgt te luiden:

Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.

Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd:

‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’

Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.

Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.

In artikel 4.2 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.

 

J.

Onder artikel 2.5, wordt een nieuwe paragraaf 2.6 ‘Terugwerkende kracht’, toegevoegd.

 

K.

Onder paragraaf 2.6 ‘Terugwerkende kracht’, wordt een nieuw artikel 2.6 ‘Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht’, toegevoegd:

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • 1°.

        de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • 2°.

        de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

      • 3°.

        een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • 4°.

        een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

      • 5°.

        de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • 6°.

        de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

 

L.

De toelichting bij artikel 2.6 ‘Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht’, komt als volgt te luiden:

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid: In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

 

Eerste lid

In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  • 1.

    De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.

  • 2.

    De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.

De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.

 

Onderdeel a

Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.

 

Onderdeel b

Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.

 

Tweede lid

Artikel 44, lid 5 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal

drie maanden gelegen is voor de dag waarop de

belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid

in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale

gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn

 

Derde lid

De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

 

M.

Artikel 3.4.1 Aanvullende bijstand op de jongerennorm, lid 1, 2 en 3 en de toelichting op artikel 3.4, komt te vervallen in verband met nieuwe wetgeving.

 

N.

Artikel 3.5.1 ‘Bijzondere bijstand voor medische kosten, lid 4’, komt als volgt te luiden:

Artikel 3.5.1, Bijzondere bijstand voor medische kosten, lid 4:

Voor verzekerden bij Zilveren Kruis gelden in 2026 de volgende bedragen:

Optimaal aanvullend 1 en de Optimaal Tand Extra 1 tezamen: € 15,43;

Optimaal aanvullend 2 en de Optimaal Tand Extra 2 tezamen: € 20,41;

Optimaal aanvullend 3 en de Optimaal Tand Extra 2 tezamen € 29,03.

 

Voor verzekerden bij Univé gelden de volgende bedragen:

  • a.

    Gemeentepakket Compact, aanvullende zorg- en tandartsverzekering: € 17,24 per verzekerde per maand. Geen bijdrage in het wettelijk verplichte eigen risico.

  • b.

    Gemeentepakket Compleet, aanvullende zorg- en tandartsverzekering en de vergoeding verzekering eigen bijdrage tezamen: € 60,40 per verzekerde per maand.

 

De bijdrage in de premie voor aanvullende zorg- en tandartsverzekering wordt vanaf 1 januari 2026 jaarlijks geïndexeerd met de gemeentelijke subsidie index.

 

O.

Artikel 3.5.1 Bijzondere bijstand voor medische kosten, lid 5, komt te vervallen.

 

P.

Onder artikel 3.8.3 Verplichtingen verbonden aan de bijstand die als maatwerk wordt verstrekt, wordt een nieuwe paragaaf 3.9 ‘Woonkostentoeslag’ toegevoegd.

 

Q.

Onder paragraaf 3.9 ‘Woonkostentoeslag’, wordt een nieuw artikel 3.9 ‘bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag’ toegevoegd. Dit artikel komt als volgt te luiden:

Artikel 3.9.1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a)

    bijzondere bijstand: bijstand voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 35, lid 1 van de wet;

  • b)

    rekenhuur: kale huur vermeerderd met de servicekosten waarvoor huurtoeslag kan worden verstrekt;

  • c)

    inkomen: inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet;

  • d)

    vermogen: vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

  • e)

    draagkracht: het deel van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt te gebruiken om in de bijzondere kosten te voorzien conform artikel 3.1.7 in deze beleidsregels;

  • f)

    voorliggende voorziening: de Wet op de huurtoeslag is een voorliggende voorziening voor huurkosten, zolang deze kosten de grens voor huurtoeslag niet overschrijden;

  • g)

    Wht: Wet op de huurtoeslag;

 

Artikel 3.9.2 Vorm van bijstand

  • 1.

    Woonkostentoeslag wordt in beginsel om niet (als gift) verstrekt.

  • 2.

    bepaalde voorwaarden Woonkostentoeslag kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht. Dit is alleen mogelijk als dit in de wet geregeld is. Voor de voorwaarden wordt verwezen naar de e bijzondere bijstand genoemde voorwaarden in artikel 3.7.5 derde lid, onder b, van deze beleidsregel wordt als lening verstrekt, omdat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, conform artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet.

  • 3.

    Onder bepaalde voorwaarden Woonkostentoeslag kan verleend worden in de vorm van een krediethypotheek. Voor deze voorwaarden wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze beleidsregels.

 

Artikel 3.9.3 Voorwaarden

  • 1.

    Aanvullend op artikel 3.1.6 van deze beleidsregels komen inwoners van Zaanstad met een laag inkomen, in aanmerking:

    • a)

      nadat voorliggende voorzieningen zijn benut;

    • b)

      als door onvoorziene omstandigheden zoals het verlies van werk, scheiding, ziekte of plotselinge inkomensdaling, een inwoner niet langer in staat is om de toerekenbare woonkosten te betalen.

 

Artikel 3.9.4 Hoogte

  • 1.

    De woonkostentoeslag wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht, beoordeeld volgens artikel 3.1.7 van deze beleidsregels.

  • 2.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een huurwoning, betreft het niet-gesubsidieerde deel van de kale huur boven het rekenplafond.

  • 3.

    De hoogte van de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op huurtoeslag.

  • 4.

    Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning worden de volgende kosten van de door belanghebbende daadwerkelijk bewoonde woning in ogenschouw genomen:

    • a)

      de waarde van de woning, zoals vastgelegd in artikel 3.1.4 lid 2 en volgens de berekening zoals is vastgelegd in artikel 7.2.1;

    • b)

      de hypotheekrente voor de woning;

    • c)

      de onroerendezaakbelasting (eigenaarsgedeelte), de rioolretributie (eigenaarsgedeelte) en de waterschapslasten (eigenaarsgedeelte);

    • d)

      de premie van de opstalverzekering.

  • 5.

    Als de kosten genoemd in lid 2 meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag en vervolgens verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning.

 

Artikel 3.9.5 Duur

  • 1.

    De woonkostentoeslag wordt verleend voor een periode van maximaal 12 maanden vanaf datum aanvraag.

  • 2.

    Zolang de verhuisplicht, zoals omschreven in artikel 3.7.6, niet opgelegd is, geldt er geen maximale duur voor de woonkostentoeslag. Bij een aanvraag om verlenging kan ieder jaar deze met 12 maanden worden verlengd als de situatie onveranderd is.

  • 3.

    Bij woonkosten boven de maximale huurgrens kan de woonkostentoeslag echter worden verlengd met maximaal 12 maanden, totdat de maximale periode van 24 maanden bereikt is, als;

    • a)

      Belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks aantoonbaar voldoende inspanningen daartoe, of;

    • b)

      Belanghebbende zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, maar waarbij sprake is van dringende omstandigheden. De aanvraag om de verlenging van de woonkostentoeslag wordt dan niet afgewezen, maar toegekend in de vorm leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

 

Artikel 3.9.6 Verhuisplicht

  • 1.

    Aan de verlening van woonkostentoeslag kan op grond van artikel 55 van de wet nadere voorwaarden worden verbonden in de vorm van een verhuisplicht. De verhuisplicht is gericht op het zoeken en accepteren van een (goedkopere) passende woning of woonruimte. Ook kan van belanghebbende worden verwacht dat hij of zij zich inspant om het inkomen te verhogen (arbeidsverplichting, zoals benoemd in artikel 9 van de wet).

  • 2.

    Van de verhuisplicht kan worden afgezien indien:

    • a)

      Belanghebbende of een persoon uit diens huishouden gehandicapt is en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de handicap;

    • b)

      Bij belanghebbende sprake is van door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale of medische problematiek waardoor verhuizen niet kan worden gevergd;

    • c)

      Aan belanghebbende algemene bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening in verband met een krediethypotheek, tot het moment dat het kredietplafond is bereikt;

    • d)

      Belanghebbende als zelfstandige wordt aangemerkt die gedurende een korte periode algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.

  • 3.

    Bij de verhuisplicht wordt van belanghebbende verwacht dat:

    • a)

      de aanvrager actief zoekt naar goedkopere woonruimte;

    • b)

      de aanvrager op aanvraag van de gemeente bewijs van inspanningen aanlevert.

 

R.

De toelichting bij artikel 3.9 ‘bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag’ komt als volgt te luiden:

Toelichting artikel 3.9.2 Vorm van bijstand

De woonkostentoeslag wordt als gift verstrekt om te voorkomen dat mensen met een laag inkomen verder in financiële problemen komen. Tenzij er sprake is van verwijtbaar gedrag (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid) kan een lening worden opgelegd, conform de Participatiewet.

Bij woonkostentoeslag voor een eigen woning wordt de waarde van de woning betrokken, omdat deze bijstand bijdraagt aan behoud en waardevermeerdering van het bezit. De hypotheekrente telt mee bij de berekening van de woonkosten. Is bijstand noodzakelijk, dan wordt het in de woning aanwezige vermogen belast door de woonkostentoeslag te verstrekken in de vorm van een krediethypotheek.

 

Toelichting Artikel 3.9.3 Voorwaarden

Dit artikel legt vast dat woonkostentoeslag een vangnet is voor inwoners die door onvoorziene omstandigheden tijdelijk niet in staat zijn hun woonkosten te betalen. Het benadrukt dat eerst alle voorliggende voorzieningen, zoals huurtoeslag, moeten zijn benut.

Alleen bij onvoorziene en niet-verwijtbare omstandigheden kan tijdelijk bijzondere bijstand worden toegekend (art. 35 Pw), nadat eerst voorliggende voorzieningen zoals huurtoeslag zijn benut. Artikel 15 Pw: voorliggende voorziening gaat voor. Woonkosten onder Wht‑grenzen moeten primair via huurtoeslag; pas waar Wht niet (volledig) voorziet, kan bijzondere bijstand restlasten dekken.

 

Toelichting Artikel 3.9.4 Hoogte

De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op basis van het niet-gesubsidieerde deel van de huur of de kosten van een eigen woning. Voor eigen woningen worden specifieke kosten meegenomen, zoals hypotheekrente en belastingen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.

De toeslag dekt alleen de daadwerkelijk door de belanghebbende gemaakte woonlasten, berekend volgens normering van de Wet op de huurtoeslag (art. 13 WHT gecombineerd met art. 35 lid 3 Pw). In Zaanstad geldt dat de maximale toeslag gelijk is aan wat men zou ontvangen als huurtoeslag, of bij koopwoning: de netto hypotheekrente, onderhoud en belastingen.

 

Toelichting artikel 3.9.5 Duur

De woonkostentoeslag is in principe tijdelijk (maximaal 12 maanden), maar kan worden verlengd als de situatie onveranderd blijft. Bij hoge woonkosten boven de maximale huurgrens geldt een striktere termijn van maximaal 24 maanden, om te stimuleren dat belanghebbenden actief zoeken naar goedkopere woonruimte. Standaard wordt de bijstand tijdelijk verstrekt – tot maximaal 12 maanden (huur- of koopwoning). Verlenging is mogelijk bij bijzondere omstandigheden op basis van artikel 35 lid 1 Pw en de genoemde beleidsregels. Zaanstad sluit hierbij aan: de regeling is tijdelijk (12 maanden), met mogelijkheid tot verlenging bij aantoonbare noodzaak.

 

Toelichting Artikel 3.9.6 Verhuisplicht

De verhuisplicht is bedoeld om te voorkomen dat woonkostentoeslag een structurele oplossing wordt. Er zijn uitzonderingen voor mensen met een handicap, medische of sociale problematiek, jongeren onder 21 jaar en enkele specifieke situaties.

Met betaalbaarheid wordt bedoeld betaalbaar volgens Participatiewet en Woningwet.

Passend toewijzen: een woning is passend wanneer de kale huur onder de afgesproken aftoppingsgrens valt voor 1- of 2-persoonshuishoudens met een laag inkomen. Voor belanghebbenden met laag inkomen betekent dat de huur past binnen de normen voor huurtoeslag en de Participatiewet.

Naast financiële haalbaarheid moet de woning voldoen aan sociale, medische en gezinssamenstellingseisen van de betreffende persoon of gezin. Zaanstad vereist dat een toegewezen woning “passend” is wat betreft grootte, toegankelijkheid en eventuele Wmo-status (bij zorgbehoefte). Het artikel benadrukt ook de inspanningsverplichting om het inkomen te verhogen. Artikel 3 lid 1 Pw naar verhuismogelijkheid bij hoge woonlasten, vooral bij huur boven de maximale toewijzingsgrens en bij koop.

 

S.

Artikel 8.1.1 ‘bevoegdheid’, komt als volgt te luiden:

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van wetten, uitkeringsbesluiten te herzien of in te trekken, een uitkering terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen. Aan de hand van een belangenafweging bepaalt het college of en zo ja, in hoeverre zij afziet van deze bevoegdheid. Daarbij worden de belangen van de belanghebbende en die van het college tegen elkaar afgewogen.

  • 2.

    De ten onrechte ontvangen of te veel verstrekte uitkering wordt teruggevorderd inclusief de door de gemeente afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen, voor zover deze niet kunnen worden verrekend met de Belastingdienst.

  • 3.

    Het college ziet af van brutering van de vordering als bedoeld in het tweede lid en beperkt de vordering tot een nettobedrag, als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en belanghebbende niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan het college geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering als dringende redenen dit rechtvaardigen, of indien en voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk een bijzondere grond voor matiging opleveren.

  • 5.

    Het college ziet af van terugvordering indien het totaalbedrag van de vordering niet meer bedraagt dan €150,-. Het zo genoemde kruimelbedrag.

  • 6.

    In afwijking van het vijfde besluit het college tot terugvordering over te gaan indien:

    • a.

      sprake is van verrekening;

    • b.

      sprake is van recidive of structureel onjuist gedrag;

    • c.

      het bedrag onderdeel is van een grotere vordering wat betreft een aansluitende periode;

    • d.

      er sprake is van opzettelijke schending van de inlichtingenplicht;

    • e.

      er sprake is van een boetevordering.

 

T.

De toelichting bij artikel 8.1.1. ‘bevoegdheid’ wordt onderin aan de toelichting ‘Hoofdstuk 8 ‘Terugvordering’ toegevoegd en komt als volgt te luiden:

Het beleid is gericht op doelmatigheid, het toepassen van de menselijke maat en het juridisch correct handelen. Het terugvorderen van zeer kleine bedragen (onder €150,-) brengt disproportioneel hoge uitvoeringskosten met zich mee. Door een grensbedrag vast te stellen, voorkomt de gemeente onnodige administratieve lasten en kosten. Tegelijkertijd draagt dit bij aan een mensgerichte uitvoering, waarbij inwoners niet worden belast met terugvorderingen.

Ook staat het kruimelbedrag los van het bedrag – 250 euro – zoals genoemd in artikel 8.2.3 ‘Niet meewerken aan betalingsregeling’. Dit bedrag betreft de situatie dat terugvordering met toepassing van alle mogelijke rechtsmiddelen geprobeerd is, maar niet gelukt is. Dan wordt tot 250 euro het terugvorderingsbesluit niet ten uitvoer gelegd.

 

U.

Artikel 9.2.3 Jongerenvoucher [vervallen] komt als volgt te luiden:

Artikel 9.2.3 Tarief persoonlijke ondersteuning bij werk

  • 1.

    De vergoeding voor een externe jobcoach waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht volgt uit het geldende Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV.

  • 2.

    De vergoeding voor een jobcoach die door de werkgever is ingehuurd volgt uit het geldende Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV.

  • 3.

    Het uurtarief voor de interne jobcoach in dienst van de werkgever, respectievelijk de intern werkbegeleider wordt vastgesteld op diens bruto uurloon plus een opslag van 30%. Het uurtarief mag niet hoger zijn dan de vergoeding voor een jobcoach zoals bedoeld in de leden 1 en 2.

 

V.

De toelichting bij artikel 9.2.3 ‘Tarief persoonlijke ondersteuning bij werk’ komt als volgt te luiden:

Het college hanteert voor persoonlijke ondersteuning bij werk een uurtarief dat toereikend is voor het organiseren/inkopen van persoonlijke ondersteuning bij werk, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffend jaar van toepassing zijnde tarieven.

 

Bij lid 1 en 2

De huidige geldende vergoeding voor een externe jobcoach waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht respectievelijk de vergoeding voor de jobcoach die door de werkgever is ingehuurd, is gebaseerd op de uurvergoeding voor Persoonlijke ondersteuning/Jobcoaching (Q1), zoals vermeld in het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2025. Bij wijziging door het UWV van de uurvergoeding in een nieuw besluit wordt ook de uurvergoeding van de jobcoaches zoals bedoeld in lid 1 en 2 overeenkomstig aangepast met ingang van de wijzigingsdatum.

 

Bij lid 3

Als uurtarief voor de interne jobcoach in dienst van de werkgever respectievelijk de intern werkbegeleider hanteren wij dienst bruto uurloon plus een opslag van 30%. De 30% wordt gehanteerd voor werkgeverslasten inclusief vakantiegeld (bron: ADP).

 

W.

Na Paragraaf 9.3 wordt een nieuwe Paragraaf ingevoegd, die als volgt komt te luiden:

Paragraaf 9.4 Reiskostenvergoeding in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling

Artikel 9.4.1 Begrippen

  • 1.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      reisafstand: de kortste afstand tussen woonadres en trajectlocatie gemeten door gebruikmaking van de ANWB routeplanner (afstand met auto).

    • b.

      traject gericht op arbeidsinschakeling: alle voorzieningen en activiteiten gericht op arbeidsinschakeling, waaronder participatietrajecten in het kader van inburgering op grond van de Wet inburgering 2021;

    • c.

      trajectlocatie: locatie waar het traject gericht op arbeidsinschakeling wordt gevolgd.

  • 2.

    Begrippen die in deze paragraaf worden gebruikt en die niet nader omschreven worden, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2025.

 

Artikel 9.4.2 Doelgroep

De doelgroep zijn personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgen.

 

Artikel 9.4.3 Reiskostenvergoeding

  • 1.

    Het college kan een reiskostenvergoeding in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling verstrekken als:

    • a.

      de belanghebbende geen beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;

    • b.

      de belanghebbende een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, en de reisafstand naar de trajectlocatie minimaal 10 kilometer enkele reis bedraagt en de belanghebbende reist met openbaar vervoer of eigen vervoer.

 

Artikel 9.4.4 De aanvraagprocedure en beslistermijn

  • 1.

    Een aanvraag voor reiskostenvergoeding kan bij het college worden ingediend door de belanghebbende. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

  • 2.

    Het college beslist binnen uiterlijk acht weken na ontvangst van de aanvraag of de belanghebbende in aanmerking komt voor reiskostenvergoeding.

 

Artikel 9.4.5 Hoogte van de vergoeding en uitbetaling

  • 1.

    De reiskostenvergoeding wordt betaald voor de duur van het traject van arbeidsinschakeling.

  • 2.

    De hoogte van de reiskostenvergoeding wordt als volgt berekend:

    • a.

      bij gebruik van het openbaar vervoer wordt voor de reiskostenvergoeding uitgegaan van de kosten op basis van het goedkoopste tarief voor het openbaar vervoer van woonadres naar trajectlocatie, met behulp van 9292.nl;

    • b.

      bij eigen vervoer is de reiskostenvergoeding gelijk aan de fiscaal vrijgelaten kilometervergoeding. De afstand wordt gemeten van woonadres tot trajectlocatie, met behulp van de ANWB routeplanner (kortste route auto).

  • 3.

    De reiskostenvergoeding wordt maandelijks achteraf uitbetaald, bij gebruik van het openbaar vervoer na overlegging van de OV-vervoersbewijzen en bij eigen vervoer na overlegging van een overzicht van de gereisde dagen, en de adresgegevens van het woonadres en de trajectlocatie.

  • 4.

    De reiskostenvergoeding wordt geheel of gedeeltelijk teruggevorderd als de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven.

 

Artikel 9.4.6 Overgangsrecht

Alle bestaande reiskostenvergoedingen in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling vallen onder de werking van deze beleidsregels, tenzij dit voor de belanghebbende leidt tot een nadelige situatie. Dan geldt de reiskostenvergoeding zoals die nu binnen het traject gericht op arbeidsinschakeling is overeengekomen voor de duur van dit traject.

 

X.

De toelichting bij Paragraaf 9.4 komt als volgt te luiden:

In de Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad is geregeld dat noodzakelijke kosten die gemaakt worden in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling, zoals bijvoorbeeld reiskosten, kunnen worden vergoed. Deze Paragraaf geeft nadere invulling aan de vergoeding van de reiskosten.

In aanmerking komen belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 9.4.2 die in een traject zitten met als einddoel werk. Indien er zicht is op regulier werk kan een activerings- of vrijwilligerstraject of een participatietraject in het kader van inburgering hier ook onder vallen. Het gaat erom dat een belanghebbende een stap zet naar re-integratie.

Er is geen recht op reiskostenvergoeding als sprake is van een voorliggende voorziening. Met een voorliggende voorziening wordt onder andere bedoeld: reiskostenvergoeding door werkgever of door andere organisatie waar het traject plaatsvindt. Voor trajecten die op 10 kilometer of meer liggen worden de reiskosten vergoed voor openbaar vervoer en eigen vervoer (vervoer per fiets, motor, auto, scooter en dergelijke).

In bijzondere omstandigheden (waaronder medische omstandigheden) kan hier, conform artikel 4:84 Awb, van worden afgeweken.

 

Artikel II Inwerkingtreding

  • 1.

    De onderdelen U en V (artikel 9.2.3 plus toelichting) treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2025.

  • 2.

    De overige onderdelen treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van Zaanstad, 10-02-2026,

Drs. J. Hamming, burgemeester

Mr. L. Graaff, gemeentesecretaris

Naar boven