Gemeenteblad van Haarlemmermeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2026, 86334 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2026, 86334 | beleidsregel |
Beleidsregels Jeugd en Wmo gemeente Haarlemmermeer 2026
De beleidsregels ‘Jeugd en Wmo’ zijn nadere regels bij de Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer. In het sociaal domein werken we vanuit het algemeen beleidskader ‘Meedoen mogelijk maken in Haarlemmermeer’. Meedoen is hierin verder uitgewerkt in vier thema’s (doelen):
Naast het behalen van doelen werken we in het sociaal domein met behulp van leidende principes vanuit de bedoeling – meedoen mogelijk maken in Haarlemmermeer. We gaan hierbij uit van de leefwereld van inwoners.
Leidende principes zijn geen doel op zich. Ze geven invulling aan de vraag hoe we in de basis willen werken, met oog voor de menselijke maat.
Ons uitgangspunt is dat inwoners als eerste zelf verantwoordelijk (willen) zijn voor hun maatschappelijke deelname en het voorzien in hun eigen behoeften. In de ‘Visie op de sociale basis in Haarlemmermeer’ beschrijven we drie perspectieven die dit mogelijk maken:
Een deel van onze inwoners kan dit niet op eigen kracht en heeft meer nodig. Voor hen bieden we samen met onze partners een vangnet en zo mogelijk een opstap naar verbetering van hun situatie. Dat doen we met persoonlijke hulp en ondersteuning. Hulp en ondersteuning is eigenlijk tijdelijk, maar kan langere tijd nodig zijn.
Om invulling te geven aan de doelstellingen vanuit het beleid, is het belangrijk dat we als gemeente vastleggen hoe we dit doen. In de Verordening sociaal domein zijn de regels vastgelegd hoe we bepalen of iemand hulp of ondersteuning nodig heeft. In deze beleidsregels werken we, waar nodig, verder uit hoe we invulling geven aan deze regels.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;
Eigen kracht: eigen kracht is dat wat binnen het vermogen van de ondersteuningsvrager ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen of wat de ondersteuningsvrager zelf kan doen, of zelf wordt geacht te doen, ook in het goed laten opgroeien van jeugdigen waar de ondersteuningsvrager zorg voor draagt;
Financieel besluit: geldende financieel besluit van de gemeente Haarlemmermeer op datum waarop een besluit op de aanvraag wordt genomen. In het financieel besluit zijn de tarieven en/of berekeningswijze van tarieven opgenomen voor de verschillende voorzieningen die de gemeente verstrekt vanuit de uitvoering van de Participatiewet, de Wmo 2015 en de Jeugdwet;
Hoofdstuk 1. Brede intake en onderzoek
Artikel 2. Hulpvraag, beperkingen en gewenste resultaat
Het college maakt gebruik van vraag- en onderzoeksmethodieken om de hulpvraag en beperkingen/problematiek vast te stellen als onderdeel van het onderzoek. Hierbij wordt gekeken naar de oorzaak en dieperliggende behoefte achter de hulpvraag van de inwoner met als doel samen tot een duurzame oplossing te komen. Indien nodig wordt er aanvullende expertise betrokken. Enkel de vraag naar inzet van een specifieke voorziening of aanbieder door de inwoner is geen hulpvraag, maar het college houdt wel rekening met deze wens van de cliënt tijdens het onderzoek.
Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren, is het van belang dat de inwoner gegevens verstrekt en medewerking verleent. Als de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld door niet of onvoldoende medewerking verlenen, kan dit leiden tot weigering van een aanvraag. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan:
gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek. Het blokkeringsrecht houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek ten behoeve van het onderzoek naar de hulpvraag en inzet van passende hulp niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken;
Artikel 3. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid, participatie en opvoeding. Hierbij hoort ook dat inwoners anticiperen op nieuwe levensfases en doen wat nodig is om de noodzakelijke aanpassingen te doen. Een inwoner moet hierop anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op een nieuwe levensfase.
Wanneer de inzet van een professional nodig is, zal deze gericht zijn op het ondersteunen van eigen regie van de inwoner, het versterken van het vermogen om de regie te voeren en het versterken van de eigen kracht. Het gaat er om aansluiting te vinden bij de eigen mogelijkheden in plaats van onmogelijkheden.
Bij gebruikelijke hulp gaat het om de hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (hierna gezamenlijk aan te duiden als huisgenoot).
Wat concreet valt onder gebruikelijke hulp wordt bepaald door meerdere factoren, zoals:
ontwikkelingstaken, opvoedingstaken en ‘normale’ uitdagingen van kinderen en jongeren. Zie hiervoor het samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen uit de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) dat is opgenomen in bijlage I;
bij ondersteuning door kinderen en jongvolwassenen: de leeftijd, vaardigheden, belastbaarheid en leerbaarheid van het kind. Daarbij is van belang dat het kind of de jongvolwassene niet zodanig wordt belast dat hij beperkt wordt in de activiteiten die bij een kind of een jongvolwassene van zijn leeftijd horen;
de verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte. Er is sprake van een kortdurende ondersteuningsbehoefte als er binnen afzienbare tijd, in de regel maximaal drie maanden, uitzicht is op een dusdanige verbetering van de problematiek en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte wordt in principe uitgegaan van een periode van langer dan drie maanden. Hoe korter de verwachte duur van de ondersteuning, hoe meer men mag verwachten van een huisgenoot.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt géén onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden/lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Wel moet altijd onderzocht worden of de personen die gebruikelijke hulp zouden moeten leveren, hiertoe ook daadwerkelijk in staat zijn.
In het onderzoek, zoals genoemd in lid 3 en 4, wordt rekening gehouden met de volgende factoren:
Is de huisgenoot beschikbaar om de noodzakelijke hulp en ondersteuning te bieden?
bij fysieke afwezigheid. Deze afwezigheid moet wel een verplichtend karakter hebben, bijvoorbeeld vanwege werk in het buitenland, offshore of als internationaal chauffeur. Daarnaast wordt gekeken naar de aard van de ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als ondersteuning uit te stellen is, dan wordt pas uitgegaan van afwezigheid van gebruikelijke hulp als het om een aaneengesloten periode van tenminste zeven etmalen gaat;
Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan ondersteuningsvrager, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Mantelzorgers kiezen er niet voor om te gaan zorgen: het overkomt hen, omdat ze een emotionele band hebben met degene die zorg nodig heeft.
De mate waarin mantelzorgers bereid en in staat zijn een deel van de indiceerbare ondersteuning te bieden, is bepalend voor de omvang van de ondersteuning die iemand feitelijk krijgt. Hierbij speelt de belastbaarheid van mantelzorgers een grote rol. Deze is niet voor iedereen gelijk. Voor de ene persoon zal het bieden van lichte begeleiding per dag het maximum zijn dat hij kan dragen, terwijl voor een ander de grens hoger kan liggen. Deze verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger, zoals leeftijd, gezinssituatie, eigen gezondheid et cetera. Bij de brede intake en het onderzoek kan de mantelzorger aangeven dat hij verlangt dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en de basale verantwoordelijkheid van de ouders voor gebruikelijke hulp, alvorens mantelzorg te kunnen bieden.
Ter ondersteuning of ontlasting van de mantelzorger kan respijtzorg worden ingezet. Verschillende vormen van ‘vervangende’ zorg zijn daarbij mogelijk, zoals thuisopvang, dagopvang, kortdurend verblijf (logeeropvang) of inzet van informele zorg. Een mantelzorger heeft geen eigenstandig recht op een individuele voorziening. De individuele voorziening wordt altijd toegekend aan degene met de beperking of ondersteuningsbehoefte. Wel moet de mantelzorger bij het gesprek met de ondersteuningsvrager worden betrokken en dient nagegaan te worden of hij behoefte heeft aan ondersteuning.
Van de inwoner, zijn partner en/of ouders van minderjarige kinderen wordt een hoge mate van inspanning verwacht om het sociaal netwerk aan te spreken. Van belang is dat vraagverlegenheid van de inwoner, zijn partner en/of de ouders van minderjarige kinderen en handelingsverlegenheid bij personen uit het sociale netwerk dienen te worden verminderd. Tijdens het onderzoek naar de hulpvraag wordt hier nadrukkelijk bij stilgestaan. Indien nodig kan er een bijeenkomst met het netwerk worden georganiseerd om het sociale netwerk in kaart te brengen en samen met het netwerk een eigen plan op te stellen. Het leren omgaan met de inwoner met de beperking of ondersteuningsbehoefte door het sociale netwerk valt onder de gebruikelijke hulp van partner of ouders van minderjarige kinderen.
Hoofdstuk 2. Individuele voorzieningen Jeugd
Artikel 8. Inzet van dyslexiezorg
Wanneer de verlenging van de beschikking niet te maken heeft met een evaluatiemoment zoals omschreven in de meest recente versie van het ‘Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling’, wordt een toelichting van de zorgaanbieder gevraagd op het resultaat van de tot dan toe geboden zorg en de verwachte duur om de zorg af te ronden.
Artikel 11. Toekenning vervoersvoorziening/vergoeding
De vervoersvoorziening/vergoeding stopt bij verhuizing naar een andere gemeente. Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt of diens ouders om voorafgaand (waar mogelijk twee maanden) aan de verhuizing bij de nieuwe gemeente te melden dat er sprake is van een verhuizing en indien nodig een aanvraag bij de nieuwe gemeente in te dienen.
Artikel 13. Jeugdhulp met verblijf in het buitenland
Bij jeugdhulp in het buitenland kan worden afgeweken van de geldende tarieven van de gemeente Haarlemmermeer. Wanneer de werkelijke kosten voor de zorg in het land waar de zorg wordt verleend lager liggen dan in Nederland dan gaan we uit van deze werkelijke kosten, tenzij door de aanbieder kan worden onderbouwd dat de werkelijke kosten gelijk zijn aan de geldende tarieven van de gemeente Haarlemmermeer.
Hoofdstuk 3. Algemene en individuele voorzieningen Wmo
Een individuele voorziening Wmo is, zoals opgenomen in de verordening sociaal domein, een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Een individuele voorziening wordt ingezet ten behoeve van zelfredzaamheid (in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden), participatie (deelname aan het maatschappelijk verkeer) en beschermd wonen en opvang.
Begeleiding kan worden ingezet om de volgende resultaten/doelstellingen te behalen:
Persoonlijke verzorging voor inwoners die wel in staat zijn zelf op te staan, zichzelf te wassen en aan te kleden maar de regie en structuur missen om dit regelmatig en op de juiste momenten te doen. Daarvoor is het nodig dat ze worden aangespoord en begeleid. Indien de persoonlijke verzorging samenhangt met geneeskundige zorg, valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Artikel 17. Normaal gebruik kunnen maken van de woning
Artikel 18. Bouwkundige woningaanpassingen
Bij een woningaanpassing wordt er rekening gehouden met de volgende punten:
Voor het kwaliteitsniveau van de aanpassing wordt aangesloten bij de eisen van het geldende Bouwbesluit en aan wat algemeen gebruikelijk is in de sociale woningbouw. Op basis daarvan wordt de hoogte van de vergoeding bepaald. Er kan voor een hoger kwaliteitsniveau gekozen worden, waarbij de meerkosten door de huurder, verhuurder of eigenaar voor eigen rekening worden genomen.
Bij grotere woningaanpassingen wordt een programma van eisen opgesteld, op basis waarvan meerdere offertes worden opgevraagd, indien niet voor standaardnormen voor woningaanpassingen gekozen wordt. In het Financieel besluit sociaal domein is vastgelegd op basis van welke componenten het budget voor de woningaanpassing wordt berekend.
Bij het programma van eisen wordt rekening gehouden met de indicatieve maximum oppervlakten voor de diverse ruimten: 13,5 m2 voor een slaapvertrek, bij rolstoelgebruik 16-18 m2 en bad- & doucheruimte 6,5 m2. Bij het vaststellen van de benodigde ruimte wordt uitgegaan van de verschillende maatvoeringen zoals aangegeven in het Handboek voor Toegankelijkheid; zoals de minimale vrije doorgangsruimte, draaicirkels en haakse bochten. De aard van de beperking of bestaande indeling van een woonruimte (zoals positie van ramen en deuren) kunnen uitzonderingen mogelijk maken.
Als er sprake is van een mantelzorgwoning gaat het college daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid van het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Uitgangspunt daarbij is dat de uitgaven die de ondersteuningsvrager had voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen, etc. met deze middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om de mantelzorgwoning van te betalen.
Artikel 20. Voeren van een gestructureerd huishouden
Wanneer de ondersteuningsvrager in staat is om overzicht te houden over dagelijks te verrichten taken om een gestructureerd huishouden te voeren, maar door (fysieke) beperkingen belemmerd wordt in het schoon en leefbaar houden van het huis en om te beschikken over schone was, dan komt de ondersteuningsvrager mogelijk in aanmerking voor de voorziening schoonmaakhulp.
Schoonmaakhulp kan worden ingezet om de volgende resultaten/doelstellingen te behalen:
Schoon staat voor: een basis hygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen (vrij van zichtbaar stof, losliggend en vastzittend vuil en vlekken). Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen frequente taken en niet frequente taken.
Aanvullend op de resultaten zoals opgenomen in lid 3 kan hulp bij het huishouden worden ingezet om de volgende resultaten/doelstellingen te behalen:
het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Denk daarbij aan de persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten. Deze ondersteuning is altijd tijdelijk om de ouder de mogelijkheid te bieden naar een structurele oplossing te zoeken.
Het doel van dagbesteding is om inwoners een zinvolle invulling van de dag te bieden gericht op het aanbrengen van (dag)structuur, het activeren/bevorderen van sociale participatie, het ontwikkelen van vaardigheden (algemene, praktische vaardigheden of meer arbeidsmatige vaardigheden), het organiseren van ontmoeting om sociaal isolement te voorkomen en het voorkomen van achteruitgang.
Artikel 23. Kortdurend verblijf
Kortdurend verblijf kan worden ingezet om de volgende resultaten/doelstellingen te behalen:
cliënt kan duurzaam in de eigen woning blijven wonen. Door het korte verblijf buiten de eigen woning/woonomgeving wordt een time-out aangeboden. Hierdoor is het mogelijk de dagelijkse verantwoordelijkheden thuis – al dan niet in combinatie met bestaande begeleiding – te dragen en te participeren in de samenleving;
Aanvullend op het bepaalde in de verordening komen inwoners in aanmerking voor beschermd wonen indien:
de cliënt de begeleiding die geboden wordt accepteert en gemotiveerd is om de doelen te behalen die nagestreefd worden met behulp van de begeleiding. Zonder deze motivatie en acceptatie is er sprake van bemoeizorg en kan er geen maatwerkvoorziening beschermd Wonen of beschermd thuis worden vastgesteld.
Beschermd wonen kan worden ingezet voor personen met psychische of psychosociale problemen gericht op de volgende resultaten/doelstellingen:
het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie; waarbij er ingezet wordt op inclusie, volwaardig burgerschap, participatie, zelfredzaamheid en informele steun in de lokale omgeving en er aandacht is voor verbinding met de wijk, opbouwen van een netwerk en het voorkomen van escalatie of afglijden naar intensievere ondersteuning.
Artikel 28. Algemene voorzieningen Kortdurende opvang en Winternoodopvang
De verblijfsduur voor de algemene voorziening Kortdurende opvang dak- en thuisloze personen is in beginsel drie maanden. Het verblijf kan worden verlengd indien:
als de dakloze persoon nog in afwachting is van een besluit op een aanvraag voor beschermd wonen of op de wachtlijst voor beschermd wonen staat. In het laatste geval kan ter overbrugging begeleiding beschermd wonen ingezet worden op een opvanglocatie, waaronder de locatie(s) waar kortdurende opvang geboden wordt.
Om gebruik te kunnen (blijven) maken van de Kortdurende opvang dak- en thuisloze personen:
werkt de dakloze persoon actief mee aan het organiseren van - en accepteert - alternatieve verblijf- of woonoplossingen die voorzien in het beëindigen van dakloosheid. Waaronder indien mogelijk verblijf in eigen netwerk of woonoplossingen buiten de regio, bijvoorbeeld door zich in te schrijven in tenminste drie regio’s naar keuze waar de wachttijd niet langer is dan twee jaar en daar wekelijks op minimaal drie woningen te reageren;
Artikel 29. Individuele voorziening Maatschappelijke opvang
Personen die in aanmerking komen voor de individuele voorziening maatschappelijke opvang;
hebben te maken met een combinatie van zeer complexe problematiek op het gebied van psychiatrie, verslaving, ernstige somatiek (bijvoorbeeld: niet aangeboren hersenletsel, verwaarloosde wonden, ernstige ondervoeding, of ernstige immobiliteit), lichtverstandelijke beperking en recidiverende dakloosheid.
Voorwaarden voor verblijf in de maatschappelijke opvang in combinatie met trajectbegeleiding zijn:
de cliënt dient zelf alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor zijn opvang- en woonproblematiek. De cliënt werkt mee aan een traject dat is gericht op het zich op eigen kracht handhaven in de samenleving, waaronder het zoeken naar, inschrijven voor en accepteren van:
de cliënt is verplicht de van toepassing zijnde eigen bijdrage te betalen zoals opgenomen in de beschikking, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn waarom deze bijdrage niet voldaan kan worden. Als cliënt geen inkomen heeft en (nog) niet in staat is de eigen bijdrage te betalen, dan spreekt de BCT een betalingsregeling af. Heeft de cliënt een inkomen maar betaalt de eigen bijdrage niet, dan kan de toegang tot de opvang worden beëindigd;
Het ondersteuningsplan loopt af uiterlijk een maand nadat de opvang is beëindigd (wanneer cliënt zelfstandig gaat wonen), zodat aansluitend begeleiding georganiseerd en geboden kan worden. Indien de cliënt doorstroomt, naar bijvoorbeeld beschermd wonen, dan wordt het ondersteuningsplan, met instemming van de cliënt, overgedragen.
Voorrang op de wachtlijst is alleen in uitzonderingssituatie mogelijk voor jongeren waarbij er sprake is van een dusdanig schrijnende/onstabiele situatie dat een zo snel mogelijke plaatsing wenselijk is. Hiervan is sprake als de huidige situatie leidt tot een zeer groot risico:
een cliënt een ex-bewoner is. Het kan voorkomen dat een jongere in de periode na de opvang een terugval heeft. Bijvoorbeeld als de vervolgplaatsing niet naar wens verloopt of het een slechte match blijkt te zijn. Deze jongeren kunnen tot 6 maanden na het verblijf in de opvanglocatie met voorrang op de wachtlijst worden geplaatst, op voorwaarde dat zij de periode tot plaatsing in de woonvoorziening van herkomst kunnen overbruggen.
Artikel 30. Eenzijdige zorgbeëindiging en beslissing herzien Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang
Het college beoordeelt het verzoek tot eenzijdige zorgbeëindiging na hoor- en wederhoor met de cliënt te hebben aangeboden. Indien het college middels beschikking akkoord gaat met de eenzijdige zorgbeëindiging neemt ze contact op met de cliënt om af te stemmen welke vervolgstappen moeten worden ondernomen. Binnen de maatschappelijke opvang wordt hierbij het advies van de veldregisseur (vanuit de GGD) betrokken.
Artikel 31. Individuele voorziening Opvang slachtoffers huiselijk geweld
Algemene uitgangspunten vrouwenopvang:
Na de crisisopvang kan een slachtoffer indien nodig wonen in de opvang met begeleiding. Het is de bedoeling dat de cliënt na 6 maanden uitstroomt naar een zelfstandige woning in of buiten de regio door middel van woonurgentie. Wanneer mogelijk vindt warme overdracht richting een Sociaal Wijkteam of andere begeleiding plaats. In de regio wordt bovendien nazorg geboden door de opvanginstelling zelf.
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget
Als uit het onderzoek blijkt dat een individuele voorziening nodig is, kan de inwoner kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb) om de voorziening zelf in te kopen. Om de voorziening zelf in te kopen, moet de budgetbeheerder wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Ook de ingezette zorg moet aan (kwaliteits)voorwaarden voldoen. Deze worden in dit hoofdstuk verder uitgelegd.
Met de gecontracteerde aanbieders (ZiN) zijn in een overeenkomst afspraken gemaakt over de periode van zorg, het doel, de kwaliteit van de zorg en de meting hiervan. Wanneer zorg met een pgb wordt ingezet, is de budgetbeheerder verantwoordelijk voor de kwaliteit van deze zorg.
Het pgb is niet bedoeld als inkomensvoorziening of tegen inkomensderving. Dit wordt anders wanneer een keuze moet worden gemaakt tussen het verlenen van jeugdhulp of het verkrijgen van inkomen. De financiële consequenties voor de zorg van de jeugdige worden meegenomen bij de beoordeling om wel of geen pgb toe te kennen.
In het pgb-plan worden minimaal de volgende onderdelen opgenomen en door het college beoordeeld:
op welke manier de ondersteuning bijdraagt aan:
voor voorzieningen op basis van de Jeugdwet: opheffen van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen voor zover die niet door ouders/opvoeders kunnen worden verricht en dat binnen de context van de hele ondersteuningsvraag (dus ook in relatie tot andere vormen van ondersteuning die de cliënt gebruikt);
in hoeverre en op welke wijze samenwerking wordt vormgegeven met andere professionals, van zowel algemene, voorliggende als individuele voorzieningen en mensen uit het sociale netwerk van de cliënt (bijvoorbeeld informele steunfiguren) die betrokken zijn bij de cliënt, met als doel om passende zorg te bieden aan de inwoner.
Artikel 35. Looptijd, evaluatie en continuïteit
Aan de hand van het pgb-plan bespreekt het college minimaal één keer per jaar met de budgethouder de resultaten van de ingekochte zorg. Dit kan tot heroverweging van de beslissing leiden. Zo kan blijken dat de ondersteuningsbehoefte veranderd is, dat de hulp niet meer passend is of dat het budget gebruikt is voor een ander doel dan waarvoor het pgb is afgegeven.
Bij verhuizing naar een andere gemeente is de budgethouder verantwoordelijk om voorafgaand (waar mogelijk twee maanden) bij de nieuwe gemeente te melden dat er sprake is van een verhuizing en een lopende beschikking met een pgb-budget. Na de verhuizing stopt het pgb-budget van de gemeente Haarlemmermeer.
Artikel 36. Pgb-vaardigheid van de budgetbeheerder
Wanneer de budgethouder zelf niet over de benodigde vaardigheden beschikt kan er toch een pgb verstrekt worden, waarbij het beheer van het budget wordt overgenomen door een gemachtigde meerderjarige vertegenwoordiger of een wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordiger moet zelf wel over de benodigde vaardigheden beschikken om in aanmerking te komen voor het beheren van een pgb. De eventuele kosten voor het uitvoeren van budgetbeheer door een vertegenwoordiger worden niet uit het pgb vergoed.
Het budgetbeheer mag niet verricht worden door de persoon of organisatie die ook de hulp of ondersteuning levert aan de budgethouder en of zakelijk of arbeidstechnisch gelinkt zijn aan de zorgverlener tenzij hiervoor door het college schriftelijk toestemming is verleend. Een leverancier van hulpmiddelen of woningaanpassingen mag in geen geval budgetbeheerder zijn.
In afwijking van het gestelde in lid 4 geldt voor jeugdigen dat een eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant of pleegouder van de jeugdige, zowel zorgverlener als budgetbeheerder mag zijn. Tenzij er sprake is van respijtzorg, deze kan niet geleverd worden door de budgetbeheerder die tevens uitvoerder van de zorg is, omdat zij juist degenen zijn die respijt nodig hebben.
Artikel 37. Kwaliteit van professionele zorg
Wanneer de hulp of ondersteuning geboden wordt door een zorgaanbieder, geldt dat de zorgaanbieder:
zorgverleners inzet die beschikken over een VOG van het voor hem van toepassing zijnde screeningsprofiel die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie;
Als de zorgaanbieder eveneens kan aantonen dat deze, onder lid 3 genoemde methodieken niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de ondersteunings- of hulpvraag, niet afdoende zijn, dan dient de zorgaanbieder aan te tonen dat de gebruikte methodieken gelijkwaardig zijn aan effectief bewezen interventies, in de praktijk bewezen interventies of historische en in de branche gangbare methodieken.
Artikel 38. Kwaliteit van informele zorg
De informele zorgverlener beschikt over een VOG van het voor hem van toepassing zijnde screeningsprofiel die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar. Voor hulpverlening gedaan door familieleden van de eerste- en tweede graad is deze niet aan de orde.
Artikel 39. Uitsluitingen voor pgb
Verstrekking van een pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen vindt niet plaats wanneer bekend is dat belanghebbende op een zodanige termijn gaat verhuizen naar een andere gemeente of een intramurale setting dat de afschrijftermijn (op basis van de technische levensduur) ten tijde daarvan nog niet zal zijn verstreken.
Artikel 41. Besteding pgb in het buitenland
In zeer uitzonderlijke gevallen kan een pgb voor jeugd of Wmo besteed worden in het buitenland. Dit mag alleen na schriftelijke toestemming van het college. Een voorwaarde voor het besteden van een pgb in het buitenland is dat de kwaliteit en de veiligheid van de zorg geborgd is. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb gaan we uit van de werkelijk kosten voor de zorg in het land waar de zorg verleend wordt, tot het maximum van de geldende tarieven van de gemeente Haarlemmermeer. Als het gaat om een pgb voor jeugdhulp met verblijf in het buitenland, dan gelden dezelfde voorwaarden zoals gesteld in artikel 13.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 17 februari 2026.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,
de secretaris,
Hermineke van Bockxmeer
de burgemeester,
Marianne Schuurmans-Wijdeven
Toelichting bij beleidsregels Jeugd en Wmo gemeente Haarlemmermeer 2026
Artikel 2.Hulpvraag, beperkingen en gewenste resultaat
Lid 6. Bij het bepalen van wat een aanvaardbaar niveau is, is het van belang hoe de situatie was, voordat er tegen een probleem of beperking aangelopen werd. Daarnaast wordt er gekeken naar situaties en omstandigheden bij inwoners in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorie zonder een probleem of beperkingen.
Aanvaardbaar geeft aan dat er soms belemmeringen of beperkingen blijven die niet verholpen kunnen worden. De ondersteuning richt zich tot wat noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid, participatie en veiligheid. De ondersteuning gaat niet zover dat het college altijd rekening kan en moet houden met wensen van de inwoner, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, comfort en gewoontes. Steeds is in de regelgeving wel een afweging gemaakt in hoeverre dit zich verhoudt tot het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en het Verdrag inzake de rechten van het kind.
Lid 5 sub d Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat het gezinsinkomen door het bieden van (niet) gebruikelijke hulp niet meer toereikend is voor de betaling van de vaste lasten. Als de aanvrager onvoldoende kan aantonen dat het bieden van gebruikelijke hulp leidt tot financiële problemen kan het college de aanvrager verzoeken om een persoonlijk budgetadvies in te vullen op Nibud.nl. Op basis van het persoonlijk budgetadvies krijgt de inwoner zicht op hoe zijn inkomen en uitgaven zich verhouden met vergelijkbare huishoudens en ten opzichte van de basis(norm)bedragen. Als gemeente vinden we het belangrijk dat de gebruikelijke hulp niet ten koste gaat van de eerste levensbehoeften en de praktische basisbehoefte. Het gaat om behoeften zoals wonen, boodschappen, vervoerskosten, onderwijskosten en sport. De aanvrager hoeft het college niet te informeren over de exacte bedragen. Het college vraagt wel om de vergelijking te delen tussen de persoonlijke situatie, vergelijkbare huishoudens en het basisbedrag.
De rechtbank Rotterdam heeft in een uitspraak van juni 2019 geaccepteerd dat de gemeente hiervoor de NIBUD-normen toepast (ECLI:NL:RBROT:2019:52). Als het gezinsinkomen toereikend is en de ouder daardoor geen gedwongen keuze hoeft te maken tussen het verlenen van jeugdhulp aan zijn kind of het verwerven van een inkomen, is sprake van voldoende eigen kracht en hoeft het college geen pgb toe te kennen.
Artikel 14. Individuele voorzieningen Wmo
Lid 1. Het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen
Algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten en drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Wanneer een ondersteuningsvrager ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, is ondersteuning mogelijk op het gebied van:
Opgemerkt wordt dat de ondersteuningsvrager mogelijk aanspraak kan hebben op verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wanneer dit et geval is, wordt er geen begeleiding vanuit de Wmo ingezet.
Lid 2. Het voeren van een gestructureerd huishouden
Voor de meeste mensen is het houden van overzicht over dagelijks te verrichten taken geen enkel probleem. Men weet wanneer welke taak het beste uitgevoerd kan worden op het gebied van het schoonhouden van het huis, het doen van de was, het afvoeren van huishoudelijk afval, het doen van boodschappen, het bereiden van maaltijden, het voldoen aan formele verplichtingen van instanties, het bijhouden van de financiële administratie etc. Men weet ook hoe ze uitgevoerd moeten worden, en voert deze bijna als vanzelfsprekend zelf uit. Deze taken kunnen echter voor inwoners met beperkte zelfredzaamheid als complexe taken beschouwd worden, die daarom soms niet naar behoren uitgevoerd worden. Hier betreft het de vraag naar passende ondersteuning en begeleiding.
Lid 3. Het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer wil zeggen dat iemand, ondanks zijn beperkingen, in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Ook het ontlasten van mantelzorgers is aandachtspunt. Wanneer een ondersteuningsvrager niet (volledig) zelfstandig kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, is ondersteuning mogelijk op het gebied van;
Lid 5. Alvorens begeleiding in te zetten, is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Behandeling is gericht op het verbeteren van de aandoening/stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Begeleiding kan wel worden ingezet om tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of verder uit te bouwen.
Lid 6. Wanneer mensen een beperking hebben wordt bij activiteiten van het dagelijks leven en vrijetijdsbesteding vaak gedacht aan begeleiding. Er zijn veel algemeen beschikbare en redelijke oplossingen voorhanden.
Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend; het leren omgaan met een kind met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders.
Artikel 16. Verplaatsen in en om de woning
Lid 3. Accessoires zoals bagagetassen, been- en voetenzakken en afdekhoezen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Indien aangepaste kleding nodig is, bijvoorbeeld voor een zitorthese, kunnen de meer- kosten in aanmerking komen voor vergoeding. Ook een rollator wordt gezien als een algemeen gebruikelijke voorziening.
Artikel 17. Normaal gebruik kunnen maken van de woning
Lid 1. De daarvoor bestemde ruimtes moeten dus bereikbaar en toegankelijk zijn en aangepast zijn aan iemands beperkingen (bijvoorbeeld een laag aanrecht waar de rolstoel onder past). Ook het bereikbaar maken van gemeenschappelijke ruimtes van woongebouwen en flats vallen binnen dit resultaat.
Lid 4. Er kunnen nog andere punten zijn die op grond van het algemene afwegingskader in de individuele situatie in ogenschouw genomen moeten worden.
sub a. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de woonvoorziening als de ondersteuningsvrager, in het kader van de eigen verantwoordelijkheid, geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen
Als belangrijke reden kan worden aangemerkt:
sub b. Bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de ondersteuningsvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.
Er nog andere punten zijn die op grond van het afwegingskader in de individuele situatie in ogenschouw moeten worden genomen.
Lid 8. Het weigeren van een woonvoorziening omdat de verhuizing in verband met de overgang naar een volgende levensfase als algemeen gebruikelijk bestempeld wordt, is een uitsluitingsgrond die niet in de Wmo genoemd wordt. Dit leidt tot een generieke uitsluiting van de compensatieplicht die zo niet door de wetgever bedoeld is. In individuele situaties kan het echter wel het geval zijn dat een verhuizing algemeen gebruikelijk is.
Indien een verhuizing in de lijn der verwachting ligt en niet alleen noodzakelijk is in verband met beperkingen kan gesteld worden dat er geen sprake is van een onvoorziene en onverwachte verhuizing. Bijvoorbeeld iemand die zich inschrijft bij Woningnet in verband met gezinsuitbreiding en die een maatwerkvoorziening aanvraagt voor verhuizing in verband met beperkingen. Van de ondersteuningsvrager kan worden verwacht dat hij zich, evenals mensen zonder beperkingen, kan voorbereiden op een gebeurtenis als een verhuizing.
Artikel 20. Voeren van een gestructureerd huishouden
Lid 8. Het aantal toe te kennen minuten/uren schoonmaakhulp wordt afgestemd op de individuele situatie en is maatwerk. Het normenkader gaat bij een gemiddelde cliëntsituatie uit van 125 minuten ondersteuning per week wanneer sprake is van volledige overname van activiteiten. Schoonmaakhulp is gericht op het uitvoeren van het licht en zwaar schoonmaakwerk. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair en bedden verschonen. De cliënt stemt zelf met de hulp af voor welke taken en met welke frequentie dit wordt ingevuld voor het realiseren van het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’.
De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Het normenkader geeft weer hoeveel minuten per week voor was verzorging nodig is en voor strijken.
ia een zorgvuldig, individueel onderzoek wordt bepaald of betrokkene aanvullende uren nodig heeft, bijvoorbeeld als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen. In dit onderzoek wordt gekeken of via de eigen mogelijkheden en inzet van het eigen sociaal netwerk, de algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen, in combinatie met een eventuele inzet van de basisuren voor een schoon huis, voldoende oplossing wordt geboden.
De realisatie van een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden kan nodig zijn vanwege medische/fysieke beperkingen, of er is extra inzet nodig omdat medische/fysieke beperkingen leiden tot een snellere vervuiling van het huis. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische/fysieke oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is.
Het type en de grootte van de woning zijn in principe niet van invloed op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Dit zijn keuzes waarop betrokkenen zelf invloed uitoefenen en keuzes in maken. Dit geldt ook voor het verzorgen van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren). De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.
Lid 10. Dit betekent ook dat wanneer de ondersteuningsvrager reeds gewend is voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden is om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet altijd worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen de mogelijkheden wegvallen om de zelf ingehuurde hulp te continueren of dat de ondersteuning door de zelf ingehuurde hulp niet meer toereikend is.
Lid 7. Voor veel inwoners zal deelname aan activiteiten in bijvoorbeeld buurthuis of inloopvoorziening voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Alleen voor inwoners die door hun beperkingen een dergelijke dagstucturering, gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of reguleren van gedragsproblemen nodig hebben is dagbesteding nodig.
Artikel 23. Kortdurend verblijf
Lid 3. Kortdurend verblijf is voor maximaal drie etmalen per week gedurende de looptijd van de beschikking. Drie etmalen per week is de standaard regel. Bij uitzonderingen; het betreft drie etmalen gemiddeld per week over de looptijd van de beschikking (zo is er ook ruimte voor maatwerk).
Lid 6. Nagegaan wordt of dit aantal kilometers toereikend is voor de ondersteuningsvrager. Indien de ondersteuningvrager een actief sociaal leven heeft en/of vaak een familielid bezoekt in een instelling, kan een hoger maximum worden afgesproken. Daaraan is geen bovengrens verbonden. Ophoging van het aantal kilometers in verband met vrijwilligerswerk vindt alleen plaats als de vrijwilligersorganisatie niet in staat is de kosten te vergoeden, dan wel de kosten de verstrekte vergoeding overstijgen.
Lid 2. De Brede Centrale Toegang (BCT) verzorgt de toegang voor alle dak- of thuislozen in de regio IJmond, Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer. De BCT geeft informatie en advies bij (dreigende) dakloosheid, voert de eerste screening uit voor de kortdurende opvang, en geeft (in mandaat) de beschikking af voor de individuele voorziening maatschappelijke opvang. Bij het onderzoek/de informatieverzameling worden betrokken relevante netwerkpartners zoals welzijnsorganisaties, aanbieders maatschappelijke opvang, toegangsmedewerkers beschermd wonen, medewerkers werk en inkomen, etc..
Lid 3. Het college conformeert zich aan het convenant “Landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang” van de VNG. Dat betekent dat dakloze cliënten - ongeacht uit welke gemeente zij komen - zich bij de centrumgemeente kunnen melden. Als uit onderzoek blijkt dat de maatschappelijke opvang het beste in een andere centrumgemeente kan plaatsvinden, wordt de cliënt warm overgedragen. Het kan nodig zijn de cliënt in afwachting van de overdracht kortdurend opvang te verlenen. Dat kan in de algemene voorziening kortdurende opvang voor dakloze personen.
Artikel 29. Individuele voorziening Maatschappelijke opvang
Lid 5. De begeleiding die binnen de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt geboden, vindt plaats in nauwe samenwerking met specialistische partijen met expertise op het gebied van geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en bemoeizorg. De begeleider vanuit de opvangvoorziening is regievoerder op de ondersteuning richting voornoemde zorg en andere zorg.
De begeleiding is gericht op herstel van zelfredzaamheid en uitstroom. Uitstroom kan ook naar eigen netwerk of een vervolgplek buiten de regio IJmond, Zuid-Kennemerland of Haarlemmermeer zijn. Cliënten hebben zelf een actieve inspanningsverplichting om uit te stromen, waarbij de begeleiding ondersteunend is.
Als cliënten in staat zijn zelfstandig te wonen zonder begeleiding in de regio kunnen zij zich inschrijven bij Woonservice of Woningnet voor een sociale huurwoning. Daarnaast zijn er mogelijkheden (een kamer) te huren op de particuliere markt. De BCT heeft de zogenaamde “huisvestingskaart” ontwikkeld waarop alle mogelijke vormen van (zoeken naar) huisvesting zijn opgenomen.
Uitstromen naar zelfstandig wonen met begeleiding is mogelijk via Opstapregeling.
Voor doorstroom naar zorg vanuit de Wlz (onder meer het langdurig verblijf in een instelling voor GGZ, Verstandelijke Gehandicaptenzorg en Lichamelijke Gehandicaptenzorg waarbij intensieve zorg en 24 uur, levenslange toezicht nodig is) moet een indicatie worden aangevraagd bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Informatie over aanvragen is te vinden op de website van het CIZ.
Lid 7. De reservelijst wordt door de BCT beheerd. De BCT kan aan cliënt of trajecthouder informatie geven over de plek op de wachtlijst, maar cliënt kan hier geen rechten aan ontlenen.
Artikel 30. Eenzijdige zorgbeëindiging Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang
Lid 2. Voor de aanbieder van maatschappelijke opvang en het beschermd wonen geldt een maximale inspanningsverplichting voor de levering van adequate ondersteuning/zorg. Hieronder wordt verstaan: de inspanningen binnen de eigen organisatie, het organiseren van een passend ondersteuningsaanbod in de vorm van overbruggingsondersteuning of alternatieve ondersteuning bij een andere aanbieder.
Artikel 31. Opvang slachtoffers huiselijk geweld
Lid 3. De belangen van cliënt, kinderen en het gezinssysteem (en eventuele andere betrokkenen) worden op een zorgvuldige wijze tegen elkaar afgewogen waarbij de veiligheid van cliënt en eventueel meegekomen kinderen voorop staat, alsmede het herstel van de (directe) veiligheid. Er vindt met alle kinderen in de opvang een gesprek plaats (zodra zij daartoe in staat zijn) over welbevinden en veiligheid.
Lid 3. Het uitgangspunt in Haarlemmermeer voor het tijdelijk opschorten (pauzeren) is dat de bijdrage alleen tijdelijk gestopt wordt als door overmacht meer dan twee maanden geen gebruik wordt gemaakt van zorg. Wanneer een inwoner dus bewust ervoor kiest geen gebruik te maken van de voorziening, zoals bij een vakantie, is geen sprake van opschorten. Bijvoorbeeld bij een langdurige ziekenhuisopname, kan de eigen bijdrage wel gestopt worden. De tijdelijke stop dient door de aanbieders aan ons doorgegeven te worden, via het iWmo berichtenverkeer. Dit laat onverlet de inlichtingenplicht van de inwoner. Het opschorten wordt niet toegepast voor een woningaanpassing of hulpmiddel, omdat deze niet wordt ingeleverd.
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget
Artikel 37. Kwaliteit van professionele zorg
Lid 1 sub f. Onder de werkvorm zzp’er wordt verstaan een zelfstandige zonder personeel die geen dienstverband heeft met de opdrachtgever, voor verschillende opdrachtgevers kan werken en een tijdelijke, specifieke, opdracht uitvoert als zelfstandig ondernemer. De meeste zzp’ers kiezen voor de rechtsvorm eenmanszaak, maar een zzp’er kan verschillende rechtsvormen hebben. Wanneer de zzp’er optreedt als zorgaanbieder – en deze zorgaanbieder dus één zzp'er is wordt er geen HKZ of ISO certificering gevraagd. Deze zzp'er die zorgaanbieder is, kan werkzaam zijn onder diverse rechtsvormen (bv, vof etc.).
Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen uit de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-86334.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.