Gemeenteblad van Middelburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Middelburg | Gemeenteblad 2026, 77381 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Middelburg | Gemeenteblad 2026, 77381 | gemeenschappelijke regeling |
Gemeenschappelijke Regeling Zeeuws Archief 2026
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg,
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,
Gelet op hoofdstuk I en VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
de colleges van burgemeester en wethouders van Terneuzen, Schouwen-Duiveland en Vlissingen, het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland en het dagelijks bestuur van het waterschap Scheldestromen hebben besloten om, na verkregen toestemming van de raden van de gemeenten onderscheidenlijk provinciale staten van de provincie Zeeland en het algemeen bestuur van het waterschap Scheldestromen toe te treden tot de gemeenschappelijke regeling;
er als gevolg van de voormelde toetreding een wijziging van de gemeenschappelijke regeling vereist is;
gelet op de bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
vast te stellen de tweede wijziging van de Gemeenschappelijke regeling ‘Zeeuws archief’, waardoor deze als volgt komt te luiden:
HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de archiefdienst;
archiefdienst: het Zeeuws Archief;
archiefbescheiden: archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995;
collecties: de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en digitale bescheiden in de meest ruime zin van het woord, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of in beheer bij de gemeenten, de provincie en het waterschap voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden onder het beheer van de archiefdienst;
colleges B&W: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten;
dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de archiefdienst;
deelnemers: de minister, de colleges B&W, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van het waterschap;
directeur: de door het dagelijks bestuur benoemde directeur van de archiefdienst;
gemeenten: de gemeente Middelburg, de gemeente Veere, de gemeente Terneuzen, de gemeente Schouwen-Duiveland, de gemeente Vlissingen;
gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland;
minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
overheidsorgaan: orgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
provinciale staten: provinciale staten van de provincie Zeeland;
provincie: de Provincie Zeeland;
regeling: de gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief;
waterschap: het Waterschap Scheldestromen;
HOOFDSTUK IV. HET ALGEMEEN BESTUUR
Het lidmaatschap van de leden van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege bij beëindiging van het lidmaatschap in de besturen van de deelnemers, zij het dat het lidmaatschap van het lid dat is aangewezen door de minister eindigt op het moment dat de zittingsperiode van de rijksbestuurder afloopt.
HOOFDSTUK V. DE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET ALGEMEEN BESTUUR
Aan de bevoegdheden van het algemeen bestuur worden geen beperkingen opgelegd ingevolge artikel 95 jo. 77 van de Wgr, mits het totaal van de aangegane verplichtingen binnen de goedgekeurde begroting valt. Voor het aangaan van verplichtingen door het algemeen bestuur buiten de goedgekeurde begroting geldt de procedure van de artikelen 18, 18a en 19 van deze regeling.
Het algemeen bestuur besluit slechts tot oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij gekwalificeerde meerderheid van tweederde van de stemmen.
HOOFDSTUK VII. DE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET DAGELIJKS BESTUUR
Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met:
het besluiten tot het namens de archiefdienst, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures of het verrichten van handelingen ter voorbereiding daarop, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dit het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;
HOOFDSTUK IX. INFORMATIE- EN VERANTWOORDINGSPLICHT
Het dagelijks en algemeen bestuur geven de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap schriftelijk alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Belangrijke financiële, beleidsmatige of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de werkzaamheden genoemd in artikel 3 en 4, zendt het dagelijks bestuur door middel van een tussentijdse rapportage tijdig ter informatie aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap.
Het dagelijks en algemeen bestuur geven de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap, op verzoek van de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten of de algemene vergadering van het waterschap of één of meer leden daarvan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 45 dagen, schriftelijk de door hen gevraagde inlichtingen.
De deelnemers, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap kunnen het door de desbetreffende deelnemer aangewezen lid van het algemeen bestuur, nadat de inlichtingen in een vergadering schriftelijk zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
Ingezetenen van de provincie Zeeland en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures voor burgerparticipatie van de deelnemers en de gemeenteraden, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid van de archiefdienst.
HOOFDSTUK X. FINANCIËLE BEPALINGEN
De in het eerste lid bedoelde deelnemersbijdragen, met uitzondering van de bijdrage door de minister, worden jaarlijks aangepast volgens de indexeringsmethodiek op basis van de som van twee derde van de prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers en een derde van de prijs overheidsconsumptie, netto materieel (IMOC), zoals gepubliceerd in de septembercirculaires gemeenten- en provinciefonds van het begrotingsjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het indexpercentage wordt toegepast. De bijdrage van de minister kan jaarlijks worden aangepast in verband met de ontwikkeling van lonen of prijzen zoals dit in voorkomend geval door de minister in de loop van het begrotingsjaar voor het geheel van zijn bijdrage wordt vastgesteld.
Het dagelijks bestuur zendt het ontwerpbeleidsplan en de ontwerpmeerjarenbegroting aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap, die daarbij gedurende twaalf weken in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het algemeen bestuur stelt het beleidsplan en de meerjarenbegroting vervolgens vast. Ten minste dertien maanden voorafgaand aan de periode waarop het beleidsplan en de meerjarenbegroting betrekking hebben, worden deze toegezonden aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap.
Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de ontwerpbegroting en de financieel-beleidsmatig onderbouwde meerjarenraming aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap.
Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap met een toelichting op de ontwerpbegroting en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.
In de toelichting op de ontwerpbegroting worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke belangen en resultaten de archiefdienst met de activiteiten nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroepen zij zijn bestemd.
De minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
Het dagelijks bestuur stelt de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijzen, bedoeld in het zesde lid van artikel 18, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Nadat de begroting is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap die ter zake bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks voor 30 april aan de minister, de raden van de gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap een inhoudelijk verslag uit van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.
De algemene reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan 5% van de totale bijdragen van dat jaar van de minister, de gemeenten, de provincie en het waterschap en andere overheidsinstellingen, tenzij het (op basis van een jaarlijkse risicoanalyse) benodigde weerstandsvermogen een ander percentage vraagt.
Bij het jaarverslag stelt het algemeen bestuur de definitieve bijdragen van de minister, de gemeenten, de provincie en het waterschap vast.
HOOFDSTUK XIII. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING
Uittreding uit de regeling kan geschieden door toezending van een daartoe strekkend besluit van de uittredende deelnemer aan het algemeen bestuur. De colleges B&W, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van het waterschap overleggen daarbij ook het besluit tot toestemming van de raden van de gemeente, provinciale staten of de algemene vergadering van het waterschap. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer.
Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de bijdragen in de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de bijdragen in de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar en zal de bijdrage over een periode van vijf jaar toerekenen.
Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico- opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorziene kosten.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in één keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen, met een maximum van vijf jaartermijnen, of in één keer dient te betalen.
De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van deelnemingen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 7, derde lid.
Onder desintegratiekosten worden verstaan, alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de archiefdienst die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 32 anders is vastgelegd.
Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 32, derde lid in relatie tot de verwachtte uittreedsom daartoe aanleiding geeft, kan het algemeen bestuur in overleg met de uittredende deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt (1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%).
Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om medewerkers van de archiefdienst die als gevolg van de uittreding boventallig zijn geworden, met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van de archiefdienst wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de minister, colleges B&W, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van het waterschap ter voorlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de raden van de deelnemende gemeenten, provinciale staten, onderscheidenlijk de algemene vergadering van het waterschap, die in de gelegenheid worden gesteld om binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp van de regeling hun zienswijze over de ontwerpregeling naar voren te brengen.
Voorstellen uitgaande van één of meer van de deelnemers worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de minister, de colleges B&W, gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van het waterschap ter voorlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de raden van de deelnemende gemeenten, provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap doen toekomen, waarna deze verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.
Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en de deelnemer waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens de desbetreffende deelnemer op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.
Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 136 van de Grondwet te laten beslechten.
Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de minister, de raden van de gemeenten onderscheidenlijk provinciale staten en de algemene vergadering van het waterschap gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze naar voren te brengen.
HOOFDSTUK XIV. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief 2026’.
De artikelen 31 tot en met 34, zoals vastgesteld in artikel I zijn niet op de uittreding van de minister van toepassing. Op de uittreding van de minister blijven de artikelen 35 en 36 van de Gemeenschappelijke regeling Zeeuws Archief 2024 (Gmb. 2025, nr [PM] van toepassing, zoals die golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg
De burgemeester, De secretaris
Burgemeester en wethouders van de gemeente Veere
De burgemeester De secretaris
Het college van B&W van de gemeente Terneuzen, Schouwen-Duiveland en Vlissingen, gedeputeerde staten van de provincie Zeeland en het dagelijks bestuur van het waterschap Scheldestromen hebben besloten toe te treden tot de Gemeenschappelijke Regeling Zeeuws Archief. Ten behoeve van deze toetreding, is de onderhavige regeling gewijzigd. Waar nodig is in de artikelen naar de (organen van de) toetreders verwezen. Ook zijn de verwijzingen naar de juiste artikelen van de Wet gemeenschappelijke regelingen waar nodig aangepast. Enkele overige wijzigingen worden hierna per artikel nader toegelicht.
De definitiebepalingen zijn uitgebreid met de (organen van) de toetreders.
Dit artikel ziet op de werkzaamheden, taken en bevoegdheden die de deelnemers aan het bestuur van de archiefdienst overdragen. De verwijzingen naar de artikelen uit de Archiefwet, die zien op de archiefbescheiden van provincies en waterschappen, zijn aan dit artikel toegevoegd.
De artikelen 4 en 5 zijn vernummerd tot de artikelen 5 en 6. Deze artikelen zien op het aantal leden van en de stemverhoudingen binnen het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Dit is aangepast vanwege de voormelde toetreding. Zo is onder meer het aantal stemmen dat ieder lid van het algemeen bestuur heeft, uitgewerkt. Ook is de bepaling die ziet op de situatie van het staken van stemmen herzien. Aangesloten is bij de regeling uit artikel 32 van de Gemeentewet.
Artikel 7 is vernummerd tot artikel 8. De wijze waarop de leden van het dagelijks bestuur door en vanuit het algemeen bestuur worden aangewezen, is aangepast.
Deze artikelen bevatten de financiële bepalingen. Waar nodig zijn de artikelen aangepast vanwege het toegenomen aantal deelnemers. Ook zijn enkele data nader gespecificeerd, zoals het moment tot wanneer het algemeen bestuur uiterlijk begrotingswijzigingen kan nemen.
Artikelen 30 tot en met 37 Deze artikelen zien op de toetreding, uittreding, wijziging, geschillen en opheffing. Dit waren de artikelen 34 tot en met 38. De regeling hieromtrent is inhoudelijk gewijzigd, met inachtneming van (de toename van) het aantal (nieuwe) deelnemers. Zo zijn onder meer de regeling omtrent de uittreedsom en het wijzigen van de regeling nader uitgewerkt. De uittredingsregeling sluit nu aan bij het format van de Zeeuwse gemeenten.
Voor de uittreding van de minister is een uitzondering op de bepalingen over de (financiële) gevolgen van de uittreding gemaakt. Reden hiervoor is dat de minister heeft aangekondigd ook na uittreding de financiering aan het Zeeuws Archief in stand te houden op het niveau van het laatste jaar van deelname aan deze gemeenschappelijke regeling. De afspraken over de samenwerking en ondersteuning van het Zeeuws Archief zijn opgenomen in het “Bestuursconvenant duurzame samenwerking ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de regionale historische centra” d.d. 1 februari 2024. Het vierde lid van artikel 31 en artikel 32 tot en met 34 zijn om deze reden niet van toepassing op de uittreding van de minister. Wel zal de minister bij zijn uittreding met het Zeeuws Archief in gesprek gaan over kosten die mogelijk alsnog met de uittreding samenhangen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-77381.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.