Gemeenteblad van Losser
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Losser | Gemeenteblad 2026, 77377 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Losser | Gemeenteblad 2026, 77377 | beleidsregel |
Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Losser
Burgemeester en wethouders van de gemeente Losser;
gelet op artikel 35 van de Participatiewet;
overwegende dat het college het noodzakelijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet kan worden verstrekt en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Daarnaast wordt in deze beleidsregels verstaan onder:
Bijstandsnorm: de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 en 24 van de Participatiewet, inclusief de verlaging van de norm op grond van artikel 27 of 28 van de Participatiewet; Voor de toepassing van artikel 35 van de Participatiewet wordt artikel 22a van de Participatiewet (kostendelersnorm) buiten beschouwing gelaten. Als op de aanvrager de kostendelersnorm van toepassing is of zou zijn, wordt bij de bepaling van de draagkracht de bijstandsnorm gehanteerd die van toepassing zou zijn alsof er geen sprake was van een kostendelersnorm.
Draagkracht: de mate waarin belanghebbende zelf geacht wordt uit het inkomen en vermogen bij te kunnen dragen in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Deze bedraagt een percentage van het meer-inkomen als bedoeld onder g en een bedrag boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 van de Participatiewet;
Artikel 4 Voorliggende voorziening
Het college verleent geen bijzondere bijstand als de inwoner een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening of als de voorliggende voorziening de kosten als niet noodzakelijk aanmerkt als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet, tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald.
Artikel 10 Hoogte noodzakelijke kosten
Er wordt niet afgeweken van de door het college vastgestelde richtprijzen als daarvoor geen noodzaak aanwezig is. Als in een individuele situatie de noodzaak is aangetoond van de meerkosten ten opzichte van de richtprijzen, dan kan van de richtprijzen worden afgeweken. Voor een aantal kostensoorten, zoals bijvoorbeeld duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten hanteert het college richtprijzen voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand. Voor de hoogte van de richtprijzen wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van deze beleidsregels.
Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand jongeren
Artikel 12 Bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar kan slechts aanspraak maken op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van de belanghebbende uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep gedaan kan worden op de ouders omdat de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet ten gelde kan maken.
Met ingang van 1 januari 2026 wordt ondersteuning aan deze doelgroep niet langer via de bijzondere bijstand verstrekt. Vanaf deze datum vallen jongeren onder de algemene bijstand zoals uitgevoerd vanuit de Participatiewet in Balans, mits zij voldoen aan de voorwaarden van de Participatiewet.
Jongeren bij wie vóór 1 januari 2026 bijzondere bijstand is toegekend, behouden hun recht op deze aanvulling volgens deze regeling totdat zij 21 jaar worden of geen gebruik meer maken van de algemene bijstand.
Artikel 14 Kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele
Wettelijk gezien is periodieke bijzondere bijstand met terugwerkende kracht niet mogelijk. Een uitzondering wordt gemaakt voor de eerste aanvraag voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele. De ingangsdatum van de periodieke bijzondere bijstand afhankelijk van de datum uitspraak, de 1e of de 16e van de maand.
Hoofdstuk 6 Kosten in verband met wonen
Artikel 15 Duurzame gebruiksgoederen
Kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Als uitgangspunt bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand. De inwoner dient zelf in deze kosten te voorzien door ervoor te sparen of een geldlening aan te gaan.
Bijzondere omstandigheden kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een echtscheiding waarbij een inwoner een woning gedeeltelijk opnieuw moet inrichten. Als de inwoner niet in deze kosten kan voorzien door eigen middelen of het aangaan van een lening, dan is er bijzondere bijstand mogelijk. Op grond van de individuele situatie wordt beoordeeld welke duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk zijn.
Artikel 16 Volledige woninginrichting
Bijzondere bijstand die niet voor het doel wordt gebruikt waarvoor deze verstrekt is, wordt teruggevorderd en is direct opeisbaar. Als directe terugbetaling niet mogelijk is, wordt de aflossing vastgesteld op minimaal 5% van de bijstandsnorm met inachtneming van de beslagvrije voet. Kwijtschelding van bijstand die na 36 maanden nog niet is afgelost, is in dat geval niet meer mogelijk.
Artikel 17 Overige inrichtingskosten: opknapkosten en stoffering
Met overige inrichtingskosten worden de kosten bedoeld voor opknapkosten en stoffering van een woning. Als uitgangspunt bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand en dient men daar zelf in te voorzien. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden is er voor deze kosten bijzondere bijstand mogelijk.
Het college hanteert voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting maximumbedragen die afhankelijk zijn van de gezinssituatie van de belanghebbende. De volgende maximumbedragen worden gebruikt.
Artikel 22 Woonlasten tijdens verblijf in detentie
In afwijking van artikel 13 lid 1 onder a van de Participatiewet kan het college voor doorbetaling van de woonlasten bijzondere bijstand verstrekken voor zover de inwoner die in detentie zit deze kosten aantoonbaar niet over de hele detentieperiode zelf kan betalen en er sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het noodzakelijk is dat de woning wel wordt aangehouden.
Woonkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen uit de bijstandsnorm te worden voldaan, eventueel aangevuld met de ontvangen huurtoeslag. Voor woonkostentoeslag bestaat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan er recht op bijzondere bijstand voor woonkosten bestaan.
Artikel 24 Recht op woonkostentoeslag
Van bijzondere omstandigheden voor het recht op woonkostentoeslag is sprake als:
de inwoner een te dure woning huurt en door een inkomensdaling de huur niet meer kan betalen omdat geen of een lagere huurtoeslag wordt ontvangen. In dat geval kan tijdelijk bijzondere bijstand worden verleend. Ligt de huur boven de huurtoeslaggrens dan wordt de verplichting opgelegd om binnen een jaar te verhuizen naar een goedkopere woning. Als de inwoner daar, ondanks voldoende inspanning, niet in slaagt kan de bijstandsverlening met een maximum van één jaar worden verlengd;
de inwoner een eigen woning bewoont. In dat geval bestaat er geen recht op huurtoeslag. Blijven de woonlasten beneden de huurtoeslaggrens dan bestaat er recht op bijzondere bijstand zolang tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring in redelijkheid niet kan worden verlangd. Zijn de woonlasten hoger dan de huurtoeslaggrens en/of is er sprake van een forse overwaarde en kan tegeldemaking in redelijkheid worden verlangd, dan kan er bijzondere bijstand worden toegekend met de verplichting om de woning binnen 12 maanden te verkopen en te verhuizen naar goedkopere woonruimte.
Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor medische kosten en eigen bijdragen die vallen onder de werkingssfeer van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), omdat deze wetten als een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet) worden beschouwd.
Als er bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor medische kosten tot € 300,00 op jaarbasis, dan wordt in beginsel geen medisch advies aangevraagd over de noodzakelijkheid van deze kosten. Hierbij volstaat een verklaring van een huisarts, tandarts, medisch specialist of waarbij anderszins de noodzakelijkheid kan worden vastgesteld.
Het college sluit voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor de meerkosten van het dieet aan op de fiscale regels die gelden voor de belastingaftrek voor dieetkosten. Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de meerkosten van een dieet die hoger zijn dan de bedragen die worden vermeld op de dieetlijst van de Belastingdienst. Het college merkt deze kosten aan als niet noodzakelijk. De belastingaftrek zorgkosten wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.
Artikel 30 Maaltijdvoorziening
De noodzaak van het gebruik van een maaltijdvoorziening dient vastgesteld te worden door een hulp- en of zorgverlener (arts, thuiszorgorganisatie, ouderenwerk), voor zover dit niet bij het college bekend is, dan wel een op te vragen medisch advies bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie.
De vergoeding wordt gebaseerd op de kosten van openbaar vervoer. Bij gebruik van de eigen auto geldt de actuele kilometervergoeding van de Belastingdienst. Vergoeding van deze kosten is alleen mogelijk als het gebruik van de eigen auto goedkoper is of als het openbaar vervoer geen optie biedt. Voor de berekening van het aantal kilometers geldt de routeplanner van de ANWB geldend voor de kortste route.
Voor de kosten van kinderopvang wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Kinderopvangtoeslag op grond van de Participatiewet kinderopvang (Wko) geldt hiervoor als een toereikende voorliggende voorziening.
Artikel 34 Recht op bijzondere bijstand kinderopvang
Het college vergoedt aan een rechthebbende inwoner het verschil in meerprijs tussen de maximale uurprijs van het Rijk en de opvanglocatie. Voor het gedeelte waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden ontvangen, wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Hiervoor geldt de Wet kinderopvang als voorliggende voorziening.
Hoofdstuk 10 Uitvaartkosten (begrafenis- en crematiekosten)
De kosten van een begrafenis of crematie van een overledene behoren tot de bijzondere bestaanskosten van de erfgenamen. Deze kunnen ieder voor zich en op persoonlijke titel bijzondere bijstand aanvragen, voor zover hun erfdeel ontoereikend is en het hen aan middelen ontbreekt om hun aandeel in de kosten te kunnen voldoen.
Artikel 37 Zelf bijdragen aan noodzakelijke uitvaartkosten
Op de door het college noodzakelijk geachte kosten worden in ieder geval de volgende middelen in mindering gebracht:
Artikel 38 Uitvaartkosten in het buitenland
Volgens het territorialiteitsbeginsel, genoemd in artikel 11 van de Participatiewet verstrekt het college geen bijzondere bijstand voor begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een in Nederland of in het buitenland overleden persoon. Dit is ook niet mogelijk voor zowel een vreemdeling als een Nederlander die in het buitenland wordt begraven of gecremeerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-77377.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.