Gemeenteblad van Gouda
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gouda | Gemeenteblad 2026, 71598 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gouda | Gemeenteblad 2026, 71598 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Regeling maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026
Het college van burgemeester en wethouders van Gouda;
gelezen het voorstel van 10 februari 2026,
gelet op de artikelen 2.1.3 en 2.1.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.9 van de Jeugdwet en de artikelen 20, elfde lid, 21, zesde lid, 27, derde lid, 31, vierde lid, 36, vierde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026;
Het vaststellen van de Regeling maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026.
HOOFDSTUK 1: BEGRIPSBEPALINGEN
Budgetbeheerder: De persoon die het pgb beheert, die daadwerkelijk zorgdraagt voor de afhandeling van het pgb. De budgetbeheerder kan ook budgethouder zijn.
Budgethouder: De persoon aan wie het pgb is toegekend en voor wie de zorg is geïndiceerd. De budgethouder kan ook de budgetbeheerder zijn.
Persoonsgebonden budget: Bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt zelf inkoopt.
Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026.
Zorgverlener: Iemand die namens een organisatie of als zzp’er (formeel) of op persoonlijke titel (informeel) werkt voor een pgb-budgethouder.
Hoofdstuk 2 EIGEN KRACHT EN GEBRUIKELIJKE HULP MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Artikel 2 Algemene uitgangspunten Eigen kracht maatschappelijke ondersteuning
Onder eigen kracht voor maatschappelijke ondersteuning worden de mogelijkheden verstaan die inwoners hebben om hun leven zo in te richten dat zij hun problemen bij zelfredzaamheid of ondersteuning zelf verminderen of voorkomen. Iedere inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor diens eigen leven en daarmee voor de eigen zelfredzaamheid en participatie.
Artikel 3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning
Tijdens het gesprek voor een maatwerkvoorziening, bedoeld in artikel 18 van de Verordening wordt door het college beoordeeld of de hulpvraag opgelost kan worden zonder gebruik te maken van een maatwerkvoorziening, rekening houdend met eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemene voorzieningen en het sociaal netwerk. Hierbij worden in ieder geval de volgende punten onderzocht:
Het onder lid 1, sub d, genoemde houdt in dat wanneer er een aanvraag wordt gedaan voor een voorziening, er onderzocht wordt of de huisgenoot gebruikelijke hulp geheel of gedeeltelijk kan bieden. In de volgende gevallen wordt ervan uitgegaan dat de huisgenoot de gebruikelijke hulp niet (volledig) kan bieden:
Bij de beoordeling wat er redelijkerwijs van de inwoner en de omgeving kan worden verwacht, kan gebruik worden gemaakt van het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp Wmo’, bedoeld in bijlage 1 behorende bij deze regeling. Bij deze afweging is leidend wat er in meer of mindere mate van de inwoner verwacht kan worden, in relatie tot de vastgestelde eigen kracht.
HOOFDSTUK 3 PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Cliënt vult het pgb-plan, bedoeld in bijlagen 2 en 3 behorende bij deze regeling, in waarmee cliënt aangeeft op welke wijze de gewenste ondersteuning van goede kwaliteit, veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is.
HOOFDSTUK 4 HULP BIJ HET HUISHOUDEN
Artikel 6. Gebruik richtlijnen hulp bij het huishouden
In het oordeel om te komen tot een passende maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen indicatie hulp bij het huishouden.
Bij de indicatie voor hulp bij het huishouden gelden de in de volgende tabel opgenomen richtlijnen en uitgangspunten:
Uitgangspunten hulp bij het huishouden:
Toelichting op richtlijnen indicatie
Hulp bij het huishouden kan bestaan uit de volgende activiteiten:
Artikel 8. Vervoersvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning
Aldus besloten in de vergadering van 10 februari 2026.
Burgemeester en wethouders van Gouda,
de secretaris,
drs. R.C. Bakker
de burgemeester,
mr. drs. P. Verhoeve
HOOFDSTUK 2 EIGEN KRACHT EN GEBRUIKELIJKE HULP MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Artikel 2 Algemene uitgangspunten Eigen kracht maatschappelijke ondersteuning
In artikel 2 worden de algemene uitgangspunten over eigen kracht en gebruikelijke hulp toegelicht.
Eigen kracht is een van de leidende principes waar de gemeente de ondersteuning van kwetsbare inwoners op inricht. Dat betekent dat de inwoner centraal staat, een actieve rol heeft in het vinden van passende oplossingen en dat de gemeente goed luistert naar het verhaal van de inwoner.
Het college gaat ervanuit dat inwoners elkaar helpen. Dit betekent dat de gemeente ondersteuning biedt en daarbij uitgaat van de eigen regie, eigen kracht en mogelijkheden van de inwoner, inclusief wat de omgeving (het sociale netwerk) van de inwoner kan betekenen.
In artikel 3 staat verder uitgewerkt wat eigen kracht en gebruikelijke hulp voor maatschappelijke ondersteuning inhoudt.
Artikel 3 Eigen kracht en gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning
In het eerste lid staat de beoordeling van eigen kracht en gebruikelijke hulp centraal. Het college doet dit in het onderzoek.
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de eigen kracht. Hiermee wordt bedoeld: dat wat binnen het vermogen van de inwoner ligt om zelf tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie te komen. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit wil zeggen dat iemand ondanks lichamelijke, verstandelijke of geestelijke beperkingen, net zoals anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen.
In het gesprek, dat onderdeel is van het onderzoek, wordt samen met de inwoner bekeken welk resultaat de inwoner wil bereiken met het oog op de zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de inwoner voorop. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van een persoon of personen uit het sociale netwerk van een inwoner bij het gesprek een meerwaarde kan hebben. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zelf zouden kunnen bieden, waarmee de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner worden versterkt of zullen verbeteren. Ook kan het college in samenspraak met de betrokkenen het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of de personen uit de sociale omgeving bespreken.
De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dát aan te wenden wat binnen het eigen bereik ligt om in de behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien; zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken.
In het eerste lid is een overzicht opgenomen van onderwerpen die aan bod kunnen komen tijdens het gesprek. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Als de inwoner al bij de gemeente bekend is, hoeft een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept te worden en kan bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komt een inwoner voor het eerst bij de gemeente, dan dient het gesprek om een totaalbeeld van de inwoner en de situatie te krijgen.
In het eerste lid, sub b, wordt benoemd dat bij de beoordeling van de ondersteuningsvraag rekening wordt gehouden met de intensiteit en de duur van de ondersteuningsvraag. Ook hierbij staat maatwerk voorop.
In het algemeen genomen geldt hiervoor dat bij een kortdurende ondersteuningsvraag (korter dan drie maanden) verwacht wordt dat deze ondersteuning zoveel als mogelijk door de omgeving van de inwoner wordt gegeven, tenzij de intensiteit dusdanig hoog is dat dit redelijkerwijs (zie lid 2, sub a-d) niet te verwachten is.
Daarnaast geldt dat bij een langdurige ondersteuningsvraag (levenslang en levensbreed) met een hoge intensiteit logischerwijs wel ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geboden wordt. Wel kunnen er afspraken over de intensiteit van de ondersteuning vanuit de gemeente gemaakt worden. Als er mogelijkheden zijn waarbij de omgeving van de inwoner in staat is een deel van de ondersteuning te bieden (zie lid 2, sub a-d voor de uitzonderingen), kan in het gesprek besproken worden om de hulp bij de ondersteuningsvraag te verdelen over de omgeving van de inwoner en de gemeente.
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten, tot wie gerekend worden: de partner, ouders, inwonende kinderen en anderen met wie inwoner met een ondersteuningsvraag duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont. Het gaat bijvoorbeeld om het helpen met eten koken, stofzuigen, kinderen aankleden en naar school brengen. Het gaat in dit artikel om de huisgenoot die 18 jaar of ouder is.
Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt naar de Regeling gebruikgemaakt van het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp Wmo’. Hierin zijn onderdelen overgenomen uit de CIZ-indicatiewijzer ‘gebruikelijke hulp’ (toelichting op de beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1 van juli 2014) en verder aangevuld.
Gebruikelijke hulp wordt niet verwacht in situaties zoals die zijn beschreven in het tweede lid.
Voor sub a en c geldt dat als uit medisch onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, gebruikelijke hulp niet van toepassing is.
Sub b betekent dat op het moment dat het gaat om zorg die niet te plannen is, er voor dat deel geen gebruikelijke hulp verwacht wordt. Sub b betekent niet dat bijvoorbeeld een huisgenoot met een drukke weekplanning het huishouden niet hoeft te doen.
Voor sub d geldt dat een inwoner moet kunnen aantonen dat er sprake is van een levensverwachting korter dan drie maanden.
Het principe van gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter waarbij geen onderscheid wordt gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.
De toepassing van de Regeling en het afwegingskader ‘Gebruikelijke hulp Wmo’ laat onverlet dat in individuele situaties telkens weer een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt en daarmee rekening moet worden gehouden met specifieke omstandigheden van de inwoner.
HOOFDSTUK 3 PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Volgens de Jeugdwet (artikel 8.1.1, tweede lid, c) en Wet maatschappelijke ondersteuning wordt de doelmatigheid, veiligheid, kwaliteit en doelgerichtheid voor het afgeven van een pgb beoordeeld. Het pgb-plan is een middel om deze aspecten te beoordelen.
Om deze reden kan het toekennen van een pgb aan een cliënt pas gebeuren na beoordeling van het pgb-plan. Het pgb-plan kan, rekening houdend met de geldende wettelijke termijnen, tussentijds nog worden aangepast of aangevuld tot het moment dat de beschikking is verleend.
Een inwoner kan zich bij het aanvragen van een pgb en het invullen van het pgb-plan laten ondersteunen door iemand uit diens sociaal netwerk of door een onafhankelijk cliëntondersteuner.
Artikel 5 Hoogte pgb-voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
De tarieven voor de inhuur van een organisatie of een zzp’er zijn afgeleid van de tarieven die worden gehanteerd voor de door gemeente gecontracteerde aanbieders. De tarieven worden kenbaar gemaakt op de website van de gemeente Gouda.
In de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 is in artikel 21 bepaald hoe de hoogte van een toe te kennen pgb wordt bepaald.
HOOFDSTUK 4 HULP BIJ HET HUISHOUDEN
Artikel 6 Gebruik richtlijnen hulp bij het huishouden
In dit artikel wordt een nadere toelichting gegeven op de manier waarop tot een passende maatwerkvoorziening of individuele voorziening gekomen wordt.
‘Richtlijnen indicatie Hulp bij het huishouden’
Doelgroep hulp bij het huishouden
De Wmo 2015 geeft gemeenten de opdracht de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van Goudse inwoners te bevorderen en te behouden. Daartoe kunnen verschillende voorzieningen worden ingezet wanneer de zelfredzaamheid afneemt, waaronder begrepen de huishoudelijke hulp. De gemeente heeft beleidsruimte bij het kiezen van de voorzieningen en de wijze waarop die worden toegekend, ingezet en bekostigd. Doel van de Wmo 2015 is kwetsbare mensen zo lang mogelijk zelfredzaam en zelfstandig thuis te kunnen laten wonen en leven.
De gemeente Gouda doet dit (onder andere) door hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening aan te bieden. De criteria voor toewijzing van een maatwerkvoorziening zijn beschreven in de verordening. De maatwerkvoorziening is in de vorm van ZiN en een pgb beschikbaar. De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden ziet erop toe dat inwoners die dat zelf niet kunnen, die niet over iemand beschikken uit het sociaal netwerk die hen daarbij kan helpen, en waarvoor geen algemene voorziening aanwezig is, een gestructureerd huishouden kunnen voeren.
De gemeente wil die inwoners bereiken die langer thuis moeten blijven wonen en waar een zwaardere ondersteuningsvraag ontstaat op het onderdeel zelfredzaamheid in het eigen huishouden. Een boodschappenlijst wordt slechts dan opgesteld, en waar nodig worden boodschappen daadwerkelijk gedaan, als sprake is van verregaande beperkingen. Een boodschappendienst is immers voorliggend en in toenemende mate beschikbaar.
Voor deze onderdelen worden richtlijnen gehanteerd die overeenkomen met het CIZ-protocol en objectief en onafhankelijk zijn vastgesteld. Voor het huishoudelijk werk (licht en zwaar) wordt gebruik gemaakt van de norm die zorgvuldig onderzocht is door KPMG voor de gemeente Utrecht.
Via het creëren van extra ruimte bij meerzorg, waaronder wordt verstaan de aanwezigheid van kinderen, intensief gebruik van de woning, een hoge vervuilingsgraad of specifieke problematiek, wil het college de uitvoering nog beter in staat stellen maatwerk te leveren.
Als uit het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 blijkt dat de maximale tijdsduur in de richtlijn vanwege de aanwezigheid van kinderen, intensief gebruik van de woning, een hoge vervuilingsgraad of specifieke problematiek, niet voldoende is, kan er op basis van meerzorg ophoging van de tijdsduur plaatsvinden.
Bij specifieke problematiek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ernstige incontinentie of aan een medische noodzaak om een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden te realiseren.
Het college heeft in lijn met het advies van VWS en VNG besloten om niet de term ‘protocol’ te hanteren, maar te kiezen voor richtlijnen ter indicatie. Het is niet in lijn met de bedoeling van de Wmo om met afvinklijsten te werken die leiden tot een aantal uren. Het woord protocol kan onbedoeld die associatie wekken.
Ten slotte: het is te allen tijde van belang om voor ogen te houden dat er in deze regeling wordt gesproken van een kadering waarin richtlijnen voor indicatiestelling zijn verwoord. Met behulp van het keukentafelgesprek wordt een afweging gemaakt in relatie tot die richtlijnen. Individuele afwijkingen zijn mogelijk, mits beargumenteerd vanuit de feitelijk geconstateerde noodzakelijk geachte aspecten en helder toegelicht in de beschikking.
De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk / gebruikelijke hulp
Zoals is beschreven in artikel 4 van deze regeling is in bepaalde situaties gebruikelijke hulp van toepassing.
Algemene hulpmiddelen hebben voorrang op individuele voorzieningen. Waar nodig zal een algemene voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze wordt gemaakt, is altijd een individuele afweging.
Bij algemene hulpmiddelen moet men denken aan een afwasmachine, aangepast bestek, het plaatsen van een verhoging voor een wasmachine, een wasdroger, een stofzuiger. Als een technisch hulpmiddel niet aanwezig is of gerealiseerd kan worden maar wel een goede oplossing biedt, is dit voorliggend op het inzetten van hulp.
Algemeen gebruikelijke voorziening
Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Te denken valt hierbij aan: boodschappenservice, maaltijdservice, klussendienst, ramenwasservice etc.
Artikel 7 Vervoersvoorzieningen Jeugdwet
Het uitgangspunt is dat de jeugdige, of diens ouders, het vervoer naar de locatie organiseert op eigen kracht en met behulp van het eigen netwerk. Als er geen gebruik gemaakt kan worden van reguliere en gangbare vervoersmogelijkheden kan aanspraak worden gemaakt op een vervoersvoorziening. De criteria hiervoor zijn vastgelegd in de verordening jeugdhulp en Wmo 2026. Een vervoersvoorziening wordt slechts dan toegekend als er sprake is van medische noodzaak.
Als er sprake is van zorg in natura (ZiN) wordt het geldbedrag maandelijks aan de jeugdige, respectievelijk de ouders, overgemaakt. Hiervoor moet een bankafschrift worden overhandigd. Bij een kilometervergoeding op basis van ZiN dient een kilometerregistratie bij te worden gehouden of de vervoersbewijzen te worden bewaard. De gemeente kan steekproefsgewijs controleren of de overgemaakte vergoeding rechtmatig gebruikt is. Als blijkt dat dit niet het geval is, kan worden overgegaan tot herziening dan wel intrekking van het besluit. De kilometerregistratie dienen voor een periode van 2 jaar beschikbaar te zijn voor controledoeleinden.
Artikel 8 Vervoersvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning
In dit artikel is opgenomen welke vervoersvoorzieningen er minimaal mogelijk zijn. Uitgangspunt is dat een vervoersvoorziening voor het gebruik van een eigen auto slechts wordt toegekend wanneer andere mogelijkheden, zoals het collectief vervoer (CVV), niet passend zijn voor de inwoner.
Het vijfde en het zesde lid regelen onder welke voorwaarden in het collectief vervoer een medisch begeleider of een sociaal begeleider mee mag reizen. Een medisch begeleider is noodzakelijk als de inwoner, vanwege redenen van medische aard, niet zelfstandig naar de plaats van bestemming kan reizen.
De inwoner kan zich daarnaast, vanwege redenen van sociale aard, naar de plaats van bestemming laten begeleiden door een sociaal begeleider. Hierbij kan gedacht worden aan een bezoek aan de winkel of het ziekenhuis.
HOOFDSTUK 6 FINANCIËLE MAATWERKVOORZIENINGEN
Artikel 10 Hoogte financiële maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in februari 2018 een belangrijke uitspraak gedaan die voor gemeenten helder maakt dat de definitie van maatwerkvoorziening in de Wmo 2015 ruim genoeg is om naast zorg in natura en een pgb, ook een financiële tegemoetkoming te kunnen verstrekken.
De financiële tegemoetkoming kan volgens de CRvB worden ingezet voor kosten waarvan de hoogte vooraf lastig te bepalen is. De CRvB noemt verhuiskosten en vervoer als voorbeelden.
Een financiële tegemoetkoming heeft volgens de CRvB als voorwaarde dat zij een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. De financiële tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn, maar mag ook weer niet zo ver afstaan van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel dat deze geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen.
HOOFDSTUK 7 BESCHERMD WONEN EN OPVANG
Artikel 11 Beschermd wonen en opvang
Het eerste lid omschrijft de verantwoordelijkheid van instellingen voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang voor een veilig en passend verblijf.
Om toe te kunnen zien op veilig en passend verblijf, kiezen instellingen voor beschermd wonen en opvang voor regels of andersoortige afspraken die passen bij de aard van de doelgroep en hulpverlening die zij bieden. Met instellingen kunnen hierover afspraken worden vastgelegd in regionale inkoop-, subsidie- of aanvullende afspraken.
Instellingen kiezen zelf een manier om cliënten te informeren over de geldende regels of andersoortige afspraken en over de bijbehorende consequenties. Als verblijf niet (meer) veilig of passend is door het eigen toedoen van cliënt, worden indien volgens de instelling aan de orde consequenties toegepast zoals deze zijn gecommuniceerd met cliënt.
Als het verblijf niet (meer) veilig of passend is buiten toedoen van cliënt, kan een instelling ervoor kiezen het verblijf te beëindigen. Instellingen informeren cliënten over hoe zij omgaan met dit soort situaties. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als iemand uit het netwerk de verblijfplaats van cliënt heeft ontdekt en er veiligheidsrisico’s ontstaan.
Als sprake is van beëindiging van plaatsing, heeft een instelling hiervoor een dossier opgebouwd. Bijvoorbeeld bij overlastgevend of grensoverschrijdend gedrag van cliënt. Dit kan aan de hand van beeldmateriaal, klachten van anderen, aangiftes of notulen van gesprekken met cliënt waarin waarschuwingen en eventuele verbeterafspraken zijn besproken. Maar ook bij beëindiging van verblijf vanwege een onveilige situatie buiten eigen toedoen van cliënt, kan de instelling een goede onderbouwing geven. Instellingen blijven na beëindiging van verblijf betrokken tot er een tijdelijke of structurele andere oplossing is gevonden voor cliënt.
Bijlage 1. Afwegingskader gebruikelijke hulp maatschappelijke ondersteuning
Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van volwassen huisgenoten onderling op het moment dat een van de huisgenoten een ondersteuningsvraag heeft. Hierbij horen op verschillende terreinen verschillende verwachtingen. Per individuele casus wordt maatwerk geleverd. Dit betekent dat altijd rekening wordt gehouden met ieders persoonlijke omstandigheden; zowel als er meer, als wanneer er minder hulp verwacht kan worden.
Zoals genoemd in de regeling, artikel 2, lid 3, wordt gebruikelijke hulp in de volgende situaties niet (volledig) verwacht:
Gebruikelijke hulp bij ondersteuning bij het huishouden
Voor huisgenoten van 23 jaar of ouder betekent gebruikelijke hulp in het huishouden dat van hen wordt verwacht dat zij volledig alle huishoudelijke taken overnemen.
Van huisgenoten tussen de 18 en 23 jaar wordt verwacht dat zij een eenpersoonshuishouden kunnen voeren.
Van minderjarige huisgenoten wordt het volgende verwacht:
Gebruikelijke hulp bij ondersteuning zelfstandig leven en maatschappelijke deelname
Als de ondersteuningsvraag kortdurend is, korter dan drie maanden, wordt van huisgenoten verwacht dat zij voorzien in de ondersteuning wat betreft zelfstandig leven en maatschappelijke deelname. Bij een ondersteuningsvraag die langer dan drie maanden is, wordt gebruikelijke hulp verwacht in de volgende gevallen:
Gebruikelijke hulp bij het ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving
Bij verplaatsingen binnen de leefomgeving wordt de volgende gebruikelijke hulp verwacht:
Voor de aanvraag van persoonsgebonden budget (pgb) voor kinderen tot 18 jaar
U heeft een gesprek gehad met een consulent Jeugd van de gemeente Gouda. In dit gesprek heeft u met de consulent Jeugd besproken voor welke doelen of activiteiten u specialistische jeugdhulp nodig heeft. U heeft aangegeven dat u de jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget wilt inzetten. Het pgb-plan is een onderdeel van de beoordeling van uw aanvraag. In dit pgb-plan beschrijft u hoe u het pgb wilt besteden. De consulent Jeugd heeft aan u uitgelegd wat de gemeente van u verwacht als u een pgb krijgt. In dit plan geeft u aan of u deze taken kan uitvoeren.
Waar mag u het pgb wel of niet aan uitgeven?
Heeft u vragen over het pgb-plan? Neem dan contact op met de gemeente Gouda.
Stuur uw ingevulde pgb-plan naar uw consulent Jeugd. U kunt uw pgb-plan:
Gemeente Gouda, afdeling Opgroeien en Start Arbeidsmarkt,
Antwoordnummer 10005, 2800 VB GOUDA (een postzegel is niet nodig)
De consulent Jeugd beoordeelt daarna uw pgb-plan:
Dan krijgt u een beschikking en kunt u verder met het uitvoeren van uw plan. Een beschikking is een besluit van de gemeente. In dat besluit staat het toegekende bedrag voor het pgb en voor welke periode.
> Is uw pgb-plan niet akkoord?
Dan neemt een consulent Jeugd contact met u op om dit te bespreken. Eventueel mag u een nieuw pgb-plan inleveren en beoordelen wij deze opnieuw.
1. Gegevens van de budgethouder (uw kind) en de budgetbeheerder
De budgethouder is het kind voor wie u pgb aanvraagt. Omdat het kind jonger is dan 18 jaar, moet een volwassene het pgb beheren. Deze volwassene die het pgb beheert, noemen we de budgetbeheerder. De budgetbeheerder kan een ouder, verzorger, familielid of iemand anders zijn. De gemeente Gouda bekijkt of de budgetbeheerder de taken kan uitvoeren die bij een pgb horen.
1.1 Gegevens budgethouder; voor wie is het pgb?
naam ouder(s) / wettelijk vertegenwoordiger(s):
1.2 Gegevens ouder(s) / wettelijk vertegenwoordiger(s)
naam ouder(s) / wettelijk vertegenwoordiger(s):
Let op! Dit mag niet de formele zorgverlener zijn of een persoon die in dienst is bij de formele zorgverlener.
relatie met het kind: ouder/verzorger/familie
1.4 Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder
Kan de budgetbeheerder deze taken uitvoeren? Kruis aan: Ja/Nee
2. Waarom vindt u de hulp die de gemeente kan aanbieden (zorg in natura) niet passend en kiest u voor pgb?
3. Wat gaat u met het pgb doen?
In het ondersteuningsplan dat met de consulent Jeugd is vastgesteld staat welke jeugdhulp u nodig heeft. Geef hieronder aan welke doelen u wilt bereiken met de inzet van een pgb voor jeugdhulp en hoe u wilt dat deze gehaald worden.
4. Welke zorgverlener(s) wilt u voor deze resultaten inzetten?
Zijn het zorgverleners uit uw sociaal netwerk of formele zorgverleners? Tot uw sociaal netwerk behoren bijvoorbeeld uw huisgenoten, vrienden, kennissen en buren. Formele zorgverleners hebben geen sociale relatie met u en bieden ondersteuning omdat dit hun beroep is.
4.1 Uit mijn sociaal netwerk wil ik deze zorg inzetten:
Gemiddeld aantal uren per dag/week
Voldoet deze zorgverlener aan de kwaliteitseisen*: ja/nee
* zie de bijlage voor de kwaliteitseisen
4.2 Deze formele zorg wil ik inzetten:
Gemiddeld aantal uren per dag/week:
Tarief per uur/dagdeel/etmaal:
Voldoet deze zorgverlener aan de kwaliteitseisen*: ja/nee
*zie de bijlage voor de kwaliteitseisen
4.3 Als u een pgb inzet voor dagbesteding: maakt u gebruik van vervoer?
Ja, dit heb ik als volgt geregeld:
5. Is het vastgestelde tarief voldoende om de jeugdhulp in te kopen?
De gemeente vergoedt voor professionele hulp maximaal 100% van het laagste tarief zoals deze geldt bij zorg in natura voor instellingen en maximaal 80% van het laagste tarief van die jeugdhulp voor ZZP-ers.
Als u zorg inkoopt uit uw eigen netwerk, geldt een vastgesteld tarief per uur. Deze tarieven zijn terug te vinden op Externe link:www.gouda.nl. De gemeente heeft aangegeven hoeveel uren/dagdelen/etmalen ondersteuning u nodig heeft.
Is het tarief voldoende om de doelen te bereiken?
Ik betaal het bedrag zelf bij aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB)
Ik heb een andere oplossing, namelijk:
Als u dit pgb-plan ondertekent, dan:
Uw kind moet ondertekenen als het 12 jaar of ouder is
U heeft een gesprek gehad met een Wmo consulent van de gemeente Gouda. In dit gesprek heeft u met de Wmo consulent besproken voor welke doelen of activiteiten u Wmo ondersteuning nodig heeft. U heeft laten weten dat u de ondersteuning wilt inkopen via een persoonsgebonden budget (pgb). De Wmo consulent heeft aan u uitgelegd wat de gemeente van u verwacht als u een pgb krijgt. In dit pgb-plan beschrijft u hoe u het pgb wilt besteden. Het pgb-plan is een onderdeel van de beoordeling van uw aanvraag.
Waar mag u het pgb wel of niet aan uitgeven?
Heeft u vragen over het pgb-plan? Neem dan contact op met de gemeente Gouda.
Stuur uw ingevulde pgb-plan naar zorgenondersteuning@gouda.nl. Of naar:
Gemeente Gouda, afdeling Zorg en Ondersteuning,
Antwoordnummer 10005, 2800 VB GOUDA (een postzegel is niet nodig).
Een Wmo consulent beoordeelt daarna uw pgb-plan:
Dan krijgt u een beschikking en kunt u verder met het uitvoeren van uw plan. Een beschikking is een besluit van de gemeente. In dat besluit staat het toegekende bedrag voor het pgb en voor welke periode.
> Is uw pgb-plan niet akkoord?
Dan neemt een Wmo consulent contact met u op om dit te bespreken. Eventueel mag u een nieuw pgb-plan inleveren en beoordelen wij deze opnieuw.
1. Gegevens van de budgethouder (uzelf), de budgetbeheerder en de wettelijk vertegenwoordiger
1.2 Gegevens wettelijk vertegenwoordiger
Heeft u een wettelijk vertegenwoordiger? nee:
ja: bewindvoerder/curator/mentor, namelijk:
Mijn wettelijk vertegenwoordiger gaat mijn pgb beheren
Iemand anders gaat mijn pgb beheren, namelijk:
Let op! Dit mag niet uw formele zorgverlener zijn of een persoon die in dienst is bij uw formele zorgverlener.
1.4 Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder
Kan de budgetbeheerder deze taken uitvoeren? Kruis aan: Ja/Nee
1.5 Machtiging budgetbeheerder
Als uw vertegenwoordiger of iemand anders het budget gaat beheren kunt u deze persoon hieronder machtigen:
als mijn pgb-budgetbeheerder. Deze beheert namens mij mijn pgb.
Dat betekent dat ik mijn vertegenwoordiger machtig namens mij te handelen en te ondertekenen.
2. Waarom wilt u liever een pgb in plaats van zorg in natura?
3. Wat gaat u met het pgb doen?
In het gesprek met uw Wmo consulent is vastgesteld welke hulp u nodig geeft.
Geef hieronder aan hoe u met uw zorgverlener aan de slag gaat om uw doelen te bereiken:
(schrijf al uw doelen op en uw aanpak om die doelen te bereiken, zo concreet mogelijk)
4. Welke zorgverlener(s) wilt u voor deze resultaten inzetten? Zijn het zorgverleners uit het sociale netwerk (informele zorg) of zzp'ers/zorgaanbieders (formele zorg)?
Tot uw sociaal netwerk behoren bijvoorbeeld uw huisgenoten, vrienden, kennissen en buren.
Formele zorgverleners hebben geen sociale relatie met u en bieden Wmo hulp omdat dit hun beroep is.
4.1 Als informele zorg wil ik deze zorg inzetten:
Gemiddeld aantal uren per dag/week
Voldoet deze zorgverlener aan de kwaliteitseisen*: ja/nee
* zie de bijlage voor de kwaliteitseisen
4.2 Deze formele zorg wil ik inzetten:
Gemiddeld aantal uren per dag/week:
Tarief per uur/dagdeel/etmaal:
Voldoet deze zorgverlener aan de kwaliteitseisen*: ja/nee
* zie de bijlage voor de kwaliteitseisen
4.3 Als u een pgb inzet voor dagbesteding: maakt u gebruik van vervoer?
Ja, dit heb ik als volgt geregeld:
5. Is het vastgestelde tarief voldoende om de zorg in te kopen?
De gemeente heeft aangegeven hoeveel uren/dagdelen/etmalen ondersteuning u nodig heeft.
Is het tarief voldoende om de doelen te bereiken?
Als u dit pgb-plan ondertekent, dan:
Budgetbeheerder (indien van toepassing)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-71598.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.